[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal
(mr. S. van de Grift).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met haar interne verplaatsing op de opvanglocatie aan de [locatie] in [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het college heeft verzoekster op 6 juli 2026 medegedeeld dat zij intern naar een andere kamer op de opvanglocatie wordt overgeplaatst. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 8 september 2026 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de interne verhuizing wordt opgeschort tot zes weken nadat op haar bezwaar is beslist.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster heeft immers onderdak en verliest dat als gevolg van het bestreden besluit niet. Verzoekster betwist niet dat de aangeboden kamer op zich voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat die kamer minder faciliteiten biedt dan haar huidige kamer, maakt niet dat verzoekster de beslissing op haar bezwaarschrift niet zou kunnen afwachten zonder dat er in de tussentijd een voorziening wordt getroffen. Daarbij is ook van belang dat een kamerwissel naar zijn aard niet onomkeerbaar is en, indien vereist, kan worden teruggedraaid.
Conclusie en gevolgen
3. De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: