ECLI:NL:RBNHO:2026:12206

ECLI:NL:RBNHO:2026:12206

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 15-099257-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Onderzoek Dikkiedik. Procesafspraken. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van een grote hoeveelheid cocaïne en aan voorbereidingshandelingen die zagen op de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. De verdachte wordt – conform de procesafspraken – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden , met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-099257-25 (P)

Uitspraakdatum: 10 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[detentieadres] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 17 maart 2020, althans in de periode van 17 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4, van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 tot en met 8 mei 2020 te Purmerend en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstig redenen had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),immers heeft hij, verdachte,- een telefoon, voorzien van de applicatie Sky ECC en het account [account 1] voorhanden gehad en/of gebruikt en/of- via die telefoon en/of dat account (in één of meerdere groepschats) met de gebruiker(s) van het/de account(s) [account 2] en/of [account 3] berichten en/of informatie en/of afbeeldingen gedeeld en/of uitgewisseld inzake (de mogelijkheden tot) het vervoeren van “20.000 stuks” cocaïne, van Zuid-Amerika naar Nederland, verborgen in een zeekbok/zeekraan en/of om dit meermaals per jaar te (gaan) doen.

2. Procesafspraken en de beoordeling daarvan

In deze zaak zijn tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken gemaakt waarvan een gezamenlijk voorstel voor de in de strafzaak uit te spreken bewezenverklaring, bijbehorende kwalificatie en sanctieoplegging deel uitmaken (hierna: de procesafspraken).

Het verloop van de procesafspraken

Over de totstandkoming van de procesafspraken stelt de rechtbank op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken het volgende vast.

Op de pro forma zitting van 22 december 2025 heeft de officier van justitie medegedeeld dat partijen een principeakkoord hebben bereikt over procesafspraken. De rechtbank heeft een afschrift ontvangen van een raamovereenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte. Deze overeenkomst is op 2 maart 2026 door de verdachte en de raadsman ondertekend en op 3 maart 2026 door de officier van justitie. In de overeenkomst is vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging meerwaarde zien in het maken van procesafspraken.

Inhoud procesafspraken

De raamovereenkomst bevat de navolgende afspraken:

Beoordeling van de procesafspraken

Op de zitting van 27 augustus 2026 heeft de rechtbank de procesafspraken, zoals deze zijn weergegeven in de raamovereenkomst, met de partijen besproken. Op enkele punten heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd en gekregen. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van de verdachte aan de orde gesteld. De verdachte heeft aangegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij heeft de rechtbank de verdachte uitdrukkelijk bevraagd op zijn vrijwilligheid bij de totstandkoming. De verdachte heeft aangegeven volledig achter de afspraken te staan en de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan. Daarbij is hij van voldoende informatie voorzien. Ook heeft de verdachte kenbaar gemaakt dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken met het Openbaar Ministerie te maken. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot deze overeenkomst te komen, voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in de raamovereenkomst is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

3. Beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze strafzaak voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en zij daaraan ook niet is gebonden. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regelingen en de eisen van een eerlijk proces. Dat betekent dat de rechtbank de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in dit vonnis zelfstandig zal beantwoorden.

4. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen verweren gevoerd en verzocht de zaak af te doen zoals in de raamovereenkomst is overeengekomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist. De bewijsmiddelen zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 hij op 17 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

feit 2 hij in de periode van 9 april 2020 tot en met 8 mei 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen, - anderen heeft getracht te bewegen om dat feiten mede te plegen en daarbij behulpzaam te zijn en daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, en- zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte,- een telefoon, voorzien van de applicatie Sky ECC en het account [account 1] voorhanden gehad en gebruikt, en- via die telefoon en dat account in groepschats met de gebruikers van de accounts [account 2] en [account 3] berichten en informatie en afbeeldingen gedeeld en uitgewisseld inzake het vervoeren van “20.000 stuks” cocaïne, van Zuid-Amerika naar Nederland, verborgen in een zeekraan, om dit meermaals per jaar te gaan doen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander te trachten te bewegen, daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

7. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, in overeenstemming met de procesafspraken, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de zaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van een grote hoeveelheid cocaïne en aan voorbereidingshandelingen die zagen op de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, waaronder levensdelicten. Ook vormt de handel en verspreiding een bedreiging voor de volksgezondheid. De verdachte heeft een organiserende en sturende rol gehad, en daarmee een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van de criminele drugshandel.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten. Ook is de verdachte op 18 maart 2021 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het witwassen van bijna 5 miljoen euro, gepleegd vlak na de onderhavige ten laste gelegde feiten.

De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij de bepaling hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 63 Sr in verband met de voornoemde veroordeling van 18 maart 2021.

Gelet op het voorgaande zou de rechtbank, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 90 maanden passend en geboden achten. De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die nopen tot een andere afweging die resulteert in een lagere gevangenisstraf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot een efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdwinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.

De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf van 60 maanden komt neer op vermindering van de straf met één derde deel. Deze matiging van maximaal één derde deel is bij procesafspraken geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevangenisstraf die in de procesafspraken is overeengekomen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarbij heeft vervuld. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Buiskool, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. S.D.C. Schoenmaker en mr. J. Teiwes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Buiskool
  • mr. M.S. Neervoort
  • mr. M. van Doesburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand