RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/313162-20 (ontneming)
Uitspraakdatum: 25 augustus 2026
Tegenspraak (279 Sv)
Dit vonnis heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 29 april 2025, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .
1. Vordering en procesverloop
In de schriftelijke vordering van 29 april 2025 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal vaststellen op € 416.223,30 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het onderhavige vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 juni 2025 en 25 augustus 2026.
2. Schikking ex artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
De officier van justitie heeft op de zitting van 25 augustus 2026 medegedeeld dat zij met de veroordeelde een schriftelijke schikking heeft getroffen op grond van artikel 511c Sv. De schikkingsovereenkomst met bijlage is door de veroordeelde ondertekend op 25 juni 2026 en door de officier van justitie op 30 juni 2026. De officier van justitie heeft deze overeenkomst met bijlage voorafgaand aan de terechtzitting van 25 augustus 2026 aan de rechtbank doen toekomen.
De schikkingsovereenkomst houdt (onder andere) in dat aan de veroordeelde is aangeboden een ontnemingsvordering achterwege te laten dan wel een verdere behandeling van de aanhangige ontnemingszaak achterwege te laten c.q. deze van rechtswege te laten beëindigen, als door de veroordeelde aan de hieronder vermelde voorwaarden is voldaan:
- De veroordeelde draagt over aan de Staat der Nederlanden (de Staat) 2,1 kilogram goud
(KVI goednummer PL-2700-20-093770-61).
Nadere bepalingen van de schikkingsovereenkomst
- De veroordeelde verklaart uitdrukkelijk af te zien van ieder mogelijk bestaand recht op een fiscale aftrekmogelijkheid en dat hij zich aan deze verklaring zal houden als de Belastingdienst zich op deze verklaring beroept.
- De veroordeelde doet afstand van de mogelijkheid tot het doen van een verzoek tot c.q. het vorderen van schadevergoeding of vergoeding van kosten, waaronder ook begrepen kosten van rechtsbijstand en rentevergoedingen, jegens de Staat in welke vorm of op welke grond dan ook gebaseerd op of gerelateerd aan de ontnemingszaak binnen het strafrechtelijk onderzoek aangeduid met het hierboven genoemde parketnummer en alle daaruit voortgevloeide en nog voortvloeiende gevolgen, van welke aard dan ook. Dit betekent onder meer — maar niet uitsluitend — dat de veroordeelde geen verzoeken zal doen in de zin van artikel 6:3:7 Sv en/of artikel 6:4:18 Sv en geen schadevergoedingsacties zal starten over het in het strafrechtelijk onderzoek aangeduid met het hierboven genoemde parketnummer gelegde (conservatoir) beslag.
- Na voldoening aan de termen van deze schikking, zal het Openbaar Ministerie (OM) het resterende conservatoir beslag opheffen, zijnde het pand en de berging aan [adres 2] . Het conservatoir beslag op het geldbedrag wordt eveneens opgeheven. Vanwege het door de belastingdienste gelegde beslag onder het OM, zal er geen terugbetaling volgen aan de veroordeelde maar afdracht aan de Belastingdienst.
- De veroordeelde staat ervoor in dat de in het voorgaande genoemde aan de Staat over te dragen voorwerpen aan hem toebehoren en/of dat hij ten aanzien daarvan beschikkingsbevoegd is en dat er geen beperkte rechten en/of beslagen op rusten. Ingeval een derde/ander aanspraak maakt op een dergelijk voorwerp dan wel de verkoopopbrengst daarvan dan wel daarvoor schadevergoeding vordert, dan komt en blijft dit voor rekening en risico van de veroordeelde. Hij vrijwaart de Staat ter zake en zal de Staat in voorkomend geval compenseren voor alle geleden en nog te lijden schade, waaronder ook begrepen de kosten die met het voeren van eventuele procedures tegen de derde/ander gepaard gaan.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gelet op deze schikking te bepalen dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
3. Beoordeling
In het stelsel van strafvordering ligt besloten dat een eenmaal aangevangen ontnemingsprocedure wordt afgesloten met een rechterlijke beslissing op de vordering. Een uitzondering hierop kan alleen worden aangenomen in die gevallen waarin de wet expliciet regelt dat deze hoofdregel niet van toepassing is. In het geval van een ontnemingsvordering geldt deze uitzondering wanneer een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv tot stand is gekomen en aan de termen van die schikking door betrokkene is voldaan. In artikel 6:4:18 Sv is bepaald dat door voldoening aan de termen van de schikking, wanneer de ontnemingsvordering al is ingediend, zoals hier het geval is, de zaak van rechtswege is geëindigd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv met de veroordeelde is aangegaan ter ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schikkingsovereenkomst door de veroordeelde en de officier van justitie is ondertekend en dat aan de schikkingsvoorwaarden is voldaan door de veroordeelde. Dit heeft de officier van justitie ter terechtzitting van 25 augustus 2026 desgevraagd bevestigd. Daarom zal de rechtbank verstaan, zoals ook door de officier ter zitting is voorgesteld, dat de ontnemingsprocedure tegen de verdachte van rechtswege is geëindigd.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing
4. Beslissing
De rechtbank verstaat dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. Reemst, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.