RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/300851-25 (P)
Uitspraakdatum: 14 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 februari 2026, 11 mei 2026, 3 augustus 2026 en 31 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.W. van der Ploeg en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 313 Sv, ten laste gelegd dat:
1.
hij, op 10 augustus 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hazeldonk, gemeente Zundert en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 19 juni 2025 tot en met 10 augustus 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmeer en/of Hazeldonk, gemeente Zundert en/of Rotterdam althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonisch) contact te onderhouden en/of afspraken te maken en/of instructies te geven/ontvangen met of aan een of meer medeverdachte(n) omtrent de invoer van een hoeveelheid materiaal bevattende cocaïne en/of
- meermalen (telefonisch) contact te onderhouden met de (mede)verdachte [koerier 1] en/of één of meer onbekend gebleven personen omtrent de voorbereiding en/of voortgang van de reis van die [koerier 1] en/of
- geld over te maken ten behoeve van de reis en/of het verblijf van die [koerier 1] en/of
- instructies te geven over hoe te handelen bij aankomst in Frankrijk en/of Nederland en/of
de doorreis Frankrijk en/of in Nederland en/of
- instructies te geven over het verkrijgen en/of bewaren en/of afleveren van de verdovende middelen;
2.
hij, op of omstreeks 30 augustus 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 29 juli 2022 tot en met 30 augustus 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of in Amsterdam althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonisch) contact te onderhouden en/of afspraken te maken en/of instructies te geven/ontvangen met of aan een of meer medeverdachte(n) omtrent de invoer van een hoeveelheid materiaal bevattende cocaïne en/of
- meermalen (telefonisch) contact te onderhouden met de (mede)verdachte [koerier 2] en/of één of meer onbekend gebleven personen omtrent de voorbereiding en/of voortgang van de reis van die [koerier 2] en/of
- geld over te maken ten behoeve van de reis en/of het verblijf van die [koerier 2] en/of
- vervoer en/of verblijf voor die [koerier 2] te regelen en/of
- instructies te geven over hoe te handelen bij aankomst in Nederland en/of
- die [koerier 2] in contact te brengen met één of meer onbekend gebleven personen en/of te voorzien van een telefoonnummer ten behoeve van het verkrijgen van verdovende middelen en/of
- instructies te geven over het verkrijgen van de verdovende middelen;
3.
hij, op of omstreeks 21 november 2025 te Amsterdam al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
De rechtbank ziet aanleiding te duiden hoe zij de huidige redactie van de tenlastelegging ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit begrijpt.
Op 14 januari 2026 is de inleidende dagvaarding aan de verdachte uitgereikt. In de bij deze dagvaarding opgenomen tenlastelegging werd de verdachte onder feit 1 primair verweten dat hij zich in de periode van 19 juni 2025 tot en met 10 augustus 2025 meerdere keren schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne. De betreffende invoeren zijn in het procesdossier beschreven in zaaksdossiers B1 en B2. Subsidiair werd de verdachte onder dit feit verweten dat hij zich in dezelfde periode schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van deze invoeren van cocaïne.
Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging op de pro formazitting van 16 februari 2026 gewijzigd. Hierbij is het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit beperkt tot het medeplegen van één invoer van cocaïne, met als pleegdatum 10 augustus 2025. Deze invoer is in het procesdossier beschreven in zaaksdossier B1. De onder feit 1 subsidiair genoemde periode is niet aangepast.
Bovenstaande maakt dat de rechtbank, mede gelet op hoe de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten zich tot elkaar plegen te verhouden, de tenlastelegging zo begrijpt dat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen uitsluitend ziet op voorbereidingshandelingen ten behoeve van de invoer van cocaïne die op 10 augustus 2025 heeft plaatsgevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Het procesdossier bevat chatgesprekken tussen [koerier 1] , zijnde een koerier die op 10 augustus 2025 met cocaïne in zijn lijf Nederland binnen is gekomen, en de gebruiker van een telefoonnummer eindigend op 4238. Dit telefoonnummer wordt door het onderzoeksteam aan de verdachte toegeschreven. In juni en juli 2025 worden gesprekken tussen [koerier 1] en de gebruiker van 4238 gevoerd die uitgelegd zouden kunnen worden als gesprekken over de invoer van drugs in Nederland. Uit de inhoud van deze gesprekken volgt echter niet dat deze betrekking hebben op de invoer van cocaïne op 10 augustus 2025. Het procesdossier bevat ook geen verdere berichten die zien op de invoer van cocaïne op de in de tenlastelegging genoemde datum van 10 augustus 2025 of de voorbereiding daarvan.
[koerier 1] heeft over de invoer op 10 augustus 2025 een verklaring afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat degene van wie hij de opdracht kreeg om cocaïne in te voeren € 100,00 naar hem heeft overgemaakt. Het enkele feit dat de verdachte op 6 augustus 2025 een betaalverzoek van € 100,00 aan [koerier 1] heeft betaald, acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende om een organiserende rol van de verdachte bij de invoer op 10 augustus 2026 vast te stellen. De omstandigheid dat de verdachte € 150,00 aan de partner van [koerier 1] heeft betaald nadat [koerier 1] gedetineerd raakte, maakt dat niet anders.
Nu het dossier voor het overige geen redengevende, concrete feiten en omstandigheden bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet de verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Op 30 augustus 2022 is door een koerier genaamd [koerier 2] een hoeveelheid cocaïne in Nederland ingevoerd. Het procesdossier bevat chatgesprekken tussen [koerier 2] en de gebruiker van een telefoonnummer eindigend op 7332. Dit telefoonnummer wordt door het onderzoeksteam aan de verdachte toegeschreven. In het proces-verbaal wordt erop gewezen dat de namen waarmee telefoonnummer 7332 is opgeslagen in telefoons van andere personen wijst naar de verdachte. Daarnaast bevat het proces-verbaal de verklaring van twee verbalisanten, inhoudende dat zij de stem van de gebruiker van telefoonnummer 7332 herkennen als de stem van de verdachte. Uit de chatgesprekken tussen [koerier 2] en telefoonnummer 7332 zou de betrokkenheid van de verdachte bij de invoer door [koerier 2] volgen.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De gestelde stemherkenning is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 164 e.v.). In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen is opgenomen dat de stem van de verdachte niet door één maar door twee verbalisanten is herkend. Op basis van deze stukken is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk welke spraakberichten van de gebruiker van telefoonnummer 7332 de verbalisanten hebben beluisterd, en wat de duur en geluidskwaliteit van die fragmenten is geweest. Evenmin is duidelijk in hoeverre de verbalisanten deskundig zijn op het gebied van stemherkenningen. Gelet op deze omstandigheden tezamen, voldoet de gestelde stemherkenning naar het oordeel van de rechtbank niet aan de daaraan te stellen eisen en kan deze niet worden gebruikt voor het bewijs.
De overige bevindingen, inhoudende dat telefoonnummer 7332 in telefoons van anderen staat opgeslagen met (bij)namen die zouden kunnen duiden op de voornaam van de verdachte, acht de rechtbank, gelet ook op de algemeenheid van deze (bij)namen, onvoldoende om de verdachte aan te merken als de gebruiker van het telefoonnummer.
Nu het dossier ook ten aanzien van deze verdenking geen verdere redengevende, concrete feiten en omstandigheden bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet de verdachte tevens van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 21 november 2025 te Amsterdam opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder de verdachte in beslag genomen geld zal worden verbeurdverklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, in het geval de rechtbank komt tot bewezenverklaring van niet alleen feit 3, maar ook feit 1 of feit 2, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. De raadsman heeft verzocht het onder de verdachte in beslag genomen geld aan hem terug te geven.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 129 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt en in veel gevallen tot verslaving aan het gebruik daarvan leidt. Gezien de hoeveelheid harddrugs die de verdachte in zijn bezit heeft gehad, moet dat bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de drugshandel die gepaard gaat met vele andere vormen van (ondermijnende) criminaliteit, waaronder ernstige geweld- en levensdelicten.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 5 augustus 2026. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. De rechtbank heeft ook gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 6 mei 2026.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de straffen die ten aanzien van dit soort feiten in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zes maanden moet worden opgelegd.
7. Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen, zoals op de in het dossier gevoegde beslaglijst onder 1 tot en met 7 vermeld, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Van een verband tussen deze geldbedragen en het bewezenverklaarde feit is niet gebleken.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 7 vermelde geldbedragen.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.