RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12059114 \ CV EXPL 26-328
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
GEMEENTE [plaats 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. L.A. van der Hoeff-Olgers,
tegen
1. [gedaagde 1],
te [plaats 2],2. [gedaagde 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Gedaagden zijn allebei strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing op een school in [plaats 1]. De gemeente is eigenaar van het pand waarin de school is gevestigd. Door de ontploffing is schade ontstaan aan het pand en de gemeente vordert in deze zaak schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW)).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente een regeling bereikt met [gedaagde 2] en zijn de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] ingetrokken. De procedure tegen [gedaagde 1] is voortgezet.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de gemeente en de schade van de gemeente moet vergoeden. De kantonrechter wijst de vordering van de gemeente daarom toe.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 19;
de mondelinge conclusie van antwoord van [gedaagde 1] van 21 januari 2026, waarbij twee stukken zijn overgelegd;
de (schriftelijke) conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 22 januari 2026;
het tussenvonnis van 18 februari 2026;
de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarbij door mr. Van der Hoeff-Olgers spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
het proces-verbaal van de schikking tussen de gemeente en [gedaagde 2].
Ten slotte is vonnis bepaald in de zaak tussen de gemeente en [gedaagde 1].
2. De feiten
De gemeente is eigenaar van een pand in [plaats 1]. In het pand is de school [naam 1] gevestigd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren in 2023 leerlingen van de school.
Op 17 oktober 2023 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een cobra tot ontploffing gebracht in een toiletruimte van de school.
Door de ontploffing is schade ontstaan aan het pand. In een schaderapport van 25 april 2024 heeft expertisebureau EMN (CED Nederland B.V.) de schade aan het pand vastgesteld op een bedrag van € 8.053,85 inclusief btw.
In mei 2024 heeft de verzekeraar van de gemeente een bedrag van € 5.553,85 aan de gemeente uitgekeerd. Dit was het schadebedrag van € 8.053,85 minus het eigen risico van € 2.500,00.
De school is onderdeel van de Stichting [naam 2]. De gemeente heeft na ontvangst van de uitkering van € 5.553,85 een bedrag van € 8.053,85 aan de Stichting [naam 2] betaald.
In afzonderlijke vonnissen van 22 mei 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland [gedaagde 1] en [gedaagde 2] allebei strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
In beide strafrechtelijke procedures heeft Stichting [naam 2] als benadeelde partij (onder meer) een vordering tot schadevergoeding ingediend wegens de schade die is ontstaan aan het pand. De rechtbank heeft Stichting [naam 2] in beide procedures niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van de schade wegens gebrek aan voldoende onderbouwing omdat enkel een kostenberaming was meegestuurd en niet duidelijk was of, en zo ja hoeveel, de verzekering had vergoed.
In brieven van 22 mei 2025 heeft de gemeente [gedaagde 1] en [gedaagde 2] allebei aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. In de brieven heeft de gemeente [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht ieder € 1.250,00 aan de gemeente te betalen, omdat de gemeente een eigen risico van € 2.500,00 aan haar verzekeraar heeft betaald in verband met de ontstane schade.
De gemeente heeft op 6 juni 2025 een betalingsregeling getroffen met [gedaagde 1] en op 26 juni 2025 met [gedaagde 2]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben allebei niet aan de betalingsregelingen voldaan.
In een e-mailbericht van 1 december 2025 heeft [gedaagde 1] de betalingsregeling per direct beëindigd. In de brief heeft [gedaagde 1] onder verwijzing naar het strafvonnis geschreven dat hij juridisch niet verplicht is om de schade van de gemeente te vergoeden.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 juni 2026 hebben de gemeente en [gedaagde 2] een regeling bereikt. De gemeente en [gedaagde 2] zijn overeengekomen dat [gedaagde 2] een bedrag van € 1.250,00 in termijnen aan de gemeente zal betalen en de gemeente heeft de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] ingetrokken. [gedaagde 1] is niet verschenen op de mondelinge behandeling.
3. Het geschil
De gemeente vordert ten aanzien van [gedaagde 1] – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan de gemeente van primair een bedrag van € 2.500,00, subsidiair een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023;
[gedaagde 1] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De gemeente legt aan haar vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft schade veroorzaakt aan een pand waarvan de gemeente eigenaar is. [gedaagde 1] is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld. Het handelen van [gedaagde 1] levert een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW en [gedaagde 1] is verplicht de schade die de gemeente daardoor heeft geleden te vergoeden. De schade als gevolg van de ontploffing bedraagt € 8.053,85. De verzekeraar heeft een bedrag van € 5.553,85 aan de gemeente uitgekeerd. De gemeente heeft een bedrag ter hoogte van het eigen risico van € 2.500,00 moeten betalen en vordert vergoeding van dit bedrag in deze procedure.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vordering van de gemeente en voert, samengevat, het volgende aan. [gedaagde 1] is niet aansprakelijk voor de schade van de gemeente, omdat de vordering tot vergoeding van de materiële schade in de strafrechtelijke procedure niet-ontvankelijk is verklaard.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.
4. De beoordeling
Intrekking vordering ten aanzien van [gedaagde 2]
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de gemeente en [gedaagde 2] een regeling
bereikt. De gemeente heeft haar vordering ten aanzien van [gedaagde 2] ingetrokken, zodat de kantonrechter daarop niet meer hoeft te beslissen. De procedure tegen [gedaagde 1] is voortgezet en de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] volgt hierna.
[gedaagde 1] moet de schade van de gemeente vergoeden
[gedaagde 1] moet de schade van de gemeente vergoeden. De kantonrechter legt dit hierna
uit.
Vast staat dat [gedaagde 1] strafrechtelijk is veroordeeld voor het medeplegen van het
opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in het pand van de gemeente. [gedaagde 1] is niet tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het (op tegenspraak gewezen) vonnis heeft dus kracht van gewijsde en levert dwingend bewijs op van dit handelen van [gedaagde 1] (artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Door een cobra tot ontploffing te brengen in het pand, heeft [gedaagde 1] inbreuk gemaakt
op het eigendomsrecht van de gemeente en in strijd gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Als gevolg van de ontploffing is schade ontstaan aan het pand en heeft de gemeente schade geleden. Dat is een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. De ontploffing vond plaats op 17 oktober 2023. [gedaagde 1] was toen 17 jaar oud, zodat de onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend.
Op grond van artikel 6:162 BW moet degene die een onrechtmatige daad heeft
gepleegd de schade die de ander daardoor heeft geleden vergoeden. [gedaagde 1] heeft onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de gemeente en is daarom verplicht de schade die de gemeente daardoor heeft geleden te vergoeden. Dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade in de strafprocedure niet-ontvankelijk is verklaard, maakt dit niet anders. In de strafprocedure is de vordering namelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering onvoldoende was onderbouwd en het niet duidelijk was of de verzekering (een deel van) de schade al had vergoed. Ook was de vordering ingesteld door een andere partij dan de gemeente, Stichting [naam 2]. In deze procedure vordert de gemeente vergoeding van de schade en heeft de gemeente haar schade voldoende onderbouwd. Uit de dagvaarding en de factuur van de verzekeraar die is overgelegd, is voldoende duidelijk geworden dat de verzekeraar een bedrag van € 5.553,85 aan de gemeente heeft vergoed en dat de gemeente een bedrag ter hoogte van het eigen risico van € 2.500,00 heeft moeten betalen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Als twee of meer personen samen een onrechtmatige daad plegen, zijn zij hoofdelijk
aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan. Dit betekent dat degene die schade heeft geleden zijn of haar gehele schade op ieder van hen mag verhalen (artikel 6:102 BW). De schade van de gemeente bedraagt in totaal € 2.500,00. De kantonrechter zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de gemeente. Daarbij ligt het voor de hand dat de gemeente niet direct het totaalbedrag van € 2.500,00 op [gedaagde 1] zal (proberen te) verhalen, aangezien de gemeente een regeling heeft getroffen met [gedaagde 2] voor de helft van de schade (een bedrag van € 1.250,00). Indien en voor zover [gedaagde 2] de regeling niet nakomt, staat het de gemeente uiteraard vrij ook (het restant van) die helft van de schade op [gedaagde 1] te verhalen.
Wettelijke rente en proceskosten
Bij een onrechtmatige daad is de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat
de schade is ontstaan. Vast staat dat de ontploffing plaatsvond op 17 oktober 2023 en dat op die dag schade is ontstaan aan het pand van de gemeente. Dit betekent dat [gedaagde 1] wettelijke rente moet betalen vanaf 17 oktober 2023.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief
nakosten) betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van de gemeente op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.057,09
De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe
zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 17 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.057,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.