RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11750007 \ CV EXPL 25-3824
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap,
PON LUXURY CARS B.V.,
te Leusden,
eisende partij,
hierna te noemen: Pon,
gemachtigde: M. Verheij,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 april 2026;- de akte van Pon.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij het verschuldigde bedrag reeds contant aan Pon hebben betaald. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft Pon haar vordering bij conclusie van repliek verder onderbouwd. Daarbij is zij ook ingegaan op het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Zo heeft Pon een verklaring overgelegd van de medewerker die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] destijds thuis heeft bezocht, waarin door hem wordt verklaard dat hij geen contante betaling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft ontvangen. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarop niet meer hebben gereageerd en de juistheid van deze verklaring dus ook niet hebben betwist, zal de kantonrechter de vordering van Pon tot betaling van de hoofdsom toewijzen, behoudens het navolgende.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
Pon is in de gelegenheid gesteld om toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. In tegenstelling tot wat Pon in de akte heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat uit de door haar geschetste feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van een overeenkomst die anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten. De kantonrechter zal de vraag of Pon aan op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan, dan ook beantwoorden aan de hand van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Uit de toelichting van Pon blijkt niet (voldoende) dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230l BW onder d BW heeft voldaan. Pon heeft voor wat betreft de wijze van betaling (alleen per pin of per bankoverschrijving) verwezen naar de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden. Zij heeft echter niet gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook op de relevante artikelen uit de verkoop- en leveringsvoorwaarden zijn gewezen of dat die informatie op andere wijze (bijvoorbeeld mondeling) aan hen is gegeven. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
Pon heeft zich voor wat betreft de (on)eerlijkheid van het incassobeding gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen: het incassobeding van artikel VII van de toepasselijke algemene voorwaarden is oneerlijk. Dat betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 726,49 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 908,11 x 0.8).
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de Pon die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten voor de akte komen echter voor rekening van Pon, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden. De proceskosten van Pon worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,16
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
822,16
De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Pon te betalen een bedrag van € 726,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 822,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
De griffier De kantonrechter