ECLI:NL:RBNHO:2026:11664

ECLI:NL:RBNHO:2026:11664

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-08-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer C/15/380491 / KG ZA 26-445
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Kort geding. Mondeling vonnis. Geen belang bij vordering tot nakoming omgangsregeling, omdat moeder hiertoe al bij vonnis is veroordeeld. Geen dwangsom, omdat onvoldoende valt vast te stellen dat het niet nakomen van de omgangsregeling uitsluitend aan moeder is te wijten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Familie en Jeugd

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/380491 / KG ZA 26-445

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 10 augustus 2026

in de zaak van

[de vader] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. O. Asscher,

tegen

[de moeder] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J. van de Pol.

Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Haarlem.

De zaak wordt behandeld door mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A. de Bert als griffier.

Aanwezig zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. Asscher en [tolk] (tolk) - de moeder, bijgestaan door mr. A.E. Muller (kantoorgenoot mr. Van de Pol) en [tolk] (tolk)

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat partijen de Syrische nationaliteit hebben, heeft de zaak een

internationaal karakter. De voorzieningenrechter moet daarom vaststellen of hij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en moet beoordelen welk recht van toepassing is. Onder verwijzing naar het vonnis van 16 juni 2026 acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om naar Nederlands recht over de vorderingen te oordelen.

Spoedeisend belang

Beoordeeld moet worden of er spoedeisend belang is om vooruitlopend op een bodemprocedure een voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overweegt dat de vader een voldoende spoedeisend belang heeft, omdat is gebleken dat partijen sinds het vonnis van 16 juni 2026 onenigheid met elkaar hebben over de omgangregeling tussen de vader en [de minderjarige] , de dochter van partijen, die toen is vastgesteld en de uitvoering van die omgangsregeling in de meeste weekenden sindsdien niet goed is verlopen. Het volgende geplande omgangsmoment tussen de vader en [de minderjarige] is komend weekend. De vader heeft daarmee een voldoende spoedeisend belang om een voorziening te vragen, zodat voor het komende weekend duidelijk is wat de afspraak is tussen partijen en ook of aan de nakoming van de omgangsregeling door de moeder een dwangsom moet worden verbonden zoals de vader heeft gevraagd.

Nakoming van de omgangsregeling

De vader vordert nakoming van de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het vonnis van 16 juni 2026. Ter zitting vandaag is duidelijk geworden dat de vader inmiddels een eigen woning heeft die voldoende is ingericht om [de minderjarige] in het weekend thuis te kunnen ontvangen. Dat betekent dat het nu alleen nog gaat om nakoming van het onderdeel van de omgangsregeling zoals vastgesteld in het vonnis van 16 juni 2026, inhoudende dat de vader [de minderjarige] op zaterdag om 09:00 uur ophaalt bij de woning van de moeder en dat [de minderjarige] dan tot zondag 17:00 uur bij de vader kan verblijven, waarna de moeder [de minderjarige] op zondag om 17:00 uur bij de vader ophaalt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader geen belang heeft om de moeder tot nakoming van de omgangsregeling te veroordelen omdat met het vonnis van 16 juni 2026 er al een rechterlijke uitspraak is waarin de moeder is veroordeeld om de omgangregeling zoals hiervoor bedoeld, na te komen. Die veroordeling geldt nog steeds en de moeder moet die omgangsregeling dus nakomen. De moeder erkent dat ook. Er is geen wijziging van omstandigheden die maakt dat partijen een wijziging of aanpassing van die omgangsregeling beogen.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen

In deze zaak gaat het eigenlijk om de vraag of er een dwangsom moet worden verbonden aan de eerdere veroordeling tot nakoming van de omgangsregeling door de moeder. Die vordering wijst de voorzieningenrechter af. Het verbinden van een dwangsom aan een omgangsregeling met een minderjarig kind is een vergaande maatregel die de verhouding tussen partijen nog verder op scherp zou zetten. Bij de oplegging daarvan moet de voorzieningenrechter erg terughoudend zijn. Daarbij komt dat de voorzieningenrechter onvoldoende heeft kunnen vaststellen dat het niet nakomen van de omgangsregeling uitsluitend aan de moeder is te wijten of dat sprake is van onwil bij de moeder om de omgangsregeling na te komen. De voorzieningenrechter heeft de indruk dat veelal sprake is geweest van miscommunicatie tussen partijen waardoor de uitvoering van de omgangsregeling tot afgelopen weekend toe niet goed is gegaan. Partijen zullen er vooral aan moeten werken om die communicatie weer goed te laten verlopen.

De voorzieningenrechte benadrukt dat het uitgangspunt is dat de vader elke zaterdag bij de moeder om 09:00 uur voor de deur staat en de moeder [de minderjarige] dan aan de vader moet meegeven. De omgang tussen de vader en [de minderjarige] is niet afhankelijk van de vraag of de vader van tevoren heeft aangegeven of hij komt of dat de moeder aan de vader heeft gevraagd of hij komt. De voorzieningenrechter constateert dat de omgang het afgelopen weekend goed is verlopen. Daarbij helpt dat de vader sindsdien - anders dan in de weekenden daarvoor - [de minderjarige] in zijn eigen woning kan ontvangen, zodat hij niet meer in de woning van de moeder hoeft te verblijven om omgang met [de minderjarige] te kunnen hebben. Omdat beide partijen hebben aangegeven de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] te willen nakomen, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat partijen de omgangsregeling overeenkomstig het vonnis van 16 juni 2026 ook in de toekomst met elkaar zullen uitvoeren.

Proceskosten

Beide partijen hebben gevorderd de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet hiervoor onvoldoende aanleiding, omdat niet kan worden vastgesteld dat het instellen van deze procedure aan één van beide partijen is te wijten. Daarom zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van de vader af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. van der Kluit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand