RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/293646-25, 15/238561-25 (gev.), 08/237070-25 (gev.),
13/058003-25 (tul)
Uitspraakdatum: 14 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juli 2026 en 31 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De politierechter heeft de zaak onder parketnummer 08/237070-25 naar deze kamer verwezen.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. H.W. van der Ploeg en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 15/293646-25
1.
hij op of omstreeks 2 november 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een flesje appelsap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Stach, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 2 november 2025, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (van) een of meer telefoons en/of cosmetica en/of geldbedragen en/of elektronica, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
3.
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Amsterdam een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Breitling Boutique, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan ARA Schiphol, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 15/238561-25, waarbij de rechtbank omwille van de leesbaarheid van het vonnis de feiten doornummert:
5.
hij op of omstreeks 13 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer één of meerdere parfums, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Kappe Schiphol, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6.
hij op of omstreeks 5 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer één of meerdere parfums, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Kappe Schilphol, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 08/237070-25, waarbij de rechtbank omwille van de leesbaarheid van het vonnis de feiten doornummert:
7.
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Zwolle een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Mediamarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eenvoudig witwassen, als bedoeld in artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de voorwerpen die in de koffer van de verdachte zijn aangetroffen uit een door hemzelf gepleegd misdrijf afkomstig zijn.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1 en 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering feit 2
Voor een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de in de tenlastelegging vermelde goederen en geldbedragen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
Afkomstig uit eigen misdrijf?
De rechtbank dient eerst te beoordelen of uit de bewijsmiddelen volgt dat de onder de verdachte aangetroffen voorwerpen afkomstig zijn van een door hemzelf gepleegd misdrijf. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De door de officier van justitie aangehaalde stukken die zij in verband met een rechtshulpverzoek aan Noorwegen heeft ontvangen en op basis waarvan zij tot de conclusie komt dat de verdachte de in zijn koffer aangetroffen voorwerpen in Noorwegen heeft gestolen, acht de rechtbank onvoldoende om uit te gaan van de juistheid van die stelling. De bij de stukken gevoegde Noorse aangiftes en getuigenverklaring van een beveiligingsmedewerker omschrijven in algemene zin drie diefstallen, zonder dat de verdachte op grond van deze stukken of bewijsmiddelen in het dossier als pleger van die diefstallen kan worden aangemerkt. Dat in de Noorse stukken wordt gesproken over ‘de verdachte’ in combinatie met het feit dat het rechtshulpverzoek aan Noorwegen is gedaan ten aanzien van de verdachte acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het de verdachte is geweest die de door hem in zijn koffer meegevoerde voorwerpen heeft gestolen.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te concluderen dat de in de koffer van de verdachte aangetroffen voorwerpen afkomstig zijn uit een door hemzelf gepleegd misdrijf.
Juridisch kader witwassen uit enig misdrijf
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft ook overigens geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen goederen en geldbedragen. Nu op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de aangetroffen voorwerpen en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat deze voorwerpen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen (stap 1). Als zo’n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (stap 2). Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte vanaf het begin een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de voorwerpen (stap 3). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het witwasvermoeden (stap 1)
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte is op 2 november 2025 op de luchthaven Schiphol aangehouden. In zijn koffer werden onder meer meerdere Samsung telefoons, iPhones, elektronica, parfums en andere cosmeticaproducten aangetroffen. Een deel van deze voorwerpen was geseald of voorzien van prijskaartjes. Alle voorwerpen waren nieuw. Sommige mobiele telefoons waren gevouwen in een servet met daarop het model en serienummer geschreven. Gelet op de wijze van aantreffen van deze voorwerpen, de hoeveelheid voorwerpen en de hoge waarde die deze voorwerpen vertegenwoordigen, in combinatie met het gegeven dat de verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor vermogensfeiten, acht de rechtbank een vermoeden van witwassen ten aanzien van de voorwerpen in zijn koffer gerechtvaardigd.
Ten aanzien van de onder de verdachte aangetroffen geldbedragen van in totaal ruim € 3.000,00, oordeelt de rechtbank anders. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte beschikte over een inkomen en andere (spaar)gelden. Het aangetroffen totaalbedrag is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig hoog dat dit in het onderhavige geval een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen zal de verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken.
De verklaring van de verdachte (stap 2)
Gelet op het vermoeden van witwassen ten aanzien van de telefoons, cosmetica en elektronica mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de in zijn koffer aangetroffen voorwerpen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
De verdachte heeft een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – neerkomt op het volgende. De verdachte heeft de onder hem aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen in Noorwegen gekocht. Hij was voornemens een klein bedrijfje op te richten en wilde (in ieder geval) de in Noorwegen gekochte telefoons in Nederland doorverkopen. De aankoop in Noorwegen heeft de verdachte met contant geld gedaan. Dat geld had hij beschikbaar nadat Justitie een geldbedrag aan hem had uitgekeerd, hij had verder gespaard en vervolgens contant geld vanuit Nederland meegenomen naar Noorwegen, om daar de betreffende aankopen te doen.
De verdachte heeft ter onderbouwing van de legale herkomst van de onder hem aangetroffen voorwerpen een factuur aan het onderzoeksteam overgelegd. Hierop staat de aankoop van in totaal dertien Samsung telefoons vermeld. Deze zouden op 1 november 2025 zijn gekocht bij de Eikshop AS te Oslo. Ten aanzien van een aantal parfums heeft de verdachte een kassabon overgelegd aan de rechter-commissaris. Hierop staat de aankoop van in totaal vijf parfums vermeld. Deze zouden op 1 november 2025 zijn gekocht bij een winkel in Oslo.
De verklaring die de verdachte heeft gegeven ten aanzien van de Samsung telefoons, onderbouwd met de factuur van Eikshop AS, acht de rechtbank concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Hier gaat de rechtbank nader op in onder stap 3.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van de overige onder hem aangetroffen voorwerpen niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de overgelegde kassabon van parfums overweegt de rechtbank dat de op deze kassabon vermelde parfums andere parfums betreffen dan de parfums die in de koffer van de verdachte zijn aangetroffen. Deze kassabon kan daarom niet dienen ter onderbouwing van de legale herkomst van de in de koffer aangetroffen parfums.
De verdachte heeft derhalve – behoudens ten aanzien van de Samsung telefoons – onvoldoende tegenwicht geboden tegen het vermoeden van witwassen, zodat geen aanleiding bestaat tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat deze ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Onderzoek naar de herkomst van de Samsung telefoons (stap 3) Het Openbaar Ministerie heeft nader onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de in zijn koffer aangetroffen Samsung telefoons op 1 november 2025 heeft gekocht bij Eikshop AS te Oslo. Uit dit onderzoek is gebleken dat de genoemde winkel niet bestaat en de factuur vermoedelijk is vervalst. De factuur kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dienen ter weerlegging van het witwasvermoeden.
De rechtbank acht de resultaten van het door het Openbaar Ministerie verrichte nadere onderzoek van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat ook de onder de verdachte aangetroffen Samsung telefoons onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Conclusie
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde witwassen. Daarbij acht de rechtbank het witwassen van de onder dit feit genoemde geldbedragen niet bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op 2 november 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een flesje appelsap dat aan Stach toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 2 november 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telefoons en cosmetica en elektronica heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3.
hij op 5 april 2025 te Amsterdam een horloge dat aan Breitling Boutique toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op 31 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een horloge dat aan ARA Schiphol toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op 13 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, parfums die aan Kappe Schiphol toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6.
hij op 5 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, parfums die aan Kappe Schiphol toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
7.
hij op 8 september 2025 te Zwolle een telefoon die aan Mediamarkt toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 3 tot en met 7, telkens:
diefstal;
feit 2:
witwassen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de duur van 2 jaren zal worden geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD-maatregel), zonder aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte niet de ISD-maatregel op te leggen. De verdachte heeft hulp nodig en kan deze niet of onvoldoende krijgen binnen de ISD-maatregel. Ten aanzien van de duur van een op te leggen gevangenisstraf heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan zes winkeldiefstallen. Bij vijf van deze diefstallen heeft hij voorwerpen weggenomen die een hoge waarde vertegenwoordigen: dure horloges, een telefoon en parfums. De verdachte heeft daarmee laten zien totaal geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De verdachte heeft enkel uit eigen financieel gewin de benadeelden schade berokkend en overlast bezorgd.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot aantal voorwerpen, waaronder telefoons, parfums en elektronica. Witwassen is een ernstig strafbare feit. Het witwassen van voorwerpen is een ondermijnende vorm van criminaliteit die het financiële en economische verkeer aantast. Witwassen draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit; het dekt immers de onderliggende strafbare feiten af en faciliteert aldus andere – winstgevende – vormen van criminaliteit.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 26 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds 2008 veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke, overlast gevende feiten. Op het strafblad van de verdachte staan ook veroordelingen voor diefstallen gepleegd in diverse Europese landen. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 25 augustus 2026 van T. van Jaarsveld, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, en de ter terechtzitting door haar en B.A.M. Knubben, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gegeven toelichting op dat rapport. Hieruit leidt de rechtbank onder meer af dat het delictgedrag van de verdachte, in het bijzonder het plegen van diefstallen, (mede) is gelegen in persoonlijkheidsproblematiek. In eerdere reclasseringstoezichten zijn door de jaren heen pogingen gedaan om klinische en ambulante behandeling gericht op recidivevermindering in te zetten. Deze pogingen zijn niet geslaagd, onder meer omdat sprake is geweest van recidive tijdens behandeltrajecten en van detenties, maar ook omdat sprake was van onttrekking aan behandeling. De mogelijkheden om gedragsverandering of risicovermindering te bewerkstelligen zijn uitgeput. Namens Reclassering Nederland wordt geadviseerd aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Het advies is ter terechtzitting door de deskundigen gehandhaafd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank is, gelet op bovengenoemde omstandigheden, van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd. Gelet op de bewezenverklaarde feiten, de eerdere veroordelingen van de verdachte en het gebrek aan succesvolle behandeling (van de problematiek) van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel op dit moment aangewezen en noodzakelijk is om de maatschappij tegen het gedrag van de verdachte te beschermen. De rechtbank ziet gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en de daaromtrent gegeven toelichting ter terechtzitting geen reëel, minder ingrijpend alternatief. De oplegging van een straf, en de verdachte in staat stellen om zelfstandig een hulptraject te volgen zoals door de raadsman bepleit, ziet de rechtbank gelet op het als hoog ingeschatte recidiverisico niet als een reëel alternatief.
Aan de vereisten om tot oplegging van de ISD-maatregel over te kunnen gaan, is voldaan. (i) De door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, (ii) de verdachte is in de afgelopen vijf jaren meer dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en taakstraffen, (iii) onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan, (iv) er moet (mede gelet op het reclasseringsrapport van 25 augustus 2026) ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en (v) de veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel. Ook is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie. De verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van de onderliggende feiten.
Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht.
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 5, 6 en 8 tot en met 33 en 35 vermelde voorwerpen, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.
7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten
de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 genoemde geldbedragen en
de op de beslaglijst onder 7, 34 en 36 genoemde tassen en boxershorts,
dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 26 februari 2025 in de zaak met parketnummer 13/058003-25 heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam de verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 2 jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 18 maart 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 13 maart 2025.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank, indien zij de eis van de officier van justitie volgt om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen, de vordering tot tenuitvoerlegging van deze straf zal afwijzen.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen. Gelet op de aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel, acht de rechtbank tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf niet opportuun.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 38m, 38n, 57, 63, 310, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 5, 6 en 8 tot en met 33 en 35 vermelde voorwerpen.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4, 7, 34 en 36 vermelde voorwerpen.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/058003-25 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.J. de Vries, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.