RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12146736 \ CV EXPL 26-1755
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf],
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
BUITENPLAATS PLANTAGE VELSEN B.V., handelend onder de naam Plantage Rococo,
te Velsen-Zuid,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Plantage Rococo,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[bedrijf] heeft werkzaamheden voor Plantage Rococo verricht. [bedrijf] vordert in deze procedure betaling van twee facturen die onbetaald zijn gebleven. Plantage Rococo erkent de facturen, maar beroept zich voor een gedeelte van de facturen op verrekening. Daarnaast heeft Plantage Rococo een tegenvordering ingesteld voor de kosten voor het voeren van verweer in deze procedure.
De kantonrechter oordeelt dat Plantage Rococo de twee openstaande facturen moet betalen en passeert het beroep op verrekening. De vordering van Plantage Rococo tot vergoeding van de kosten voor het voeren van verweer wijst de kantonrechter af.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord met een tegenvordering en producties 1 tot en met 3;
- het tussenvonnis van 15 april 2026;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 3;
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Plantage Rococo is een horeca-onderneming. In maart 2025 zijn [bedrijf] en Plantage Rococo (mondeling) overeengekomen dat [bedrijf] een medewerkster ter beschikking zou stellen die werkzaamheden zou gaan verrichten voor Plantage Rococo. De medewerkster van [bedrijf] heeft in dat kader als supervisor gewerkt op evenementen van Plantage Rococo (hierna: de medewerkster).
Op 19 mei 2025 heeft de medewerkster een greep uit de kas van Plantage Rococo gedaan.
Op 6 juli 2025 heeft [bedrijf] een factuur aan Plantage Rococo gestuurd voor verrichte diensten in juni 2025. De factuur bedraagt € 2.008,46 (inclusief btw).
Op 6 augustus 2025 heeft [bedrijf] een factuur aan Plantage Rococo gestuurd voor verrichte diensten in juli 2025. De factuur bedraagt € 1.082,04 (inclusief btw).
In een e-mailbericht van 16 september 2025 heeft Plantage Rococo aan [bedrijf] laten weten dat zij de twee facturen (voorlopig) niet zal betalen. In dit e-mailbericht heeft Plantage Rococo onder meer geschreven: “de betaling van de facturen zijn in de wacht gezet. Vanwege integriteit belangen kunnen wij u nog niet verdere informeren over de reden hiervan. Ik hoop u binnen een week meer duidelijkheid te kunnen verschaffen. Sorry hiervoor, maar wij hebben hier zelf geen debet aan.”
In een e-mailbericht van 18 september 2025 heeft [bedrijf] aan Plantage Rococo geschreven dat zij niet weet wat Plantage Rococo bedoelt met “facturen zijn in de wacht gezet” en dat de facturen binnen de gestelde termijn moeten worden voldaan
In een e-mailbericht van 3 oktober 2025 heeft een incassobureau namens [bedrijf] om betaling van de twee openstaande facturen verzocht. De facturen zijn niet voldaan.
Op 29 november 2025 heeft Plantage Rococo een factuur aan [bedrijf] gestuurd van € 1.252,35 (inclusief btw). De factuur heeft als omschrijving “Kosten van het onderzoek” en in de bijgevoegde specificatie staat:
“Onderzoek n.a.v. geconstateerd verwijtbaar handelen medewerker [bedrijf]
8 uren onderzoek door directielid Rococo x € 55,00 € 440,00
7 uren extern ([betrokkene]) x € 85,00 € 595,00
--------------
€ 1.035,00”
Op 24 maart 2026 heeft Plantage Rococo een factuur aan [bedrijf] gestuurd van € 617,10 (inclusief btw). De factuur heeft als omschrijving: “Kosten van het voeren van verweer dagvaarding 6 uur á € 85,00”. Beide facturen van Plantage Rococo zijn onbetaald gebleven.
3. Het geschil
In conventie
[bedrijf] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
Plantage Rococo veroordeelt om aan [bedrijf] te betalen € 3090,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de openstaande facturen;
Plantage Rococo veroordeelt om aan [bedrijf] te betalen € 434,05 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding (12 maart 2026);
Plantage Rococo veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
[bedrijf] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Partijen hebben mondeling een overeenkomst gesloten op grond waarvan [bedrijf] diensten heeft verricht voor Plantage Rococo. Plantage Rococo heeft twee facturen onbetaald gelaten en verkeert in verzuim. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft [bedrijf] ook recht op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
Plantage Rococo concludeert tot afwijzing van de vordering van [bedrijf]. Plantage Rococo voert – samengevat – het volgende aan. De twee facturen zijn onbetaald gebleven, omdat een fraudeonderzoek is gedaan naar de medewerkster. Uit dit onderzoek is gebleken dat de medewerkster op 19 mei 2025 een greep uit de kas van Plantage Rococo heeft gedaan. Plantage Rococo heeft [bedrijf] een factuur gestuurd voor de kosten die zij in verband met het fraudeonderzoek heeft gemaakt en beroept zich op verrekening van deze kosten met de openstaande facturen van [bedrijf].
In reconventie
Plantage Rococo heeft een tegenvordering ingesteld en vordert betaling van de factuur van 24 maart 2026. Plantage Rococo legt daaraan ten grondslag dat zij kosten heeft gemaakt om verweer te voeren in deze procedure en wil deze kosten verrekenen met de openstaande facturen van [bedrijf].
[bedrijf] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Plantage Rococo in haar reconventionele vordering althans tot ontzegging van die vordering, met veroordeling van Plantage Rococo in de kosten van de procedure. [bedrijf] betwist dat Plantage Rococo recht heeft op verrekening.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.
4. De beoordeling
In conventie
Plantage Rococo moet de openstaande facturen aan [bedrijf] betalen
Aangezien Plantage Rococo de verschuldigdheid van de openstaande facturen erkent en het beroep op verrekening niet slaagt, zal de kantonrechter de vordering tot betaling van de openstaande facturen toewijzen. De kantonrechter legt dat hierna uit.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] diensten heeft verricht voor Plantage Rococo en dat Plantage Rococo voor deze diensten moet betalen. Plantage Rococo erkent immers de twee openstaande facturen, maar beroept zich voor een gedeelte daarvan op verrekening. Volgens Plantage Rococo heeft zij onderzoek moeten doen naar het handelen van de medewerkster en zij wil de onderzoekskosten verrekenen met de openstaande facturen.
De kantonrechter zal het beroep op verrekening passeren, omdat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW). Plantage Rococo heeft de gestelde onderzoekskosten namelijk onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing van de onderzoekskosten heeft Plantage Rococo verwezen naar de factuur van 29 november 2025. De factuur is door Plantage Rococo zelf opgesteld en vermeldt dat een directielid van Plantage Rococo acht uur aan het onderzoek heeft besteed, en een externe “[betrokkene]” zeven uur aan het onderzoek heeft besteed. Daaruit blijkt niet dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, welke werkzaamheden precies zijn verricht en waarom het noodzakelijk was een externe in te schakelen. Plantage Rococo is niet verschenen op de zitting zodat zij haar beroep op verrekening niet nader heeft kunnen toelichten. Dat komt voor haar rekening en risico.
Plantage Rococo moet de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[bedrijf] vordert betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de dag na de vervaldata van de openstaande facturen. Plantage Rococo heeft de betalingstermijnen niet betwist. Dit betekent dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 21 juli 2025 (voor de factuur van 6 juli 2025) en vanaf 21 augustus 2025 (voor de factuur van 6 augustus 2025).
[bedrijf] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [bedrijf] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 434,05 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, 12 maart 2026.
In reconventie
Plantage Rococo vordert betaling van de factuur van 24 maart 2026. Deze factuur ziet op de kosten voor het voeren van verweer in deze procedure en hierop gaat de kantonrechter hierna onder 4.7. in. De wet voorziet in een regeling voor de vergoeding van de proceskosten (artikel 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) en Plantage Rococo heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [bedrijf] gehouden zou zijn de kosten voor het voeren van verweer te vergoeden. De kantonrechter zal de reconventionele vordering daarom afwijzen.
In conventie en in reconventie
Plantage Rococo moet de proceskosten betalen
Plantage Rococo is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [bedrijf] op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,52
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
759,00
(3 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.279,02
5. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
veroordeelt Plantage Rococo om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 2.008,46, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 21 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Plantage Rococo om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 1.082,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 21 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Plantage Rococo om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 434,05 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 12 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
In reconventie
wijst de vordering van Plantage Rococo af,
In conventie en in reconventie
veroordeelt Plantage Rococo in de proceskosten van € 1.279,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Plantage Rococo niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.