RECHTBANK Noord-Holland
Familie & Jeugdrecht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379849 / KG ZA 26-403
Vonnis in kort geding van 3 september 2026
in de zaak van
[de vader] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.A.M. Ansink,
tegen
[de moeder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.B. Chylinska.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de omgang tussen de vader en zijn kind. De moeder heeft een concept zorgregeling opgesteld inhoudende dat het kind iedere zaterdag van 10:00 tot 15:00 uur bij de vader verblijft en iedere woensdag van 14:00 tot 17:00 uur contact met de vader heeft. Die regeling wordt uitgevoerd. De vader wil een meer uitgebreide zorgregeling. Volgens de moeder verzet het belang van het kind zich tegen de snelle opbouw naar een uitgebreide zorgregeling. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen reden tot uitbreiding van de zorgregeling. Partijen moeten eerst de huidige contactregeling en de communicatie daarover optimaliseren en dit onder begeleiding van een professional evalueren, waarna uitbreiding van de zorgregeling aan de orde kan komen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 6- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 13
- de aanvullende producties 7 en 8 van de vader
- de aanvullende productie 9 van de vader - de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. Ansink voornoemd
- de moeder, bijgestaan door [tolk] (tolk in Oekraïense taal) en mr. I.M. Thieme (kantoorgenoot van mr. Chylinska voornoemd).
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Op 24 augustus 2025 zijn partijen verhuisd naar een huurwoning in [plaats] .
Uit de relatie is op [geboortedatum] het minderjarige kind [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .
In de periode van 23 oktober 2025 tot 17 mei 2026 heeft ook de vader van de vader in de woning verbleven. Ook de moeder van de moeder heeft langere tijd in de woning gewoond. Deze situatie leidde regelmatig tot spanningen tussen partijen.
Op 21 januari 2026 is de relatie tussen partijen geëindigd.
De moeder heeft de vader een concept ouderschapsplan gestuurd waarin de moeder heeft opgenomen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder in de gemeentelijke opvanglocatie in [plaats] zal zijn en zij een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] voorstelt als volgt:
- iedere zaterdag van 10:00 tot 15:00 uur verblijft [de minderjarige] bij de vader;
- iedere woensdag van 14:00 tot 17:00 uur heef de vader contact met [de minderjarige] .
In het concept ouderschapsplan staat verder dat de afspraken een tijdelijk karakter hebben en uiterlijk binnen drie maanden gezamenlijk zullen worden geëvalueerd en de afspraken indien nodig in onderling overleg kunnen worden aangepast.
In een e-mail van 2 juli 2026 heeft de advocaat van de vader aan de advocaat van de moeder laten weten dat de vader het er niet mee eens is dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf krijgt in een tijdelijke opvanglocatie omdat dit geen duurzame en stabiele leefomgeving biedt. Verder heeft de vader een geleidelijke opbouw naar een zorgregeling van ongeveer 50/50 voorgesteld, met als uitgangspunt dat [de minderjarige] ieder weekend van vrijdag tot en met zondag bij de vader verblijft inclusief overnachtingen en één extra overnachting per week, en dat daarnaast ook een evenwichtige verdeling van de vakanties moet komen.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de zorgregeling.
Begin juli 2026 is de moeder – zonder toestemming van de vader – met [de minderjarige] (en haar moeder) verhuisd naar de gemeentelijke opvanglocatie voor Oekraïnse ontheemden Saendenborch in Zaandam.
3. Het geschil
De vader vordert:
I. primair
Een voorlopige zorgregeling te bepalen als volgt:
Eerste maand:
o in de eerste maand verblijft [de minderjarige] iedere woensdag bij de vader van 14.00 uur tot 17.00 uur
o in de eerste maand verblijft [de minderjarige] iedere zaterdag bij de vader van 10.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur
Tweede maand:
o in de tweede maand verblijft [de minderjarige] iedere woensdag bij de vader van 14.00 uur tot donderdag 10.00 uur
o in de tweede maand verblijft [de minderjarige] iedere zaterdag bij de vader van 10.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur
o in de derde maand verblijft [de minderjarige] iedere woensdag bij de vader van 14.00 uur tot donderdag 10.00 uur
o in de derde maand verblijft [de minderjarige] iedere zaterdag bij de vader van 10.00 uur tot maandagochtend 9.00 uur
subsidiair
II. althans een dusdanige regeling vast te stellen welke de voorzieningenrechter in goede justitie zult menen te behoren.
De vader legt aan de vordering ten grondslag dat de voorgestelde zorgregeling onvoldoende is om een normale, stabiele en volwaardige band tussen hem en [de minderjarige] te behouden en verder op te bouwen. Zijn standpunt is dat er een regeling moet komen die zoveel mogelijk aansluit bij een 50/50 verdeling, zodat beide ouders daadwerkelijk betrokken kunnen zijn bij het leven en de verzorging van [de minderjarige] .
De moeder voert verweer. De moeder concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van de vader, subsidiair tot het vaststellen van een aanzienlijk beperktere regeling (zonder overnachtingen) dan door de vader gevorderd en meer subsidiair iedere verdere beslissing aan te houden om nadere informatie, onderzoek of begeleiding mogelijk te maken indien de voorzieningenrechter dat in het belang van [de minderjarige] acht, met veroordeling van de vader in de proceskosten.
De moeder voert aan dat de door de vader gevorderde uitbreiding disproportioneel en prematuur is gelet op de concrete omstandigheden van het geval. Het gaat om een zeer jonge minderjarige die sterk afhankelijk is van continuïteit en voorspelbaarheid. Tussen partijen is sprake van ernstige relationele spanningen waarbij de moeder stelt dat sprake is van bedreigingen van fysieke agressie en meerdere (gewelddadige) incidenten hebben plaatsgevonden in nabijheid van [de minderjarige] . Daarnaast bestaan bij de moeder concrete zorgen over de vader tijdens de uitvoering van de huidige contactregeling met [de minderjarige] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Uit de stukken in het dossier en het besprokene ter zitting is onder meer het volgende gebleken. Na het verbreken van de relatie zijn de verhoudingen tussen partijen ernstig verstoord geraakt, waardoor de moeder zich meermalen genoodzaakt heeft gezien om de politie te bellen. De moeder stelt dat er gedurende de samenleving sprake is geweest van stelselmatig psychisch geweld, controle, vernederingen en bedreigingen door de vader jegens haar. Partijen geven uitvoering aan de zorgregeling zoals door de moeder voorgesteld in het concept ouderschapsplan. Moeder heeft aangegeven zich zorgen te maken over het huidige contact tussen de vader en [de minderjarige] omdat onder andere [de minderjarige] bij overdrachten steeds huilt, [de minderjarige] na contactmomenten soms hongerig terugkwam en hij minder actief leek en tijd nodig had om tot rust te komen. De moeder stelt dat zij van de vader geen informatie krijgt over het gedrag van [de minderjarige] , zijn emotionele toestand, zijn stemming, zijn reacties of over de wijze waarop hij contacten feitelijk aanvaart. Tussen partijen bestaat een hoop wantrouwen en bij de overdracht van [de minderjarige] maken zij vaak over en weer filmopnames van elkaar om negatief ‘bewijs’ te kunnen verzamelen.
Zoals de voorzieningenrechter ter zitting aan partijen heeft voorgehouden, acht hij het op dit moment in het licht van de complexe situatie waarin partijen zich hebben bevonden en de impact die dit (kennelijk) op hun onderlinge verstandhouding heeft gehad, niet verantwoord om een uitbreiding van de zorgregeling te gelasten. De vordering van de vader zal daarom worden afgewezen. Het volgende is van belang.
Bij afwegingen in zaken als deze is altijd het uitgangspunt: wat is in het belang van het kind. [de minderjarige] is een jongentje van nog geen jaar oud, die gedurende het eerste jaar van zijn leven al de nodige heftige situaties en gebeurtenissen heeft meegemaakt die impact op zijn welbevinden zullen hebben gehad. Gelet op de jonge leeftijd is hij nog niet in staat om helder en eenduidig aan te geven hoe hij gebeurtenissen ervaart. Het komt aan op interpretatie van de signalen die hij afgeeft.
Het is wenselijk dat ouders daaromtrent beelden ontwikkelen die niet te zeer van elkaar verschillen. Dat wordt bemoeilijkt wanneer er tussen de ouders sprake is van wantrouwen, zoals hier over en weer op een aantal belangrijke punten (nog) het geval is.
De voorzieningenrechter twijfelt er niet aan dat de ouders beide zielsveel van hun zoontje houden en er alles aan willen doen om ervoor te zorgen dat hij zich goed ontwikkelt. De voorzieningenrechter heeft hen voorgehouden dat ze de motivatie die ze daaraan ontlenen het best kunnen richten op het optimaliseren van de huidige contactregeling en de onderlinge communicatie daarover, door die met bijstand van een medewerker van het Jeugdteam of een andere professional op gezette tijden (bijvoorbeeld iedere drie maanden) te evalueren. Die evaluatie zou kunnen plaatsvinden op bijvoorbeeld de volgende drie doelstellingen:
[de minderjarige] is na ieder bezoek aan de vader rustig, voldaan en tevreden;
De moeder voelt zich over de essentiële dingen in het verloop van het contact tussen de vader en [de minderjarige] voldoende door de vader geïnformeerd. (De moeder kan aangeven op welke punten zij geïnformeerd wil worden. Een overdrachtsschrift kan daarvoor een nuttig hulpmiddel zijn.)
Partijen slagen erin om de rust in hun onderlinge contact te bewaren. (Het lijkt de voorzieningenrechter verstandig dat partijen stoppen met het maken van filmopnamen van elkaar.)
Zodra de evaluaties op deze punten een constant positief beeld laten zien zou uitbreiding van de zorgregeling op de agenda kunnen komen. De professionele begeleiding zou een zware stem moeten worden gegeven in beslissingen op dit gebied.
Proceskosten
De proceskosten worden zo gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat het geschil voortkomt uit de relatie die tussen partijen heeft bestaan.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van de vader af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
1589