RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/268726-24 (P)
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op 6 april 2006 te [geboorteplaats 1],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. K. Leyendeckers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Opmeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse sieraden (waaronder een Rolex horloge en/of Cartier armband), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (voorzien van bivakmutsen en/of een pistool en/of een mes en/of een hakbijl) die [slachtoffer] tegen de grond te werpen en/of (met een pistool) tegen zijn hoofd te slaan.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel
van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, mede op grond van
de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste
volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte het feit heeft bekend en
door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder
vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
(…)
Het vermelde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 12 augustus 2024 te Opmeer tezamen en in vereniging met anderen diverse sieraden (waaronder een Rolex horloge en een Cartier armband) die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (voorzien van bivakmutsen, een pistool en een hakbijl) die [slachtoffer] tegen de grond te werpen en (met een pistool) tegen zijn hoofd te slaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of die diefstal gemakkelijk te maken of bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het jeugdstrafrecht zal toepassen en
de verdachte zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 173 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden zal worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden, maar daarbij moeten de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 17 januari 2026 deels worden gewijzigd gelet op wat op zitting is besproken. Het locatieverbod dient aangepast te worden naar de huidige vestigingsplaats van het bedrijf [bedrijfsnaam], namelijk Heerhugowaard. Ook moet de formulering van de ambulante behandeling aangepast worden naar begeleiding door [naam 1] zonder de verplichting tot inname van medicatie. Tot slot dient de geadviseerde voorwaarde van het volgen van onderwijs aangepast te worden naar het vinden van een dagbesteding. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de officier van justitie verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ook verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft de raadsvrouw onder verwijzing naar het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 30 december 2024 verzocht het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht rekening te houden met het tijdsverloop van de zaak. Gelet hierop en rekening houdend met de oriëntatiepunten van de rechtbank heeft de raadsvrouw primair verzocht geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met het opleggen van een werkstraf. Mocht de rechtbank overgaan tot het opleggen van een voorwaardelijke straf, heeft de raadsvrouw verzocht de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 17 januari 2026 gedeeltelijk te wijzigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een bedrijf in luxe horloges in Opmeer, waarbij een aanwezige medewerker is bedreigd met een hakbijl en een pistool. Het slachtoffer werd op zijn hoofd geslagen met het pistool, werd gedwongen op de grond te gaan liggen en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden. Er zijn diverse spullen van het slachtoffer gestolen. Vervolgens zijn de verdachten er met een eerder gestolen auto vandoor gegaan. Deze auto is kort na de overval uitgebrand aangetroffen. Voor het slachtoffer moet dit een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest, zoals ook is gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. De verdachte had duidelijk alleen voor ogen dat hij makkelijk en snel veel geld kon verdienen. Hij heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van en de gevolgen voor het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid bij de directe omgeving van het slachtoffer en in de gehele samenleving.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat de
verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt dan
ook niet in zijn nadeel mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 30 december 2024. Hieruit blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van ADHD - gecombineerd beeld en een oppositionele-opstandige stoornis. De psycholoog ziet voldoende aanwijzingen voor cognitieve beperkingen die het functioneren van de verdachte zouden belemmeren. Het lukt hem niet om zonder begeleiding aan de verwachtingen van de maatschappij te kunnen voldoen. Pedagogische sturing en invloed lijken moeilijk, gezien het beperkt lerend vermogen van de verdachte, maar niet onmogelijk. De verdachte is impulsief en beïnvloedbaar. Hij is gebaat bij een groepsgericht leefklimaat. Gelet op het voorgaande ziet de psycholoog voldoende aanwijzingen om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 14 februari 2025 geschorst.
Sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering heeft voor het laatst op 17 januari 2026 een advies uitgebracht. Aan de hand van onder meer het hiervoor besproken Pro Justitia rapport komt de reclassering tot de conclusie dat het psychosociaal functioneren en de financiën van de verdachte als criminogeen en risicoverhogend kunnen worden gezien. De relatie met zijn gezin en zijn huisvesting omschrijft de reclassering als stabiel. De reclassering noemt het positief dat de verdachte goed samenwerkt met zijn toezichthouder en met zijn begeleider van [naam 1], dat hij openheid van zaken heeft gegeven bij het psychologisch onderzoek en in de gesprekken met de reclassering, dat hij spijt heeft betuigd over wat hij het slachtoffer heeft aangedaan en dat hij zich bereid heeft verklaard om met een psycholoog te gaan praten. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen gelet op de verbeteringen sinds de begeleiding door [naam 1], de LVB-problematiek van de verdachte en zijn psychische problematiek. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) begeleiding door de jeugdreclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) een contactverbod met het slachtoffer en de mededaders, (iv) een locatieverbod voor Opmeer en (v) het volgen van onderwijs.
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht. De begeleiding door [naam 1] verloopt zo goed dat deze moet worden voortgezet. Er zijn weinig aanknopingspunten om nog een ambulante behandeling op te leggen. Het is van belang dat de verdachte leert omgaan met zijn problematiek, maar daarbij hoeft niet te worden opgenomen dat hij de voorgeschreven medicatie moet gebruiken. Ook de geadviseerde voorwaarde van het volgen van onderwijs is niet meer nodig. Het is geen noodzaak voor de jeugdreclassering dat de verdachte naar school gaat. De jeugdreclassering acht het daarentegen wel van belang dat de verdachte dagbesteding heeft. Het advies van de jeugdreclassering is om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden betrekt de rechtbank tot slot dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid is mee te werken aan de eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de ambulante behandeling en het volgen van onderwijs. Daarbij heeft hij aangegeven de voorkeur te hebben om te werken en te sporten.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden
toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen
verklaarde feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting
volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten
tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de
leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien
de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden
waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is – met de officier van justitie, de verdediging, de psycholoog en de (jeugd)reclassering – van oordeel dat in dit geval, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat de verdachte, ondanks zijn beperkt lerend vermogen, pedagogisch beïnvloedbaar lijkt te zijn.
Verminderd toerekeningsvatbaar?
Wat betreft de vraag of het feit in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend, overweegt de rechtbank dat zij in de constateringen in het Pro Justitia rapport over de beperkingen in het functioneren van de verdachte onvoldoende aanleiding ziet om het bewezen verklaarde feit verminderd toe te rekenen aan de verdachte. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van enige omstandigheid waardoor het bewezen verklaarde feit in verminderde mate moet worden toegerekend aan de verdachte.
De op te leggen straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank zal dan ook een jeugddetentie van 353 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest. Daarvan zullen 180 dagen vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd, zodat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de gevangenis en dus de kans krijgt om de positieve wending die hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan zijn leven heeft gegeven, door te zetten. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn bekentenis bij de politie en spijt betuiging op de zitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en heeft laten blijken dat hij inziet fout te hebben gehandeld. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een proeftijd van twee jaar verbinden, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal de formulering van de bijzondere voorwaarden aanpassen overeenkomstig de eis van de officier van justitie en in lijn met de wensen van de verdachte en de jeugdreclassering. Nu ter terechtzitting is gebleken dat het bedrijf waar het slachtoffer nog steeds werkzaam is naar Heerhugowaard is verhuisd, zal de rechtbank de formulering van het locatieverbod aanpassen, in die zin dat het locatieverbod geldt voor Heerhugowaard.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
opheffen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 8.000,- wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met
oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bedraagt € 13.440,- en bestaat uit de dagwaarde van de gestolen goederen (ad. € 7.000,- voor het horloge van het merk Rolex, € 3.900,- voor de armband van het merk Cartier, € 280,- voor de zonnebril van het merk Dior, € 1.800,- voor de horlogekasten en € 460,- voor de iPhone 12 pro). Rekening houdend met het bedrag van € 3.000,- aan eigen risico van de benadeelde partij is door de verzekeraar een bedrag van € 10.440,- uitgekeerd. Het bedrag van € 3.000,- aan ingehouden eigen risico wordt nu door de benadeelde partij gevorderd.
De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,- en wordt gevorderd wegens het lichamelijk letsel en de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel en hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de gestelde schade door de gestolen zonnebril, de twee horloge kasten en de iPhone 12 pro in mindering moet worden gebracht op het gevorderde bedrag aan eigen risico, omdat deze goederen niet op de tenlastelegging staan opgenomen. Bovendien blijkt uit het dossier dat de benadeelde partij de iPhone 12 pro weer in zijn bezit heeft.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd waarom een vergoeding van € 5.000,- redelijk is. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding aansluiting te zoeken in de Rotterdamse schaal bij de bandbreedte voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van ernstige aard (categorie b), namelijk een bandbreedte tot € 3.000,-.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, voor zover het ziet op de schade van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-). Ten aanzien van de twee laatstgenoemde posten (zonnebril en horlogekasten) heeft de verdediging weliswaar gesteld dat deze niet genoemd worden in de tenlastelegging, maar die omstandigheid is op zichzelf niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de gestelde schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft bij zijn aangifte op de dag van de overval verklaard dat de overvallers ook een tasje van hem hadden meegenomen waarin zich onder andere een zonnebril en twee horlogekasten bevonden. Dat is niet betwist door de verdachte. De diefstal van de in dat tasje aanwezige bril en horlogekasten is zozeer verbonden met het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit dat ook de daaruit voortvloeiende schade moet worden beschouwd als rechtstreekse schade als gevolg van dat feit. De verdediging heeft de hoogte van de genoemde schadeposten ten aanzien van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-) overigens niet betwist.
De gestelde materiële schade aan de iPhone 12 pro (€ 460,-) is door de verdediging betwist. Namens de benadeelde partij is daarop tijdens de zitting de onderbouwing van deze schadepost gewijzigd, in die zin dat de iPhone 12 pro niet verloren zou zijn gegaan maar beschadigd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden. Dat kan door de rechtbank ook niet door eigen onderzoek worden gecompenseerd. De benadeelde partij is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit betekent dat de materiële schade in beginsel tot een bedrag van € 12.980,- toewijsbaar is.
Omdat de benadeelde partij niet ontvankelijk is ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de telefoon, zal de rechtbank het daarop betrekking hebbende bedrag (€ 460,-) ook in mindering brengen op het door de verzekeraar uitgekeerde schadebedrag ter grootte van € 10.440,- (dat immers mede een vergoeding voor de telefoon omvat). Het verschil (€ 10.440,- minus € 460,- = € 9.980,-) dient, als reeds vergoede schade, in mindering te worden gebracht op het hiervoor genoemde bedrag van € 12.980,- aan rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,- (€ 12.980,- minus € 9.980,-). De vraag in hoeverre dit bedrag correspondeert met een “eigen risico” of “eigen bijdrage” en of dit eigen risico/bijdrage gelet op de tenaamstelling van de verzekering voor rekening is van de benadeelde partij of diens werkgever kan daarbij in het midden blijven. Voor toewijzing van de vordering is voldoende dat is gesteld en niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat de door de benadeelde partij geleden materiële schade ter grootte van € 12.980,- als gevolg van het bewezen verklaarde feit slechts is vergoed tot een bedrag van € 9.980,-.
Of de benadeelde partij naar burgerlijk recht (nog) een vordering zou (kunnen) hebben op zijn werkgever in verband met de door hem geleden schade tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, kan eveneens onbesproken blijven. Voor zover die mogelijkheid al zou bestaan, doet dat niets af aan het recht van de benadeelde partij de schade rechtstreeks te verhalen op de verdachte.
Immateriële schade
De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Omdat in deze zaak de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een hoofdwond als gevolg van een harde klap met een vuurwapen, bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van de meeste ernstige aard (categorie a). Gelet op de ernst van het letsel, de gevolgen voor de benadeelde partij en rekening houdend met de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding tot een geldbedrag van € 3.000,- billijk.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 6.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte en hij is daarom naar burgerlijk recht voor de gehele schade met zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is en dat hij niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een medeverdachte is betaald, en andersom.
In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort
gezegd: gekwalificeerde diefstal) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 36f, 47, 63, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 353 [driehonderd drieënvijftig] dagen;
beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 180 [honderdtachtig] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee [twee] jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door [naam 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met het slachtoffer (zijnde [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats 2]) en de mededader van onderhavige strafzaak (zijnde [naam 2], geboren op [geboortedatum 3] 2003 te [geboorteplaats 3]), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Heerhugowaard;
- zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.000.- [zesduizend euro], bestaande uit € 3.000.- [drieduizend euro] als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- [drieduizend euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000.- [zesduizend euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van Kampen, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. I.A. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.