ECLI:NL:RBNHO:2026:1198

ECLI:NL:RBNHO:2026:1198

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer 15/193764-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van bevorderings- en voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne per vrachtvliegtuig, a.b.i. art. 10a Ow en witwassen van een geldbedrag dat is aangetroffen in de woning van verdachte. Gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen geldbedragen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/193764-24 (P)

Uitspraakdatum: 10 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 en 27 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Funke Küpper en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 6 mei 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 30 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 mei 2023 tot en met 8 mei 2023 te Zwaanshoek en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 30 kilogram, althans een hoeveelheid, (van een materiaal bevattende) cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)- één of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of- via dat/die telefoon(s)/communicatiemiddel(en) en/of in persoon (met elkaar) gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of (onderling) informatie verstrekt en/of uitgewisseld over:• een lading bloemendozen waaronder één met “070” erop en/of• PMC-platen en/of nummers van de PMC-platen (PMC 71688 omcirkeld) waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne in Nederland zou aankomen en/of zou (zijn) aangekomen• een afbeelding met een deel van een Airwaybill met vluchtnummer KL741• de locatie van de zending en/of• de beloningen van en/of betalingen aan betrokkenen;

feit 2 hij op of omstreeks 16 augustus 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 36 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2023 tot en met 16 augustus 2023 te Zwaanshoek en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 36 kilogram, althans een hoeveelheid, (van een materiaal bevattende) cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)- één of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of- via dat/die telefoon(s)/communicatiemiddel(en) en/of in persoon (met elkaar) gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of (onderling) informatie verstrekt en/of uitgewisseld over:• “blokken” en/of “plaatjes van 250” en/of “spul”• de dag(en) waarop en/of de vlucht waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne op Schiphol zou aankomen en/of de zending(en) waarin voornoemde hoeveelheid cocaïne zich zou bevinden en/of• een afbeelding van de vluchten QR8099 en QR8164• de beloningen van en/of (borg)betalingen aan betrokkenen;

feit 3 hij, op of omstreeks 11 juni 2024, te Zwaanshoek, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer €30.290,-,voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en/of van dat voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was en/of wie dat voorwerp voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak Feit 1 primair

De rechtbank is, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de raadsman bepleit, van oordeel dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 30 kilogram cocaïne niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 2 primair

De verdachte wordt verweten dat hij op 16 augustus 2023 samen met anderen 36 kilogram cocaïne heeft ingevoerd. De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij deze invoer ontkend.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] vanaf 16 juni 2023 chatberichten met de verdachte heeft gewisseld over het voorbereiden van drugstransporten naar Nederland. Dat deze chatberichten specifiek zien op de invoer van 36 kilogram cocaïne op 16 augustus 2023 kan de rechtbank echter niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen. De laatste chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] dateren van 11 augustus 2023. Tussen [medeverdachte 1] en de verdachte wordt in deze chats niet gesproken over de invoer van cocaïne op 16 augustus 2023. [medeverdachte 1] spreekt wel met anderen, ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’ over een transport op 16 augustus 2023. De officier van justitie stelt in haar requisitoir dat duidelijk was dat het transport van 16 augustus 2023 zou worden afgehandeld door [bedrijf] en uit niets in de berichten tussen [medeverdachte 1] , [naam 1] en [naam 2] volgt dat een ander dan de verdachte dit transport zou uithalen. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in deze redenering. Naast het feit dat in de chats tussen [medeverdachte 1] en de verdachte niet concreet over de invoer op 16 augustus 2023 wordt gesproken volgt uit het dossier en het veroordelend vonnis van [medeverdachte 1] dat hij zich in dezelfde periode ook met anderen herhaaldelijk en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van en invoeren van cocaïne. Dat een afhandeling van een transport via [bedrijf] een strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid van de verdachte op 16 augustus 2023 impliceert vindt dan ook onvoldoende steun in het dossier. Dit betekent dat wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van 36 kilogram cocaïne op 16 augustus 2023 ontbreekt.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 subsidiair

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is gebleken dat de invoer van 6 mei 2023 cocaïne betrof. Dat leidt de rechtbank af uit het feit dat door [medeverdachte 1] een afbeelding naar medeverdachte [medeverdachte 2] wordt verstuurd, waarbij [medeverdachte 1] aangeeft dat dit de ‘stoff’ betreft. Op deze afbeelding is een Signal-chatgesprek te zien met twee rechthoekige pakketten, verwikkeld in donkerkleurig en doorzichtig folie, voorzien van een opdruk met de tekst ‘Yamaha’. De wijze van het verpakken en de opdruk met een stempel ‘Yamaha’ zijn naar het oordeel van de rechtbank kenmerkend voor de invoer van cocaïne. Bovendien werd gesproken over een transport afkomstig uit Colombia, een bekend bronland van cocaïne en heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het om drugs ging toen [medeverdachte 1] op 6 mei 2023 aan hem vroeg of hij kon controleren of de zending bij hem is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende bewijs aanwezig dat 30 kilogram is ingevoerd. Het enkele feit dat [medeverdachte 1] in een chatgesprek van 5 mei 2023 met een persoon met de gebruikersnaam ‘ [naam 3] ’ spreekt over ’30 batra’, waarvan de letterlijke vertaling ’30 flessen’ is, is hiervoor onvoldoende. Gelet op de verpakking van de cocaïne in rechthoekige pakketten kan de rechtbank niet volgen dat de ten laste gelegde hoeveelheid cocaïne volgens het Openbaar Ministerie blijkt uit een gesprek waarin het gaat over flessen. De rechtbank gaat in haar bewezenverklaring dan ook uit van ‘een hoeveelheid’ cocaïne.

Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk handelingen heeft verricht die naar hun aard en strekking gericht waren op het bevorderen van de invoer van de cocaïne. Op 6 mei 2023 heeft [medeverdachte 1] afbeeldingen en filmpjes naar de verdachte gestuurd met daarop informatie zichtbaar, waaronder een airwaybillnummer, waarna hij de verdachte heeft gevraagd te controleren of ‘het’ bij hem gekomen is. Aan de hand daarvan heeft de verdachte de locatie van de cocaïne achterhaald en die locatie vervolgens met [medeverdachte 1] gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte en [medeverdachte 1] actief informatie met elkaar hebben uitgewisseld over de locatie van de cocaïne, met het kennelijke doel om de cocaïne veilig te stellen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat de verdachte de invoer van cocaïne op 6 mei 2023 heeft bevorderd, daarop ook opzet heeft gehad, en daartoe nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van handelingen ter bevordering van de invoer van een hoeveelheid cocaïne op 6 mei 2023.

De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat de berichtenwisseling tussen de verdachte en [medeverdachte 1] van na 6 mei 2023 wat betreft mogelijke beloningen en/of betalingen betrekking hebben op de tenlastegelegde invoer van 6 mei 2023. Daarom zal de rechtbank de verdachte van het laatste gedachtestreepje zal vrijspreken.

Feit 2 subsidiair

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte dit feit heeft bekend als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. Gelet daarop zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 26 januari 2026;

- een proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2024, dossier E01 vanaf pagina 122 e.v.

Feit 3

Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een geldbedrag “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dit het geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Een dergelijke verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een verklaring geeft die hieraan voldoet, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te (laten) doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Uit de resultaten van dat onderzoek zal ten slotte moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dus of een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is op vijf verschillende plekken een geldbedrag van in totaal € 30.290,- aangetroffen.

Gelet op de grote hoeveelheid contant geld bestaande uit verschillende coupures, de verschillende plaatsen waar dit geld is verstopt en aangetroffen, alsmede de verdenking dat de verdachte zich over een langere periode schuldig heeft gemaakt aan Opiumwet gerelateerde feiten, is de rechtbank van oordeel dat een vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd is. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit een legale herkomst van het geldbedrag zou kunnen blijken.

De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag komt er kort gezegd op neer dat hij vanaf 2012 in totaal € 8.000,- heeft gepind van zijn bankrekening en dit geld vervolgens heeft gebruikt om te gokken in casino’s. Het geldbedrag is door gokwinsten in de loop van de jaren toegenomen tot een totaalbedrag van € 30.290,-. De laatste gokwinst die hij heeft behaald dateert van ongeveer 8 jaar geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag onvoldoende concreet en verifieerbaar is. De verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven over de gokwinsten die volgens hem de aanwezigheid van dit grote contante geldbedrag verklaren. Hij heeft niet verklaard wanneer hij deze gokwinsten heeft behaald en wat de omvang van deze winsten was. Het is enkel gebleven bij een stelling dat hij in de loop van jaren bij twee casino’s gokwinsten heeft behaald. Het feit dat de verdachte ter zitting bankafschriften over de jaren 2014 tot en met 2018 heeft overhandigd, waaruit blijkt dat hij in die jaren geldbedragen heeft gepind van zijn rekening doet hier niet aan af. De rechtbank concludeert dat het geldbedrag dan ook uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarmee acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 subsidiair hij op 6 mei 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, te bevorderen,

- zich en/of anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) daartoe- telefoons voorhanden gehad en- via die telefoons met elkaar gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of (onderling) informatie verstrekt en/of uitgewisseld over:• een lading bloemendozen waaronder één met “070” erop en• PMC-platen en/of nummers van de PMC-platen (PMC 71688 omcirkeld) waarop een hoeveelheid cocaïne in Nederland zou aankomen en/of zou zijn aangekomen en• een afbeelding met een deel van een airwaybill met vluchtnummer KL741 en• de locatie van de zending;

feit 2 subsidiair hij in de periode van 16 juni 2023 tot en met 11 augustus 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) daartoe- één of meer telefoon(s) voorhanden gehad en- via die telefoon(s) en/of in persoon met elkaar gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of onderling informatie verstrekt en/of uitgewisseld over:• “blokken” en/of “plaatjes van 250” en/of “spul” en• de dag(en) waarop en/of de vlucht waarop een hoeveelheid cocaïne op Schiphol zou aankomen en/of de zending(en) waarin een hoeveelheid cocaïne zich zou bevinden en• een afbeelding van de vluchten QR8099 en QR8164 en• de beloningen van en/of (borg)betalingen aan betrokkenen;

feit 3 hij op 11 juni 2024 te Zwaanshoek € 30.290,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te bevorderen, zich en/of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

feit 2 subsidiair: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen/te doen plegen/mede te plegen/uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid/middelen/inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of

voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/ gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

feit 3: witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, de verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis geen strafbare feiten heeft gepleegd en dat het om oude feiten gaat. Gelet daarop heeft de raadsman verzocht om geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bevorderings- en voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne per vrachtvliegtuig. De verdachte heeft informatie opgezocht over de locatie van de zending met cocaïne en deze informatie gedeeld met de medeverdachte om de cocaïne veilig te kunnen stellen. Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende twee maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.

De verdachte heeft hiermee een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De verspreiding van en de georganiseerde handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van zware criminaliteit en dit heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo is een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten te relateren aan de behoefte aan verdovende middelen van gebruikers en gaat de handel in drugs de laatste jaren steeds vaker gepaard met zeer ernstige geweldsdelicten.

De verdachte was ten tijde van het begaan van deze feiten als teamleider werkzaam bij het vrachtafhandelingsbedrijf [bedrijf] op Schiphol. Gelet op zijn functie kon hij anderen van de voor de invoer benodigde informatie voorzien, had hij mensen in zijn team tot zijn beschikking die de cocaïne uit de vracht konden halen en chauffeurs om de cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren. De verdachte heeft daarmee op ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn positie. Voor de bestrijding van de internationale handel in harddrugs is het van groot belang dat vooral ook medewerkers van een (lucht)haven weerstand bieden tegen de verleiding zich in te laten met de invoer van harddrugs. De verdachte deed dit niet, had voor de hiervoor genoemde gevolgen geen oog en heeft zich bij het plegen van deze feiten enkel laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin. De verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd, maar ook de luchthaven Schiphol en de op het luchthaventerrein gevestigde bedrijven in diskrediet gebracht.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag. In de woning van de verdachte is een geldbedrag van € 30.290,- aangetroffen. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de overheid worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde. Voor wat betreft de onder feit 1 bewezenverklaarde bevorderingshandelingen heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de handelingen van de verdachte van beperkt gewicht zijn. Tot slot heeft de rechtbank ook gekeken naar de verhouding van de op te leggen straf met de straf die conform de overeengekomen procesafspraken aan de medeverdachte [medeverdachte 1] in dit onderzoek is opgelegd voor een groot aantal feiten, waaronder het meermalen invoeren van grote hoeveelheden cocaïne. Gelet op het voorgaande en nu de rechtbank voor feit 2 tot een andere kwalificatie komt, acht de rechtbank een aanzienlijk kortere straf aangewezen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden moet worden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daaraan zal de rechtbank een proeftijd verbinden van 2 jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

7. Bijkomende straf

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen verbeurd te verklaren.

Door de raadsman van de verdachte is op dit punt geen verweer gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen, moeten worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 3 bewezenverklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 10a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

1. 1.610,00 EUR Geld Euro(Omschrijving: 27FBE230004_17512 IBG 11-06-2024);2. 25.510,00 EUR Geld Euro(Omschrijving: 27FBE230004_17504 IBG 11-06-2024);3. 1.640,00 EUR Geld Euro(Omschrijving: 27FBE230004_17511 IBG 11-06-2024);4. 1.100,00 EUR Geld Euro(Omschrijving: 27FBE230004_17517 IBG 11-06-2024);5. 430,00 EUR Geld Euro(Omschrijving: 27FBE230004_17519 IBG 11-06-2024); en

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Straathof, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. A. Talmricht, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.J. Straathof
  • mr. H.H.E. Boomgaart
  • mr. A. Talmricht

Griffier

  • mr. A. Talmricht

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?