RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/082189-25
Uitspraakdatum: 8 september 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 25 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 maart 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een buurthuis en de daarin aanwezige goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor in de omgeving aanwezige personen te duchten was, met dat opzet,- zich naar het buurthuis gelegen aan [adres] heeft begeven en/of- één of meer Cobra(’s) met tape bevestigd aan een jerrycan gevuld met een (brandbare) vloeistof en/of een aansteker heeft meegenomen en/of- een stoeptegel van de grond heeft opgepakt en meegenomen en/of- die stoeptegel door een raam van het buurthuis heeft gegooid en/of- die jerrycan (voorzien van Cobra’s) door het vernielde raam van het buurthuis naar binnen heeft gegooid en/of-vlam en/of vuur heeft gemaakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Feit 2: hij op of omstreeks 15 maart 2025 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, geheel of ten dele toebehorende aan de Vereniging Marokkaanse Gemeenschap Haarlem (VMGH)(huurder) en/of de Gemeente Haarlem (eigenaar), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor in de omgeving aanwezige personen’. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor in de omgeving aanwezige personen’ niet bewezen verklaard kan worden, reeds omdat niet gebleken is dat er personen in het pand of in de buurt aanwezig waren. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1: hij op 15 maart 2025 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door de verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een buurthuis en de daarin aanwezige goederen te duchten was, met dat opzet,- zich naar het buurthuis gelegen aan [adres] heeft begeven en- Cobra’s met tape heeft bevestigd aan een jerrycan gevuld met een brandbare vloeistof en een aansteker heeft meegenomen en- een stoeptegel van de grond heeft opgepakt en meegenomen en- die stoeptegel door een raam van het buurthuis heeft gegooid en- die jerrycan voorzien van Cobra’s door het vernielde raam van het buurthuis naar binnen heeft gegooid en- een vlam heeft gemaakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2: hij op 15 maart 2025 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, toebehorende aan de Gemeente Haarlem, heeft vernield.
De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. Volgens wat op de zitting is besproken, is de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Kwalificatie van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen.
Strafbaarheid van de feiten
Voor zover de verdediging ten aanzien van feit 1 een beroep heeft gedaan op vrijwillige terugtred overweegt de rechtbank het volgende.
Van vrijwillige terugtred, in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, is sprake als de verdachte is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred bij een voltooide poging is veelal een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is om het intreden van het gevolg te beletten.
De verdachte heeft hierover op de zitting verklaard dat de drie Cobra’s aan elkaar vast zijn geplakt, dat er maar één lont aan de Cobra’s vastzat, dat hij die lont van de Cobra’s heeft verwijderd, dat hij de lont vervolgens opnieuw met plakband heeft bevestigd aan de bovenkant van het etiket van de drie Cobra’s en daarna de lont heeft aangestoken. Daartoe heeft de advocaat gesteld dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat door zijn handelen de Cobra’s ondeugdelijk waren geworden en niet tot een ontploffing konden leiden.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter geen sprake van een optreden van de verdachte dat naar aard en tijdstip geschikt is geweest om het intreden van het gevolg (brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing) te beletten. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de bevindingen uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 8 juli 2025 waaruit onder meer blijkt dat het aansteken van de kleureffectlading (de bovenkant van een Cobra) tot een ontploffing kan leiden én dat de kleureffectlading ook kan worden aangestoken door een brandend etiket. Door het herbevestigen en aansteken van de lont had het gevolg dus kunnen intreden. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt dan ook afgewezen.
Er is daarmee geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en het advies van de Raad. Daarbij heeft de verdediging benadrukt dat de verdachte de impact en de gevolgen van zijn handelen al heeft ondervonden. De verdediging heeft daarom oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft in de nacht van 15 maart 2025 in opdracht van een ander samen met de medeverdachte geprobeerd om brand te stichten en een ontploffing te veroorzaken bij het buurthuis aan [adres] in Haarlem. Daartoe zijn de verdachte en de medeverdachte ’s nachts weggeslopen van huis, opgehaald door onbekenden en naar de omgeving van het buurthuis in Haarlem gereden, met de bedoeling om daar het raam van het buurthuis te vernielen en de vuurwerk-brandstof-combinatie (bestaande uit zwaar en illegaal vuurwerk en een jerrycan met motorbenzine) tot ontbranding en ontploffing te brengen. Tot een massa-explosie is het – gelukkig – op 15 maart 2025 niet gekomen, wat niet aan het handelen van de verdachten te danken is. De verklaring van de verdachte dat hij zich zodanig onder druk gezet voelde dat hij geen andere uitweg zag dan het plegen van de strafbare feiten, vindt geen steun in het dossier. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook aan dat hij zich kennelijk heeft laten verleiden tot het plegen dit soort heftige feiten voor geldelijk gewin, terwijl hij zich onderweg naar het buurthuis en ter plaatse bewust is geweest van de gevolgen van zijn voorgenomen handelen. Dat het heel anders had kunnen aflopen, blijkt ook uit het feit dat een dag later alsnog een heftige explosie heeft plaatsgevonden in het buurthuis, met enorme schade tot gevolg. Hoewel deze voltooide explosie niet aan de verdachte en zijn medeverdachte te wijten is, hebben zij door hun handelen bijgedragen aan de gevoelens van onrust en onveiligheid bij de direct betrokkenen en de omwonenden van het buurthuis, maar ook meer in het bijzonder bij de leden van de Vereniging Marokkaanse Gemeenschap Haarlem.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit betekent dat de verdachte is aan te merken als een first offender. Ook daarna is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De rechtbank houdt hiermee in positieve zin rekening bij de straftoemeting.
De rechtbank houdt ook rekening met het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 5 augustus 2026 van [raadsonderzoeker] en [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoekers verbonden aan de Raad. In dit rapport staat onder meer dat de kans op herhaling als laag wordt ingeschat. Daarbij is van belang dat er geen zorgen zijn over de thuissituatie, de vrijetijdsbesteding en de politiecontacten van de verdachte. Verder heeft hij zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de schorsingsvoorwaarden en -afspraken gehouden en het coachingstraject bij Nova Forte positief afgerond. Dit maakt dat de doelen van het jeugdreclasseringstoezicht zijn behaald. Gelet op de positieve ontwikkelingen van de verdachte, het tijdsverloop en de verschillende beschermende factoren, ziet de Raad weinig pedagogische meerwaarde in een onvoorwaardelijke werkstraf. De Raad adviseert daarom tot oplegging van een voorwaardelijke werkstraf, onder de algemene voorwaarde.
Redelijke termijn
De rechtbank heeft ook in het voordeel van de verdachte meewogen dat de redelijke termijn in jeugdstrafzaken in deze zaak met één maand is overschreden.
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als pogingen tot het stichten van brand en het veroorzaken van ontploffingen geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is. De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken, in de zin dat een jeugddetentie langer dan het voorarrest niet passend wordt bevonden. Daarvoor is redengevend wat hiervoor is overwogen over de redelijke termijn, de justitiële documentatie, de strikte schorsingsvoorwaarden en dat verdachte goed werkt aan zijn toekomst. De rechtbank heeft verder bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf niet alleen gelet op de strafeis van de officier van justitie, maar ook bekeken welke straffen in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank meer specifiek rekening gehouden met de omstandigheid dat het niet om een woning gaat, maar een buurthuis, waar ook geen woningen omheen liggen. Daarentegen past een geheel voorwaardelijke (werk)straf zoals gevraagd door de advocaat en geadviseerd door de Raad, niet bij de ernst en aard van feit 1. In het verlengde daarvan acht de rechtbank het nodig dat de verdachte na het vonnis direct de consequenties van zijn handelen ervaart.
De rechtbank zal de verdachte daarom 3 dagen jeugddetentie opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een werkstraf van 120 uren opleggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen werkstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van 1 jaar verbinden, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank zal verder bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 3 dagen, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. De rechtbank zal bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 maanden moet worden voltooid.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Van toepassing zijn de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.1. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 40 (veertig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 1 (één) jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Heft op het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Ok, voorzitter,
mr. J. van Beek en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 8 september 2026.
Mr. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.