ECLI:NL:RBNHO:2026:11874

ECLI:NL:RBNHO:2026:11874

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer C/15/381751 HARK 26/172
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Wrakingskamer. Verzoek afgewezen. De beslissing van de rechter-commissaris om het verzoek tot aanhouding van de hoorzitting af te wijzen, dient te worden aangemerkt als een procesbeslissing. De vraag die hier voorligt is of uit de motivering van de afwijzing enige vorm van vooringenomenheid van de rechter-commissaris blijkt. Hiervan is slecht sprake indien een procesbeslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

beslissing

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

Zaaknummer : C/15/381751 HA RK 26-172

Beslissing van 2 september 2026

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. H.E. van Harten,

hierna te noemen: de rechter-commissaris.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft op 2 september 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter-commissaris in de bij deze rechtbank, team Kabinet RC aanhangige zaak met als parketnummer 15/249085-26, hierna te noemen: de hoofdzaak.

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 2 september 2026. Verzoeker is verschenen. Voorts zijn verschenen de rechter-commissaris en de officier van justitie, mr. M. van den Heuvel.

2. De feiten

De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten.

De officier van justitie heeft bij brief van 27 augustus 2026 een vooraankondiging voor het indienen van een aanvraag voor een machtiging tot ontruiming aan de bewoners van het adres [adres] (hierna: het pand) gestuurd. In deze brief is aangegeven dat op 2 september 2026 om 14:00 uur een besloten hoorzitting zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw van de Rechtbank Noord-Holland te Haarlem. Deze brief is op 29 augustus 2026 aan verzoeker uitgereikt.

De officier van justitie heeft op 1 september 2026, ex artikel 551a, tweede lid Sv, bij de rechter-commissaris een vordering tot machtiging voor een bevel tot verwijdering van personen die wederrechtelijk vertoeven in het pand ingediend.

Op 1 september 2026 heeft een groep onbekenden rond 20:35 uur geweld gebruikt tegen de (bezittingen van de) gebruikers van het pand, onder wie verzoeker.

Verzoeker heeft vervolgens op 2 september 2026 om 02:58 uur aan de rechter-commissaris verzocht om de behandeling van de vordering ex artikel 551a Sv voor korte tijd aan te houden. Verzoeker legt – kort samengevat - aan dit verzoek ten grondslag dat hij vanwege de geweldsuitbarsting (“waarbij ten minste vijftien mannen, in het bezit van een koevoet, knuppel en bijl, met geweld het pand zijn binnengedrongen en daar op grote schaal ruiten en persoonlijke eigendommen hebben vernield, medebewonders hebben geslagen en hebben gedreigd terug te komen”) nauwelijks heeft kunnen slapen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiding op de hoorzitting, temeer nu hij het dossier waarop de vordering berust pas op 1 september 2026 rond 18:00 uur heeft ontvangen en hij in de ochtend van 2 september 2026 in het ziekenhuis aanwezig moest zijn in verband met een operatie van zijn vader.

De officier van justitie heeft per e-mail van 2 september 2026 om 09:39 uur laten weten zich te verzetten tegen aanhouding van de behandeling van de hoorzitting.

De rechter-commissaris heeft het verzoek om aanhouding van de behandeling van de hoorzitting afgewezen. Deze beslissing is bij e-mail van 2 september 2026 om 10:21 uur aan verzoeker toegestuurd. Deze e-mail luidt als volgt:

‘De onderhavige procedure betreft een spoedprocedure die gebonden is aan korte wettelijke termijnen.

Uiteraard betreur ik de gebeurtenissen van gisteravond. De aankondiging van de hoorzitting is echter al op 29 augustus om 10:15 uur aan u uitgereikt.

Vanaf dat moment had u dus de mogelijkheid om ofwel juridische bijstand te zoeken, ofwel zelf het dossier op te vragen en te bestuderen.

De gebeurtenissen van gisteravond tonen aan dat er een reëel risico voor de openbare orde bestaat.

Er is dus een extra zwaarwegend belang is om op zo kort mogelijke termijn duidelijk te verkrijgen omtrent de situatie.

Dat maakt dat de hoorzitting van vanmiddag doorgang zal vinden.’

3. Standpunt van de verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek – samengevat –

het volgende aangevoerd. Op 2 september 2026 heeft de rechter-commissaris het verzoek om de geplande hoorzitting uit te stellen afgewezen. Verzoeker benadrukt dat de afwijzing van het verzoek als zodanig geen grond vormt voor de wraking. De kern van zijn verzoek is gelegen in de motivering van die afwijzing, verwoord in de twee na laatste en voorlaatste zin van de e-mail, opgenomen onder 2.5.

Verzoeker stelt dat het geweld waarop de rechter-commissaris hier doelt, juist door derden tegen de bewoners was gericht en gepaard ging met de uitdrukkelijke dreiging dat die derden zouden terugkeren waarbij het geweld ernstiger zou worden als de bewoners niet vertrokken. Verzoeker stelt dat de rechter-commissaris dit feitencomplex niet in het midden heeft gelaten, maar daaraan vóór het horen van verzoeker zelf een betekenis heeft toegekend, namelijk: het geweld ‘toont aan’ dat een reëel risico voor de openbare orde bestaat en levert ‘dus’ een extra zwaarwegend belang bij onmiddellijke voortgang op. De logische structuur en richting van deze waardering vormen de kern van zijn wrakingsverzoek.

Verzoeker gaat daarbij in op de vraag welke feiten de rechter-commissaris tot uitgangspunt neemt voor haar beslissing en stelt dat uit de reactie van de rechter-commissaris niet blijkt dat zij het feitencoplex wegens onzekerheid buiten beschouwing laat, maar ervan uitgaat dat de gebeurtenissen aantonen dat er een reëel risico voor de openbare orde bestaat. Vezoeker stelt dat door van dit feitencomplex uit te gaan, maar de richting en het doel van het geweld niet in haar motivering te betrekken, een element uit het feitencomplex wordt geïsoleerd waardoor het wezenlijke onderscheid tussen degene die het geweld pleegt en degene tegen wie het geweld wordt gepleegd uit de redenering verdwijnt.

4. De beoordeling

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets).

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

De rechter heeft te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berust. In haar schriftelijke reactie heeft zij gesteld dat het wrakingsverzoek is gedaan omdat verzoeker het niet eens is met haar beslissing om de behandeling van de hoorzitting niet aan te houden. Zij wijst erop dat het enkele feit dat zij als rechter-commissaris een voor een partij negatieve (proces)beslissing heeft genomen geen grond voor wraking oplevert. Dit is slechts anders indien de beslissing blijk zou geven van enige vorm van vooringenomenheid, hetgeen volgens haar niet het geval is.

De wrakingskamer overweegt het volgende. De beslissing van de rechter-commissaris om het verzoek tot aanhouding van de hoorzitting af te wijzen, dient te worden aangemerkt als een procesbeslissing. Het is, zoals verzoeker zelf ook uitdrukkelijk heeft aangegeven, vaste rechtspraak dat dergelijke beslissingen in beginsel geen grond voor wraking opleveren. De vraag die hier voorligt is of uit de motivering van de afwijzing enige vorm van vooringenomenheid van de rechter-commissaris blijkt. Hiervan is slecht sprake indien een procesbeslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Vast staat dat er een uitbarsting van geweld heeft plaatsgevonden, gericht tegen de gebruikers van het pand. De rechter-commissaris wijst in haar motivering op het gepleegde geweld en op het risico voor de openbare orde, maar geenszins valt daarin te lezen dat zij verzoeker als veroorzaker van dit geweld aanwijst. Het staat vast dat de openbare orde is verstoord door de geweldplegers, waarbij er ook een gevaar voor verzoeker is ontstaan. Dat de rechter-commissaris oordeelt dat de verstoring van de openbare orde maakt dat er sprake is van een zwaarwegend belang om snel duidelijkheid te krijgen, geeft naar het oordeel van de wrakingskamer in de gegeven omstandigheden geen blijk van enige vorm van vooringenomenheid.

De conclusie is dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond voor wraking vormen. Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat geen sprake is van (de schijn van) partijdigheid van de rechter, zodat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking van de rechter-commissaris af;

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter-commissaris en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. C.W.M. Giesen en mr. C.S. Schoorl, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Buurman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.J. Wolfs
  • mr. C.W.M. Giesen
  • mr. C.S. Schoorl

Griffier

  • mr. B.W. Buurman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand