ECLI:NL:RBNHO:2026:12205

ECLI:NL:RBNHO:2026:12205

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 15-134035-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke uitvoer van bijna zes kilogram cocaïne. De rechtbank gaat voor de strafmaat uit van de uitvoer van ongeveer drie kilogram cocaïne, de hoeveelheid die de verdachte in zijn eigen koffer vervoerde, en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-134035-26 (P)

Uitspraakdatum: 10 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S.P. Visser, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.T. Leigh, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 mei 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de uitvoer van 2,9 kilogram cocaïne bewezen kan worden, maar dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Volgens de raadsman is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de [medeverdachte] .

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering medeplegen

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte wist dat hij drugs vervoerde en ook dat hij wist dat de medeverdachte drugs vervoerde.

De vraag die in deze zaak voorligt, is of bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger betrokken was bij de opzettelijke uitvoer van cocaïne. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte samen met de medeverdachte (zijn oom) vanuit Chili via Frankrijk naar Nederland is gereisd. In Nederland verbleven de verdachte en de medeverdachte enkele dagen in dezelfde kamer van het Y Hostel in Amsterdam. Op 8 mei 2026 verlieten zij samen het hostel en gingen zij naar Schiphol. Op Schiphol hebben de verdachte en de medeverdachte beiden een koffer ingecheckt. Beide koffers zijn vervolgens door de douane gecontroleerd, waarbij in de grijze koffer van de verdachte 2998,2 gram cocaïne werd aangetroffen en in de zwarte koffer van de medeverdachte 2991,5 gram cocaïne werd aangetroffen. In beide koffers was de cocaïne op gelijke wijze verpakt en verborgen, namelijk in een dubbele binnenkant aan weerszijden van de koffer, en verdeeld in twee pakketten die elk weer uit twee pakketten bestonden, met nagenoeg hetzelfde gewicht per pakket.

Nadat de verdachte en de medeverdachte werden aangehouden, zijn bij de medeverdachte de bewijzen van het inchecken van beide koffers (de claimtags) aangetroffen. Ook is de mobiele telefoon van de medeverdachte in beslag genomen en onderzocht. Op die telefoon is een Whatsapp gesprek aangetroffen met een contact genaamd “ [naam 1] ”. Het contact schrijft “hola tio soy [naam 2] ” en stuurt vervolgens op 8 mei 2026 een adres in Hong Kong. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dit bericht aan de medeverdachte heeft gestuurd. Verder is een afbeelding op de telefoon van de medeverdachte aangetroffen, waarop de verdachte met de twee koffers waarin de cocaïne is aangetroffen te zien is. De foto is op 4 mei 2026 gemaakt. Daarnaast is er nog een Whatsapp gesprek met het contact “ [naam 3] ” in de telefoon aangetroffen. [naam 3] heeft op 8 mei 2026 een afbeelding gestuurd waarop een e-ticket voor een vlucht van Amsterdam naar Hong Kong voor zowel de verdachte als de medeverdachte te zien is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge verband en samenhang bezien, volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen, waaronder de medeverdachte, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van de uitvoer van de cocaïne, zodat sprake is van medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 8 mei 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Hoewel sprake is van medeplegen van uitvoer van ongeveer 6 kilogram cocaïne, heeft de officier van justitie in zijn strafeis rekening gehouden met de uitvoer van ongeveer 3 kilogram cocaïne, zijnde de hoeveelheid die de verdachte in zijn eigen koffer vervoerde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte slechts een koerier was, geen grote hoeveelheid heeft gesmokkeld en enkel een belang had bij het vervoeren van de cocaïne verborgen in zijn eigen koffer. Ook heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het is een jonge verdachte en het ten laste gelegde heeft hij enkel begaan om (financieel) te kunnen zorgen voor zijn familie. Daar komt bij dat hij direct bij zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven en heeft meegewerkt. De raadsman heeft verzocht om in lijn met de recente uitspraken van deze rechtbank in koerierszaken aan de verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan als uitgangspunt wordt genomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Ook het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat van de LOVS oriëntatiepunten kan worden afgeweken op grond van persoonlijke omstandigheden. De raadsman acht een gevangenisstraf van 18 maanden passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke uitvoer van bijna zes kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en gehandeld uit eigen financieel belang.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op wat de verdachte op de zitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij het ten laste gelegde heeft begaan zodat hij, met het geld dat hij voor het afleveren van de drugs in Hong Kong zou krijgen, zijn moeder en broertje uit een huiselijk geweld situatie zou kunnen weghalen en bij hem zou kunnen laten wonen.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het LOVS. Daarbij gaat de rechtbank, net als de officier van justitie, uit van de uitvoer van ongeveer drie kilogram cocaïne. Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt daarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden. Naast de hoeveelheid cocaïne heeft de rechtbank meegewogen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van genoemd uitgangspunt, en acht de rechtbank in deze zaak een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Doesburg, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. M.S. Neervoort, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. S.D.C. Schoenmaker en mr. J. Teiwes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. van Doesburg
  • mr. A. Buiskool
  • mr. M.S. Neervoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand