RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11897821 \ CV EXPL 25-3454
Uitspraakdatum: 2 september 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Volkswagen Pon Financial Services B.V.
te Amersfoort
de eisende partij
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De verdere procedure
In het tussenvonnis heeft de eisende partij de gelegenheid gekregen om te reageren op het voorlopig oordeel van de kantonrechter over de oneerlijkheid van artikel 22 van de keurmerkvoorwaarden. De eisende partij heeft gereageerd door middel van een akte.
2. De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De eisende partij voert aan dat de tekst van het beding weliswaar afwijkt van de wettelijke regeling, maar dat daarnaast in artikel 50 van de keurmerkvoorwaarden is opgenomen dat de wettelijke ontbindingsmogelijkheden verder volledig van toepassing zijn. Daaruit volgt volgens de eisende partij dat zij niet mag ontbinden als de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt.
Dit betoog slaagt niet. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen, bepaalt artikel 50 van de keurmerkvoorwaarden dat de eisende partij ook gebruik kan maken van de wettelijke ontbindingsmogelijkheden. Daarin is echter niet opgenomen dat de eisende partij ook gebruik moet maken van de wettelijke vereisten in het kader van de ontbinding. Dit betekent dat het beding een regeling naast de wettelijke regeling schept, waarin de redelijkheidstoets uit de wettelijke regeling ontbreekt. Op grond van dit beding kan de eisende partij bij het onbetaald laten van enig bedrag door de consument direct tot ontbinding van de overeenkomst overgaan en de ontbindingsvergoeding in rekening brengen, ook als deze ontbinding met haar gevolgen, vanwege de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Daarmee wijkt het beding ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling. Het beding is dan ook oneerlijk. De kantonrechter vernietigt daarom dit beding.
Wat is toewijsbaar?
Zoals in het tussenvonnis overwogen heeft de vernietiging van artikel 22 van de keurmerkvoorwaarden tot gevolg dat de gevorderde ontbindingsvergoeding (op grond van artikel 47 van de keurmerkvoorwaarden) niet verschuldigd is. Deze is immers onlosmakelijk verbonden met dit beding. Dit betekent dat een gedeelte van € 1.490,28 van de hoofdsom zal worden afgewezen. De hoofdsom is daarmee toewijsbaar tot een bedrag van € 6.415,19.
De vernietiging van het rentebeding heeft tot gevolg dat de gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen.
De eisende partij heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Ter onderbouwing van haar vordering stelt zij dat de gedaagde partij in verzuim is geraakt na het verstrijken van de betalingstermijnen zoals vermeld op de desbetreffende facturen. Een betaaltermijn op een nota/factuur is op zichzelf echter geen fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Daarvoor is in beginsel een voor nakoming overeengekomen termijn vereist. Uit het lichaam van de dagvaarding blijkt niet dat partijen (voor alle facturen) de betalingstermijn zijn overeengekomen, zodat de gedaagde partij niet na het verstrijken van deze betalingstermijn in verzuim is geraakt. Bovendien stelt de eisende partij dat de gedaagde partij vanaf 1 juni 2025 in verzuim was, terwijl op dat moment een gedeelte van de hoofdsom nog niet opeisbaar was. Gelet hierop is in de door de eisende partij verzonden aanmaning een hoger bedrag genoemd dan op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toegestaan. Daarom worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was om deze kosten te maken.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 6.415,19;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 543,00;
salaris gemachtigde € 360,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter