RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/144655-25 (P)
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.A. Hobbelink en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij op 11 mei 2025 in Noord-Scharwoude een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor één persoon ([slachtoffer 1]) werd gedood en een ander persoon ([slachtoffer 2]) gewond raakte. Hem wordt daarnaast verweten dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, dat hij onder invloed van alcohol, dan wel alcohol in combinatie met medicijnen heeft gereden en dat hij in een bestelauto reed terwijl hij niet over een rijbewijs beschikte.
De volledige tenlastelegging luidt als volgt:
1.Primairhij op of omstreeks 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Tulpenstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord was en/of aan de verkeerde kant van de weg te hebben gereden en/of zich onvoldoende te vergewissen van tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid zonder te remmen in botsing is gekomen met 2 voor hem tegemoetkomende fietsers, waardoor een ander, te weten (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of waardoor een ander, te weten (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
Subsidiair hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Mercedes Vito), daarmee rijdende op de weg, de Tulpenstraat, met een hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord was en/of aan de verkeerde kant van de weg te hebben gereden en/of zich onvoldoende te vergewissen van tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid zonder te remmen in botsing is gekomen met 2 voor hem tegemoetkomende fietsers, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard op/aan de Tulpenstraat, op of omstreeks 11 mei 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een of meer ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) was gedood en/of letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd(en) achtergelaten;
3.Primairhij op of omstreeks 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Mercedes Vito) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 3,47 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
Subsidiair hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard als bestuurder van een voertuig, (bestelauto, merk Mercedes Vito), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een of meerdere stof(fen), te weten 0,064 milligram per liter quetiapine (een antipsychotica) en/of 0,0087 milligram per liter desalkylquetiapine (omzettingsproduct van quetiapine) en/of 3,47 milligram per milliliter ethanol (alcohol), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
4.hij op of omstreeks 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Mercedes Vito) heeft gereden op de weg, de Tulpenstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten. Op de standpunten van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat enkel een bewezenverklaring kan volgen van onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid als gradatie van schuld. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit kan volgens de raadsman bewezen worden verklaard, met uitzondering van het verwijt over de snelheid.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘weten’ niet bewezen kan worden, maar dat wel een bewezenverklaring van het ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ kan volgen.
Wat betreft het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsoverweging ten aanzien van feiten 1 en 3
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. De verdachte is niet in het bezit van een rijbewijs. Desondanks is hij op 11 mei 2025 kort na 17:00 uur in een bestelauto van het merk Mercedes Vito met kenteken [kenteken] gestapt. De verdachte heeft een alcoholverslaving. Volgens getuigen, de huisgenoten van de verdachte, was de verdachte die dag om 7 á 8 uur begonnen met drinken en was hij in de ochtend aangeschoten. Hij had een waas in zijn ogen, rook naar alcohol en praatte met dubbele tong. Eén van die getuigen, de vriendin van de verdachte, heeft kort nadat de verdachte in de middag de bestelauto in is gestapt een WhatsApp bericht naar de eigenaar van de bestelauto gestuurd. In dit bericht schrijft zij (vrij vertaald) dat zij geen verantwoordelijkheid neemt voor de auto omdat de mensen waar zij mee woont tien keer per dag in de auto rijden terwijl zij gedronken hebben.
Rond 17:07 uur reed de verdachte in de bestelauto over de Tulpenstraat in Noord-Scharwoude in de richting van de Dorpsstraat. Hij heeft op enig moment een slinger naar links gemaakt, waarbij hij volledig op de voor tegemoetkomend verkeer bestemde weghelft is gaan rijden. Hij is vervolgens zonder te remmen in botsing gekomen met twee voor hem tegemoetkomende fietsers. Eén van de fietsers, [slachtoffer 1], is op de voorruit van de bestelauto terecht gekomen, met haar hoofd op straat gevallen en door de bestelauto overreden. Zij is ter plaatse aan haar verwondingen overleden. Een andere fietser, [slachtoffer 2], heeft als gevolg van het verkeersongeval letsel opgelopen. De verdachte is na het ongeval zonder te remmen doorgereden. Volgens een getuige had de verdachte op het moment van passeren een verdwaasde blik in zijn ogen. De kentekenplaat van de voorzijde van de bestelauto is op de plaats van het ongeval blijven liggen.
De verdachte is ruim een uur na het verkeersongeval bij zijn woning door de politie aangehouden. Bij zijn woning is ook een bestelauto aangetroffen. Deze bestelauto heeft aan de voorzijde geen kentekenplaat en is aan de achterzijde voorzien van hetzelfde kentekenplaatnummer als de kentekenplaat die bij de plaats van het ongeval is aangetroffen. Ook worden op de motorkap van de bestelauto bloedspetters aangetroffen, is het glas van de voorruit gebarsten en lag op de ruitenwissers een deel van het montuur van een bril. De verdachte heeft verklaard zich niets meer van het ongeval te kunnen herinneren, omdat hij een half uur voordat hij ging rijden een slaapmiddel heeft ingenomen.
Het rijden onder invloed
De vraag waarvoor de rechtbank zich allereerst gesteld ziet, is of de verdachte onder invloed van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol zijn auto bestuurde en of dit ten tijde van het verkeersongeval ook zo was. De verdachte heeft ontkend voorafgaand aan het ongeval alcohol te hebben gedronken. Hij zou na thuiskomst een fles port hebben gedronken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat de verdachte alcohol gedronken heeft na het ongeval, waardoor niet kan worden bewezen wat het precieze alcoholgehalte in zijn bloed was ten tijde van het ongeval.
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde onder invloed van meer dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed, wat geldt als de wettelijk toegestane hoeveelheid voor een beginnend bestuurder (en van overeenkomstige toepassing is voor een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is). Die conclusie baseert de rechtbank op de volgende overweging.
Het bloedonderzoek wees uit dat het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte na het ongeval 3,47 milligram per milliliter was. Ook indien de verdachte na het ongeval een hele fles port heeft gedronken, kan die gemeten hoeveelheid alcohol in zijn bloed daardoor niet geheel worden verklaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat een alcoholgehalte van 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bij de meeste mannen is bereikt na het drinken van ongeveer één standaardglas alcohol. Een fles port (750 ml, alcoholpercentage 20%) bevat 15 standaardglazen alcohol. Dit levert dus een alcoholgehalte op van 3,0 milligram per milliliter bloed.
Daarnaast acht de rechtbank gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het redelijkerwijs uitgesloten dat de verdachte die middag in de auto is gestapt met een alcoholgehalte van slechts 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ten tijde van het verkeersongeval verkeerde onder invloed van meer dan de voor hem toegestane hoeveelheid alcohol. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde.
Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn ‘schuld’ te wijten is. In het algemeen geldt dat onder schuld als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is sprake in het geval van een (op zijn minst) aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Zoals hiervoor onder feiten en omstandigheden vermeld, heeft de verdachte op enig moment een slinger naar links gemaakt en is hij vervolgens volledig op de verkeerde weghelft gaan rijden. Voor tegemoetkomend verkeer, zeker als het gaat om tweewielers, is deze situatie naar zijn aard al levensgevaarlijk. Vervolgens heeft de verdachte zich ook onvoldoende vergewist van mogelijk tegemoetkomend verkeer, wat blijkt uit het feit dat hij vervolgens zonder te remmen in botsing is gekomen met twee voor hem tegemoetkomende fietsers. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol. Alcohol heeft – zo is algemeen bekend – een negatieve invloed op het inschattings- en reactievermogen, en is daarom onverenigbaar met het besturen van een auto. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het ongeval met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse toegestaan of verantwoord was. Uit het dossier blijkt enkel dat de verdachte 75 meter vóór de plaats van het ongeval harder dan de toegestane maximumsnelheid reed. Ook de getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het ongeval met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse toegestaan of verantwoord was.
Op basis van de hiervoor genoemde verkeersgedragingen van de verdachte, in samenhang bezien en in combinatie met het te hoge gehalte aan alcohol in zijn bloed, komt de rechtbank tot de conclusie dat het verkeersgedrag van de verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend in de zin van artikel 6 WVW is aan te merken en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Lichamelijk letsel [slachtoffer 2]
Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft door dit ongeval een hersenschudding opgelopen. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Wel is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op het verslag van de afdeling Spoedeisende hulp in combinatie met het verslag van de huisarts, sprake is van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zodat het verweer van de raadsman dat de tijdelijke ziekte of verhindering voortkomt uit de psychische gevolgen van het ongeval, faalt.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Na het ongeval is de verdachte zonder te remmen doorgereden. Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat hij een aanrijding had gehad. De rechtbank acht dit standpunt ongeloofwaardig. Het slachtoffer [slachtoffer 1] is als gevolg van de aanrijding op de voorruit van de bestelauto terecht gekomen en de verdachte is vervolgens over haar heen gereden. Het is buitengewoon onaannemelijk dat de verdachte dit niet gemerkt zou hebben. Bovendien is door de klap van de aanrijding voor de verdachte direct zichtbare schade aan de bestelauto ontstaan, namelijk een gebarsten voorruit en het montuur van de bril van het slachtoffer lag op zijn ruitenwissers. De verdachte moet zich, gelet op de impact van het ongeval en gelet op de aard en omvang van de schade aan de bestelauto, hebben gerealiseerd dat hij een (ernstige) aanrijding had gehad waarbij een of meer anderen waren gedood of ten minste (zwaar) letsel was toegebracht. Doordat de verdachte vervolgens is doorgereden, heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.Primairhij op 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Tulpenstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, aan de verkeerde kant van de weg te hebben gereden en zich onvoldoende te vergewissen van tegemoetkomend verkeer en zonder te remmen in botsing is gekomen met 2 voor hem tegemoetkomende fietsers, waardoor een ander, te weten (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en waardoor een ander, te weten (genaamd [slachtoffer 2]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde en vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994;2.dat hij, als degene door wiens gedraging, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard aan de Tulpenstraat, op 11 mei 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, dat een of meer anderen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) waren gedood en/of letsel was toegebracht;
3.Primairhij op 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Mercedes Vito) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
4.hij op 11 mei 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Mercedes Vito) heeft gereden op de weg, de Tulpenstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b en vierde lid, van deze wetenovertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b en vierde lid, van deze wet;
feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3 primair:
overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden ontzegd voor de duur van tien jaar. Ten aanzien van feit 4 (een overtreding) heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blanco strafblad en zijn wens om na detentie zo snel mogelijk terug te keren naar Polen, en aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij de onder 1 primair en 3 primair bewezen verklaarde feiten in een onderlinge verhouding van eendaadse samenloop staan als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, en de omstandigheden waaronder deze feiten begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Op 11 mei 2025 heeft een verkeersongeval met een buitengewoon tragische afloop plaatsgevonden. De verdachte heeft onder invloed van alcohol gereden in een bestelauto, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Op enig moment heeft hij een slinger naar links gemaakt en is hij met de bestelauto op de verkeerde weghelft terecht gekomen. Vervolgens is hij zonder te remmen frontaal in botsing gekomen met een groepje fietsers. Eén van de fietsers, [slachtoffer 1], is op de voorruit van de bestelauto terecht gekomen, met haar hoofd op straat gevallen en door de bestelauto overreden. Zij is ter plaatse aan haar verwondingen overleden. Haar schoonzoon, [slachtoffer 2], fietste ten tijde van het ongeval achter haar en is ook geraakt door de bestelauto. Hij heeft hier een hersenschudding door opgelopen. De dochter van [slachtoffer 1], tevens echtgenoot van [slachtoffer 2], fietste bij hen en heeft het zien gebeuren. Na het ongeval is de verdachte zonder te stoppen doorgereden en ruim een uur later is hij door de politie bij zijn woning aangehouden.
De dochter van [slachtoffer 1] heeft tijdens de zitting op indrukwekkende wijze verwoord wat het verlies van haar moeder voor haar betekent. Een dag die een feestelijke betekenis had moeten hebben, nota bene Moederdag, zal door het ongeval voorgoed door verdriet getekend zijn. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele op te leggen straf de enorme impact en het gemis van een dierbare kan wegnemen.
De rechtbank rekent het de verdachte verder aan dat hij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over wat zich precies heeft voorgedaan die dag. Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft hij heeft verklaard zich niets meer van het ongeval te kunnen herinneren. Hiermee neemt hij geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte eerder die dag ook al een keer is gaan rijden terwijl hij geen rijbewijs heeft. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij vlak voor het rijden een slaapmiddel heeft ingenomen. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat de verdachte geen boodschap heeft aan het gevaar dat hij mogelijk voor andere weggebruikers zou kunnen veroorzaken.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 26 januari 2026 en het strafblad van de verdachte in Polen van 12 mei 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval in Nederland en Polen niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de brief van het ressortparket in Gliwice (Polen) van 17 juli 2025, waaruit blijkt dat de verdachte op 30 april 2025 schuldig is bevonden aan het op 15 april 2025 in Zabrze rijden op de openbare weg zonder rijbewijs. Deze uitspraak werd onherroepelijk op 30 mei 2025. Hoewel dit niet als strafverzwarende recidive kan meewegen, maakt de omstandigheid dat de verdachte een aantal weken voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten al staande is gehouden voor het rijden zonder rijbewijs hem wel een reeds gewaarschuwd man. Deze verwijtbare omstandigheid weegt ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.
De op te leggen straffen
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Gelet op straffen die in (min of meer) soortgelijke zaken worden opgelegd en omdat de rechtbank met betrekking tot de snelheid tot een andere bewezenverklaring van feit 1 primair dan de officier van justitie komt, ziet de rechtbank wel aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 jaar moet worden opgelegd.
Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van vier jaar. Hiermee wordt niet alleen beoogd de verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor de andere verkeersdeelnemers, maar ook om de verkeersdeelnemers te beschermen tegen dit rijgedrag.
Gelet op de voor de feiten 1 primair, 2 en 3 primair op te leggen straffen zal de rechtbank ten aanzien van de onder 4 bewezen verklaarde overtreding volstaan met schuldigverklaring en voor dat feit geen straf of maatregel aan de verdachte opleggen. Gelet op de zwaarte van de vrijheidsstraf ziet de rechtbank geen meerwaarde in het daarnaast nog opleggen van enkele weken hechtenis.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 [drie] jaar;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 [vier] jaar;
bepaalt dat ter zake van het onder 4. bewezen verklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.