ECLI:NL:RBNHO:2026:1175

ECLI:NL:RBNHO:2026:1175

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer 11544338
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Luchtvaart; Annulering. Compensatie en terugbetaling ticketprijzen. Redelijke maatregelen onvoldoende onderbouwd. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11544338 \ CV EXPL 25-948

Uitspraakdatum: 21 januari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V.)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft

gevestigd te Keulen (Duitsland)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J. Nooij (Russell advocaten)

De zaak in het kort

De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht en terugbetaling van de ticketprijzen. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen of te beperken. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 januari 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Ministro Pistarini Airport (Argentinië), met vluchtnummers LH997 en LH510.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

De passagiers hebben zelf een alternatieve vlucht geboekt en zijn hierdoor meer dan drie uur later op de eindbestemming aangekomen. Zij hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3. Het geschil

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.306,38, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van annulering van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 455,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

- en de nakosten.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening) en ticketprijzen van de vlucht met een bedrag van € 2.106,38 moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening).

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).

4. De beoordeling

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Redelijke maatregelen

De vervoerder heeft een beroep gedaan op een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder niet voldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. De vervoerder stelt dat hij zelfs met inzet van alle redelijke maatregelen de nationale staking niet had kunnen vermijden. De initieel aangeboden vlucht was de eerst beschikbare alternatieve vlucht. Deze vlucht zou de passagiers met een vertraging van minder dan 24 uur vervoeren naar de eindbestemming. De beschikbaarheid van alternatieve vluchten kan zeer veranderlijk zijn. De vervoerder maakt gebruik van een automatische omboekingssysteem. Dit systeem heeft de passagiers alternatieve aangeboden met beschikbare plaatsen naar hun eindbestemming (ongeacht van de eigen of een andere luchtvaartmaatschappij en ongeacht of het een rechtstreekse of indirecte vlucht betreft). De vervoerder heeft er geen belang bij om passagiers niet op de eerst beschikbare vlucht om te boeken, omdat het alleen maar extra kosten met zich meebrengt. Echter hebben de passagiers verzocht om restitutie en heeft de vervoerder niet meer verder kunnen kijken naar alternatieve vluchten waarmee de passagiers zo snel mogelijk konden vliegen naar hun eindbestemming. Niet valt in te zien welke andere maatregelen van de vervoerder konden worden gevergd.

De passagiers betwisten dit. De vervoerder heeft de passagiers niet omgeboekt naar een alternatieve vlucht. De passagiers hebben zelf een alternatieve vlucht geboekt, waarmee zij sneller op de eindbestemming zijn aangekomen. Dit laat zien dat er eerdere vluchten beschikbaar waren, dan de vlucht die de vervoerder hen, naar zijn zeggen, had aangeboden. De vervoerder heeft ook niet aangetoond dat hij heeft onderzocht of er een snellere optie was. Daarnaast stellen de passagiers dat zij niet volledig zijn geïnformeerd over de keuze tussen een alternatief reisplan en ticketrestitutie.

De kantonrechter overweegt dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. De vervoerder voert aan dat hij de passagiers had omgeboekt naar een vlucht waarmee zij exact 24 uur later dan oorspronkelijk gepland op de eindbestemming zouden aankomen. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de alternatief aangeboden vlucht. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat hij gebruik maakt van een automatisch boekingssysteem. Dit systeem kiest altijd de eerst mogelijke vlucht. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van de passagiers, de vervoerder zijn verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft wel een productie overgelegd, maar het is uitdrukkelijk niet de taak van de kantonrechter om zelfstandig in de stukken te zoeken naar de onderbouwing van het verweer van de vervoerder. Daarnaast hebben de passagiers zelf een alternatieve vlucht geboekt, waarmee zij eerder zijn aangekomen op de eindbestemming. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk heeft gemaakt dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt. De vordering tot compensatie wordt daarom toegewezen aan de passagiers.

Terugbetaling ticketprijzen

Niet in geschil is dat de passagiers recht hebben op volledige terugbetaling van de ticketprijzen. De vervoerder is in beginsel gehouden deze restitutie binnen zeven dagen na annulering te voldoen.

De vervoerder voert aan dat de passagiers een terugbetaling van in totaal € 386,06 (twee vliegtickets van € 193,03), hebben ontvangen. De vervoerder heeft een overzicht van de betaling overgelegd als productie.

De passagiers stellen dat zij geen terugbetaling hebben ontvangen. De vervoerder heeft een overzicht overgelegd van een restitutie, maar hieruit blijkt niet naar wie het bedrag is overgemaakt en dat het bedrag bestemd is voor de passagiers. Daarom is niet vast komen te staan dat de vervoerder het bedrag reeds heeft betaald. Dit betekent dat de vervoerder hen de ticketprijzen alsnog moet terugbetalen, aldus de passagiers.

Het verweer van de vervoerder slaagt niet. De artikelen 5 en 8 van de Verordening moeten zo worden begrepen dat de verplichting om de ticketprijs bij annulering terug te betalen, rust op de luchtvaartmaatschappij. Het is daarmee ook de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij om te bewerkstelligen dat de terugbetaling bij de passagiers terecht komt. De luchtvaartmaatschappij moet op grond van artikel 5 van de Verordening bijstand aan de passagiers verlenen (en niet aan enig ander). Dat betekent dat wanneer de passagiers op grond van artikel 8 van de Verordening kiezen voor terugbetaling van de originele ticketprijs, die terugbetaling moet plaatsvinden aan de passagiers in kwestie. Dat dit anders zou zijn als de passagiers hun ticket hadden geboekt via een tussenpersoon zoals ‘eDreams’, volgt niet uit de Verordening of de jurisprudentie daarover. In de overgelegde stukken staat namelijk niet aan wie het bedrag is overgemaakt. Daarmee heeft de vervoerder niet aangetoond dat hij restitutie heeft betaald aan de passagiers. Daarom kunnen de passagiers op grond van de Verordening van de vervoerder verlangen dat zij aan hen de ticketprijzen terugbetaalt, ook terwijl zij de tickets via ‘eDreams’ hadden geboekt. Dit betekent dat de vervoerder niet aan zijn verplichtingen jegens de passagiers heeft voldaan in de situatie waarin hij de ticketprijzen heeft terugbetaald aan ‘eDreams’ en ‘eDreams’ de ticketprijzen vervolgens niet heeft doorbetaald aan de passagiers.

Hoogte van de restitutie

Dan rest nog de vraag welk bedrag gerestitueerd moet worden. De vervoerder voert aan dat de ticketprijzen in totaal € 386,06 (twee vliegtickets van € 193,03) bedraagt. De overige door ‘eDreams’ bij de passagiers in rekening gebrachte kosten zijn geen onderdeel van de ticketprijs en komen niet in aanmerking voor vergoeding. De vordering is daarom niet toewijsbaar voor zover die betrekking heeft op additionele services en kosten. De vervoerder is alleen verplicht om de volledige ticketprijs terug te betalen en niet ook andere kosten die deel uitmaken van het pakketreis. De passagiers hebben dit verweer onbesproken gelaten. De vordering is daarom in het onderhavige geval niet toewijsbaar voor zover die betrekking heeft op de provisie-/administratiekosten zoals die door ‘eDreams’ in rekening zijn gebracht. Nu de passagiers geen gebruik hebben gemaakt van de heen- en terugvlucht leidt tot de conclusie dat, gelet op de ‘price breakdown’ in productie 1, een bedrag van € 814,00 toewijsbaar is. De wettelijke rente over het toewijsbare bedrag zal worden toegewezen vanaf 25 juni 2024, zijnde de dag nadat de termijn van 14 dagen in de sommatiebrief van de gemachtigde van de passagiers van 11 juni 2024 is verstreken.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Het gevorderde bedrag is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 302,10, en voor het overige afwijzen.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.

Voor de vordering tot vergoeding van de restitutie van de ticketprijzen geldt het volgende. Het betreft hier géén vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade. In de brief van 11 juni 2024 die is overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding en als ingebrekestelling kan worden beschouwd, wordt de vervoerder gesommeerd binnen 14 dagen na de datum van deze brief te betalen. Derhalve is de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 814,00 toewijsbaar vanaf 25 juni 2024, nu een eerdere verzuimdatum is gesteld noch gebleken.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.014,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 23 januari 2024, over het bedrag € 814,00 vanaf 25 juni 2024 en over € 302,10 vanaf 16 januari 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;griffierecht € 257,00;salaris gemachtigde € 408,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Schipper

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand