RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster 1] en [verzoeker 1] , [adres 1] in [plaats 1] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Koggenland
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4026
[verzoeker 2] en [verzoekster 2], [adres 2] in [plaats 1] ,
[verzoeker 3] en [verzoekster 3], [adres 3] in [plaats 1] ,
[verzoeker 4] , [adres 4] in [plaats 1] ,
hierna: verzoekers
en
(gemachtigde: K. Hashemzadeh).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] (vergunninghouder).
Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers hangende hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het splitsen van het perceel, het toevoegen van een nieuw bouwvlak en een in-/uitrit op de locatie naast [adres 5] in [plaats 1] .
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 20 april 2026 verleend aan vergunninghouder. Verzoekers hebben hiertegen op 18 mei 2026 bezwaar gemaakt en op 16 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat er aanwijzingen zijn dat op korte termijn met de uitvoering van het bouwplan zal worden begonnen. Het college heeft bij e-mailbericht van 19 augustus 2026 inlichtingen verstrekt. Desgevraagd hebben verzoekers op 25 augustus 2026 hierop gereageerd.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
5. Het college heeft met het e-mailbericht van 19 augustus 2026 een e-mailbericht van 19 augustus 2026 van vergunninghouder overgelegd waarin vergunninghouder verklaart dat nog niet is begonnen met de bouw van de woning en dat met de bouw van de woning gewacht wordt op de besluitvorming omtrent het bezwaarschrift. Het enige dat vergunninghouder heeft gedaan, is een stuk grond geruimd (bouwvlak) om het archeologisch onderzoek mogelijk te maken, als dat noodzakelijk is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat zelfs indien het vorenstaande anders zou zijn, de spoedeisendheid geen gegeven is. Ook bij gebruikmaking van een vergunning ontstaat, anders dan verzoekers menen, geen onomkeerbare situatie. Zolang een vergunning niet onherroepelijk is, bouwt een vergunninghouder voor eigen rekening en risico. Dit betekent dat in het uiterste geval afbraak van het gebouwde kan volgen, mocht een vergunning niet, of niet zonder aanpassingen, in stand kunnen blijven.
6. Onder die omstandigheden hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van de beslissing op hun bezwaar, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: