ECLI:NL:RBNHO:2026:12122

ECLI:NL:RBNHO:2026:12122

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 15/055569-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Vrijspraak art. 6 WVW. Geen aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Veroordeling art. 5 WVW. Ongeval met een vrachtwagen met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Taakstraf voor de duur van 40 uur en OBM van 6 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/055569-25 (P)

Uitspraakdatum: 8 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.H.I. van Dongen en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. E. Stam, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 13 februari 2025 als bestuurder van een vrachtwagen een verkeersongeval op de Spaarndamseweg in Haarlem heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan een fietser, [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Onder feit 1 primair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van de vrachtwagen zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is en subsidiair dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Onder feit 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij de vrachtwagen heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van THC.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak primair tenlastegelegde onder feit 1 (artikel 6 WVW)

Naar het oordeel van de rechtbank is het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Feiten en omstandigheden

Op 13 februari 2025 omstreeks 15.03 uur reed de verdachte als bestuurder van een vrachtwagen over de Spaarndamseweg in Haarlem. Hij naderde een door verkeerslichten geregeld kruispunt en wilde rechtsaf slaan naar de Paul Krugerkade. Het vijfjarige slachtoffer reed op het naastgelegen vrijliggende fietspad op een kinderfiets, met daarachter zijn moeder op een bakfiets. Zij kwamen uit dezelfde richting als de verdachte en reden in de richting van het kruispunt om rechtdoor te gaan. Zowel voor de verdachte als voor het slachtoffer en zijn moeder stond het verkeerslicht op groen. De verdachte heeft bij het rechtsaf slaan het slachtoffer geen voorrang verleend. Daardoor is het slachtoffer onder de rechtervoorband van de vrachtwagen terechtgekomen en heeft hij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit bloedonderzoek is gebleken dat de verdachte ten tijde van het besturen van de vrachtwagen onder invloed was van THC (5,5 microgram per liter bloed).

De Spaarndamseweg bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken. Naast de rijstrook ligt een vrijliggend fietspad, dat van de rijbaan is gescheiden door een trottoir of parkeerstrook. Het zicht vanuit de vrachtauto voorafgaand aan het verkeersongeval op het naastgelegen vrijliggende fietspad werd mogelijk belemmerd door de geparkeerde voertuigen naast de rijstrook. Ter hoogte van de verkeerslichten, aan het einde van de parkeerstrook, was over een lengte van 18 meter goed zicht op het naastgelegen fietspad.

De verdachte heeft verklaard dat hij vóór het rechtsaf slaan gebruik heeft gemaakt van zijn spiegels, maar dat hij het slachtoffer en zijn moeder op geen enkel moment heeft gezien. Er is onderzoek gedaan naar de vraag of het slachtoffer zichtbaar was voor de bestuurder van de vrachtwagen. Uit dit onderzoek volgt dat de moeder van het slachtoffer en het slachtoffer op enig moment zichtbaar zijn geweest voor de verdachte in de rechterbreedtespiegel. Niet kon worden vastgesteld hoe lang zij zichtbaar zijn geweest voor de verdachte.

Juridisch kader

De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, met zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer als gevolg. Het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 WVW houdt in dat minimaal sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Er is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid als de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer bijzondere gevallen als roekeloos handelen. Bij de beoordeling of sprake is van “schuld” en zo ja, in welke gradatie, gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen. De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag heeft vertoond.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat in het bloed van de verdachte 5,5 microgram THC per liter is aangetroffen, waarmee de toegestane grenswaarde (3,0 microgram) is overschreden. De verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig blowde en ook in de nacht voorafgaand aan het ongeval cannabis had gebruikt. De rechtbank leidt uit de verklaring van de verdachte af dat hij een regelmatig gebruiker was en dat het aannemelijk is dat sprake was van (enige) gewenning aan THC. Dit betekent dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat het gebruik van THC de rijvaardigheid van de verdachte heeft beïnvloed. Ook het rijgedrag van de verdachte wijst hier niet op. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte als gevolg van de aangetroffen concentratie THC in zijn bloed niet in staat was tot het behoorlijk besturen van de vrachtwagen. De omstandigheid dat de verdachte onder invloed van THC verkeerde wordt daarom niet betrokken bij de verdere beoordeling van de schuldvraag.

De rechtbank vindt aannemelijk dat het ongeval heeft plaatsgevonden omdat de verdachte het slachtoffer op geen enkel moment heeft gezien, zoals de verdachte heeft verklaard. Dit doet er niet aan af dat uit het verkeersonderzoek volgt dat de moeder van het slachtoffer en het slachtoffer voor de verdachte op enig moment in de rechterbreedtespiegel van de vrachtwagen waarneembaar moeten zijn geweest. Daarbij heeft de verdachte de vrachtwagen niet volledig tot stilstand gebracht voordat hij rechtsaf sloeg en zich ervan had vergewist dat de weg naast hem vrij was. Door rechts af te slaan zonder het slachtoffer voorrang te verlenen, heeft de verdachte een verkeersfout gemaakt. Een verkeersfout met zeer ingrijpende en verstrekkende gevolgen. Deze fout is echter, gelet op de omstandigheden van het geval en in het licht van het hiervoor geschetste juridisch kader, niet aan te merken als “aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig”.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat sprake is van “schuld” aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW en zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair (artikel 5 WVW) en feit 2

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 laste gelegde feiten.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

Subsidiair

hij op 13 februari 2025 te Haarlem als bestuurder van een vrachtwagen, daarmee rijdende op de Spaarndamseweg,

- zonder een fietser (genaamd [slachtoffer] ) voor te laten gaan en

- zonder zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, met zijn vrachtwagen, rechts af te slaan, de Paul Krugerkade op en

- daarbij in onvoldoende mate in zijn spiegels te kijken en zich ervan te vergewissen dat de weg naast hem vrij was en daarbij een rijdende fietser ( [slachtoffer] ) die zijn weg wilde vervolgen op het naastgelegen fietspad, niet op te merken, waarna een aanrijding met deze fietser is gevolgd, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

Feit 2

hij op 13 februari 2025 te Haarlem een voertuig, een vrachtwagen, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 5,5 microgram per liter THC bedroeg.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingehouden is geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn meewerkende houding en de gevolgen die het ongeluk voor hem hebben gehad. De raadsman acht een taakstraf een passende sanctie en heeft verzocht een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen die gelijk is aan de periode waarin de verdachte zijn rijbewijs reeds is kwijt geweest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt door niet in voldoende mate in zijn spiegels te kijken en zonder te stoppen rechtsaf te slaan, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij het destijds vijfjarige slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft vele operaties moeten ondergaan, is onder medische behandeling en zal ook in de toekomst hersteloperaties moeten ondergaan. Zoals is gebleken uit de slachtofferverklaringen van de ouders van het slachtoffer ter zitting heeft het ongeval een enorme impact op het hele gezin en zijn zij nog altijd bezig met het herstel van het slachtoffer. Ook de moeder van het slachtoffer, die het zware ongeval van haar zoon voor haar ogen heeft zien gebeuren, heeft een trauma opgelopen en werkt nog aan haar herstel.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Ook voor de verdachte heeft het ongeval grote gevolgen gehad. De verdachte heeft ter zitting en tijdens het onderzoek zijn verantwoordelijkheid genomen en spijt betuigd. Met de vader van het slachtoffer is met succes een mediation-traject afgerond en de verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Uit het reclasseringsrapport van 23 juni 2026 en uit wat de verdachte ter zitting heeft verklaard, is gebleken dat de verdachte tot op heden last heeft van psychische klachten als gevolg van het ongeval. De verdachte voelt zich niet meer in staat in een vrachtwagen te rijden en heeft daarom zijn werk als vrachtwagenchauffeur gestaakt. Daarnaast is de verdachte sinds het ongeluk gestopt met blowen en het gebruik van alcohol. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij interventies of toezicht niet nodig vindt.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de ernstige gevolgen voor het slachtoffer en zijn familie, en rekening houdend met de persoon van de verdachte, het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid passend is. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

De verdachte is zijn rijbewijs reeds zes maanden kwijt geweest, wat langer is dan de in de LOVS-oriëntatiepunten opgenomen ontzegging van de rijbevoegdheid in zaken waarbij sprake is van overtreding van artikel 5 WVW. De rechtbank zal deze langere ontzegging van de rijbevoegdheid verdisconteren in de hoogte van de taakstraf.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 40 uur passend en geboden.

7. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte (naast de taakstraf van 40 uren) de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van zes maanden, met aftrek zoals bedoeld in artikel 179 WVW. Dit komt overeen met de periode waarin de verdachte zijn rijbewijs reeds is kwijt geweest, zodat hij het rijbewijs niet opnieuw hoeft in te leveren.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 22c, 22d en 62 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 40 [veertig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 [twintig] dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 [zes] maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Reemst, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr S. Mac Donald, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Beekhuizen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 september 2026.

Bijlage I

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Haarlem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (een vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, de Spaarndamseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, door

- zonder een fietser (genaamd [slachtoffer] ) die zich naast dan wel rechts dicht achter hem bevond voor te laten gaan en/of

- zonder zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, met zijn vrachtwagen, rechts af te slaan, de Paul Krugerkade op en/of

- ( daarbij) niet of in onvoldoende mate in zijn spiegels te kijken en/of zich ervan te vergewissen dat de weg naast hem vrij was en/of

- ( daarbij) die rijdende fietser die zijn weg wilde vervolgen op het naastgelegen (kruisende) fietspad, niet op te merken, waarna een aanrijding met deze fietser is gevolgd,

waardoor die fietser ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gecompliceerde breuken in onderbeen en/of schade aan de grote liesslagader en/of de plasbuis en/of een gebroken bekken en/of een of meer gebroken wervels, werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van

de normale bezigheden ontstond,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair

hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen), daarmee rijdende op de weg, Spaarndamseweg,

- zonder een fietser (genaamd [slachtoffer] ) die zich naast dan wel rechts dicht achter hem bevond voor te laten gaan en/of

- zonder zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, met zijn vrachtwagen, rechts af te slaan, de Paul Krugerkade op en/of

- ( daarbij) niet of in onvoldoende mate in zijn spiegels te kijken en/of zich ervan te vergewissen dat de weg naast hem vrij was en/of (daarbij) een rijdende fietser ( [slachtoffer] ) die zijn weg wilde vervolgen op het naastgelegen (kruisende) fietspad, niet op te merken, waarna een aanrijding met deze fietser is gevolgd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Feit 2

hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Haarlem een voertuig, te weten een vrachtwagen, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 5,5 microgram per liter THC bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand