RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
de gemeenteraad van Wormerland,
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4130
en
(gemachtigde: M. Bozdag).
Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende zijn bezwaar tegen het besluit van de gemeenteraad van 30 juni 2026 om niet in te stemmen met zijn referendumverzoek.
2. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter het besluit te schorsen tot op het bezwaar is beslist en te bepalen dat de gemeenteraad zich gedurende die periode onthoudt van het nemen of uitvoeren van concrete bestuurlijke besluiten of het aangaan van bestuurlijke afspraken die vooruitlopen op een definitieve keuze over de bestuurlijke toekomst van Wormerland.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. De gemeenteraad heeft met het e-mailbericht van 25 augustus 2026 schriftelijk verklaard dat het op dit moment niet de intentie van de gemeenteraad is om gedurende de komende periode formele besluiten te nemen in deze zaak. Wel streeft de gemeenteraad ernaar zo spoedig mogelijk, en binnen de geldende termijnen, een beslissing op het bezwaar te nemen. De hoorzitting is gepland op 24 september 2026. Onder die omstandigheden heeft verzoeker reeds hierom geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen. Indien na het besluit op bezwaar nog immer sprake is van een geschil, staat het verzoeker vrij beroep in te stellen en opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, indien onverwijlde spoed dat vereist.
6. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. In een mogelijk volgende procedure staat enkel ter beoordeling de rechtmatigheid van de afwijzing van het verzoek op grond van de Referendumverordening Wormerland. In dat licht is het maar zeer de vraag of het verzoek van verzoeker om bij voorlopige voorziening te bepalen dat de gemeenteraad zich onthoudt van het nemen of uitvoeren van concrete bestuurlijke besluiten of het aangaan van bestuurlijke afspraken die vooruitlopen op een definitieve keuze over de bestuurlijke toekomst van Wormerland tot de mogelijkheden behoort. Die vraag laat de voorzieningenrechter gelet op het onder 5. overwogene voor dit moment onbeantwoord.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: