RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/120645-26 en 15/138274-23 (TUL)
Uitspraakdatum: 3 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres]
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Swart en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 april 2026 te Haarlem, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), door:- die [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en (vervolgens) te roepen "geld, geld geld"terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2026; en
een proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer] van 13 april 2026 (dossierpagina’s 36 – 44).
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 april 2026 te Haarlem, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde, door:- die [slachtoffer] een mes te tonen en vervolgens te roepen "geld, geld geld"terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
afpersing, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, zijn ontwikkeling en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De raadsman heeft er verder op gewezen dat de verdachte zijn havo-opleiding wil afronden en dat hij direct kan beginnen met werken als hij vrij komt. Gelet hierop heeft de raadsman gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft in de nacht van 12 op 13 april 2026 een woningoverval gepleegd. De verdachte is de woning van het slachtoffer binnengedrongen door met een steen een raam stuk te gooien. Terwijl het slachtoffer lag te slapen, is de verdachte met een capuchon over zijn hoofd de slaapkamer binnengegaan. De verdachte heeft het slachtoffer bedreigd met een groot mes en daarbij geroepen dat hij geld wilde. Het slachtoffer heeft 250 euro aan de verdachte gegeven en moest van de verdachte naar beneden gaan. De verdachte wilde weten waar de kluis was en bleef herhalen dat hij geld wilde hebben. Toen het slachtoffer zei dat hij geen kluis had en ook niet meer geld, is de verdachte vertrokken.
Met het plegen van de woningoverval heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke levenssfeer van een ander, zijn gezondheid, veiligheid en eigendom. De overval vond in de nacht plaats, een moment waarop bewoners doorgaans slapen. Daarnaast hoort een woning een veilige plek voor de bewoners te zijn. Het moet voor het slachtoffer zeer beangstigend en schokkend zijn geweest om in zijn eigen woning te worden overvallen en daarbij te worden bedreigd met een groot mes. Een dergelijke ervaring heeft veel impact op de slachtoffers. Bovendien veroorzaken dit soort feiten ook in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust.
De verdachte had kennelijk geen oog voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en was alleen gericht op zijn eigen financiële voordeel.
Persoon van de verdachte De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 26 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte op 15 mei 2025 voor (onder meer) een woninginbraak is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf. Het onderhavige feit heeft de verdachte gepleegd in de proeftijd verbonden aan die voorwaardelijke straf. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een woning binnen te dringen om geld te stelen. De rechtbank zal dit ten nadele van de verdachte meewegen bij de strafoplegging.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte geen structurele dagbesteding en geen inkomen heeft en dat sprake is van overmatig lachgasgebruik. De verdachte heeft stabiele huisvesting bij zijn ouders en hij kan daar na zijn detentie terugkeren. De verdachte heeft de wens uitgesproken om geholpen te worden en deze hulp is in gang gezet. Zijn ouders zijn betrokken en de verdachte heeft sinds kort een coach die hem helpt bij praktische zaken en hem ondersteunt bij afspraken. De verdachte wil zijn havodiploma halen en is bereid om te gaan werken.
De rechtbank weegt in positieve zin mee dat de verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld en van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven. Ook op de zitting heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen, spijt betuigd en laten zien inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen.
De rechtbank zal bij de strafoplegging ook rekening houden met de jonge leeftijd van de verdachte.
Toepassing volwassenenstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 21 jaar oud en dus
meerderjarig. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het uitgangspunt dat iemand die achttien jaar of ouder is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De wet biedt de mogelijkheid bij jongvolwassenen tot 23 jaar het jeugdstrafrecht toe te passen, als omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
De rechtbank heeft in dit verband gekeken naar het reclasseringsrapport van 24 juli 2026. De verdachte heeft een steunend netwerk van familie, maar hij staat vaak niet open voor hulp en wil alles zelf regelen, wat volgens de reclassering laat zien dat van pedagogische beïnvloeding geen sprake is. Hoewel de reclassering enige aanwijzingen ziet voor toepassing van jeugdstrafrecht, concludeert de reclassering op basis van het wegingskader ASR dat er meer indicaties zijn voor toepassing van het volwassenenstrafrecht. Zij heeft daarom geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om van het advies van de reclassering af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de verdachte nog vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
Op te leggen straf
Gezien de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat
een forse gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijk gehanteerde LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een woningoveral met licht geweld of bedreiging met geweld (en zonder recidive) geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om in het voordeel van de verdachte van dit uitgangspunt af te wijken.
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest) waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Het voorwaardelijk strafdeel strekt er mede toe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. De bijzondere voorwaarden voorzien in de hulp en begeleiding die de verdachte nodig heeft. De verdachte heeft op de zitting gezegd alle voorwaarden te willen nakomen.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen, alvorens een straf op te leggen. Het verzoek daartoe van de verdediging wordt daarom afgewezen.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 15 mei 2025 in de zaak met parketnummer 15/138274-23 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van (kort gezegd) een woninginbraak en het meermaals plegen van fraude met betaalproducten veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 18 december 2025. De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank heeft bij het onderzoek op de zitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, aangezien uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikel 14a, 14b, 14c, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
- Ambulante behandeling
Dat de veroordeelde zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en delictgedrag.
- Ambulante begeleiding
Dat de veroordeelde meewerkt aan ambulante begeleiding, bij een door de reclassering te bepalen organisatie, gericht op praktische zaken en het maken en nakomen van afspraken.
- Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat waar het slachtoffer woont ( [adres] ).
- Dagbesteding
Dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of school, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Aflossing schulden
Dat de veroordeelde de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden geeft. De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
Geeft aan reclasseringsinstelling Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/138274-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf voor de duur van 80 uren, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 15 mei 2025.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Reemst, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026