RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/155017-26, 15/306254-25 (gev. ttz), 15/124764-24 (tul) en
23/001582-22 (tul)
Uitspraakdatum: 3 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De zaak met parketnummer 15/155017-26 wordt hierna aangeduid als zaak A.
De zaak met parketnummer 15/306254-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Lommers, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Pedrotti, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is het volgende ten laste gelegd.
Ten aanzien van zaak A
feit 1: belaging van [slachtoffer A] in de periode van 22 februari 2026 tot en met 30 mei 2026 in Enkhuizen;
feit 2: bedreiging van [slachtoffer A] op 8 mei 2026 in Enkhuizen;
feit 3: opzettelijk aanwezig hebben van 45,07 gram amfetamine op 30 mei 2026 in Hoorn;
Ten aanzien van zaak B
feit 1: opzettelijk aanwezig hebben van 35,69 gram amfetamine op 10 juni 2025 in Hoorn;
feit 2: opzetheling dan wel schuldheling van een fiets op 5 juni 2025 in Enkhuizen;
feit 3: diefstal van een fiets op 24 mei 2025 in Bovenkarspel.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
Voor wat betreft de in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw verweer gevoerd met betrekking tot de ten laste gelegde periode en het binnendringen van de woning. Wat betreft de ten laste gelegde periode is aangevoerd dat na de 52 bankoverschrijvingen van 22 februari 2026 de verdachte en [slachtoffer A] het weer hebben bijgelegd. De verdachte verbleef toen ook (weer) bij [slachtoffer A] in de woning. Dit maakt dat slechts een kortere periode bewezen kan worden, namelijk de periode vanaf het moment dat het voor de verdachte duidelijk was dat [slachtoffer A] geen contact meer met hem wilde, zijnde 1 mei 2026. De verdachte ontkent verder stellig dat hij in de ten laste gelegde periode de woning van [slachtoffer A] is binnengedrongen. Volgens de verdachte zijn de camerabeelden van vóór de ten laste gelegde periode.
De raadsvrouw heeft verder vrijspraak bepleit voor de in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Het verweer ten aanzien van feit 2 komt erop neer dat de verdachte niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets was gestolen. Wat betreft feit 3 ontkent de verdachte dat hij de fiets heeft gestolen, terwijl het dossier onvoldoende bewijs bevat om te komen tot diefstal.
Oordeel van de rechtbank
Bewijs
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat. Aangezien de verdachte de in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit bekent en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoeft de bewezenverklaring van deze feiten geen nadere motivering.
Bewijsmotivering en bespreking van de verweren
3.3.2.1 Ten aanzien van zaak A onder 1 (belaging van [slachtoffer A])
De verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer A] in de periode van 22 februari 2026 tot en met 30 mei 2026 heeft belaagd. Er is — kort gezegd — sprake van belaging, ook wel stalking genoemd, als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wanneer iemand opzettelijk een ander herhaaldelijk lastig valt waardoor een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die persoon. Het kan daarbij gaan om een herhaling van dezelfde activiteit, maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Bij de beoordeling of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De periode van belaging Uit het dossier en wat op zitting is besproken blijkt dat [slachtoffer A] de verdachte in februari 2026 heeft geblokkeerd op WhatsApp. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat [slachtoffer A] geen contact met de verdachte wilde hebben. Desondanks heeft de verdachte op 22 februari 2026 52 keer € 0,01 overgeschreven naar [slachtoffer A] via de bank en daarbij teksten gezet als ‘je moet me uit blok halen op whatsapp’, ‘jij gaat niet op deze manier afstand doen van mij’, ‘heb iemand allang over poort laten kijken nu mij bellen of ik vlieg serieus door deur heen’ en ‘[voornaam slachtoffer A] nog paar uurtjes dan heb je hier spijt van’. Ook op 26 april 2026 zijn er acht bankoverschrijvingen gedaan met vergelijkbare teksten, waaruit volgt dat de verdachte door [slachtoffer A] – nog steeds of weer – was geblokkeerd op WhatsApp. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat de verdachte ook op 22 februari 2026 en op 26 april 2026 tegen de uitdrukkelijke wil van [slachtoffer A] contact heeft gezocht en zij daardoor gedwongen werd dit contact te dulden. De aard, inhoud en hoeveelheid van de berichten maken naar het oordeel van de rechtbank een zodanige intense en indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer A] dat op 22 februari 2026 al sprake was van belaging. Dat het na 22 februari 2026 ook een periode relatief rustig is geweest, neemt de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid van het opgedrongen contact op 22 februari 2026 en 26 april 2026 – en dus in de ten laste gelegde periode - niet weg. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer over de periode van de belaging.
Binnendringen van de woning
Anders dan de verdachte stelt, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de woning van [slachtoffer A] is binnengedrongen. Allereerst heeft [slachtoffer A] in haar aangifte verklaard dat de verdachte op 7 mei 2026 zonder haar toestemming in haar woning is geweest en dat zij dat heeft gezien op de camerabeelden. Uit het proces-verbaal van 19 mei 2026 (dossierpagina’s 94 e.v.) en onder verwijzing naar het daarbij behorende fotoblad, volgt dat de persoon te zien op de camerabeelden (NN1) op 7 mei 2026 om 03:49:50 uur de woning van [slachtoffer A] betreedt. Op het screenshot van de camerabeelden staat immers ‘2026-05-07 03:49:50’. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf heeft herkend op deze camerabeelden en dat op de beelden te zien is dat hij de woning van [slachtoffer A] binnengaat. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de tijd- en datumaanduiding van de camerabeelden en de verklaring van [slachtoffer A]. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer en acht bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode de woning van [slachtoffer A] is binnengedrongen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte [slachtoffer A] in de periode van 22 februari 2026 tot en met 30 mei 2026 heeft belaagd. De door de raadsvrouw gevoerde verweren vinden weerlegging in wat hiervoor is besproken en in de bewijsmiddelen.
3.3.2.2 Ten aanzien van zaak B onder 2 (heling van een fiets)
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van een elektrische fiets.
De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed, wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende. Bij schuldheling gaat het om de vraag of de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door misdrijf was verkregen.
Uit het dossier en wat op zitting is besproken, blijkt dat de verdachte op 5 juni 2025 is aangetroffen op een elektrische fiets met een doorgeslepen slot en zonder sleutel. De verdachte heeft eerst tegenover de politie verklaard dat hij de fiets van een niet nader genoemd persoon heeft gekocht voor € 300,- in contanten. Later, op 11 juni 2025, heeft de verdachte aan de politie alsook op de zitting een andere verklaring gegeven, namelijk dat hij de fiets zou hebben gekregen. Van wie hij de fiets heeft gekregen, heeft de verdachte niet concreet gemaakt. Bij gebreke aan een geloofwaardige en verifieerbare verklaring voor het voorhanden hebben van de elektrische fiets, mede gelet op de omstandigheden waaronder de fiets is aangetroffen, kan het niet anders dan dat de verdachte bij het verkrijgen van de fiets wist dat deze van een misdrijf afkomstig was.
Het door de raadsvrouw gevoerde verweer vindt weerlegging in wat hiervoor is besproken en in de bewijsmiddelen. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de - impliciet primair - ten laste gelegde opzetheling.
3.3.2.3 Ten aanzien zaak B onder 3 (diefstal van een lokfiets)
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak van een elektrische fiets, zijnde een lokfiets van de Politie Noord-Holland.
Uit het dossier en wat op zitting is besproken volgt dat de lokfiets in de vroege ochtend van 24 mei 2025 is weggenomen en daarna direct naar een garagebox gelegen aan de [A-straat] in [gemeente] is gebracht. Naar aanleiding van bewegingsmeldingen heeft de politie vastgesteld dat de fiets daarna voor het eerst weer in beweging is gekomen op 27 mei 2025, waarna de politie de fiets heeft aangetroffen in de garagebox van de verdachte.
De verdachte heeft steeds wisselend verklaard over wat er met de fiets gebeurd zou zijn. Hij heeft op 27 mei 2025 tegenover de politie verklaard dat hij de fiets twee weken eerder heeft gekocht voor € 400,-, op 11 juni 2025 heeft de verdachte in zijn verhoor verklaard dat hij de fiets drie weken eerder voor € 450,- heeft gekocht van een particulier en op zitting heeft hij verklaard dat hij de fiets vier dagen voor 27 mei 2025 heeft gekocht en dat iemand anders de fiets in zijn garagebox heeft neergezet. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaring van de verdachte op 27 mei 2025, dat hij de fiets twee weken eerder had gekocht, niet kan kloppen nu de fiets pas op 24 mei 2025 is weggenomen. De nieuwe verklaring van de verdachte op zitting heeft de verdachte op geen enkele manier geconcretiseerd of aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft de verdachte nog altijd geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat de fiets op 24 mei 2025 rechtstreeks van de plek waar hij werd weggenomen is gegaan naar de Korenmolenlaan, waar de fiets later in de garagebox van de verdachte is aangetroffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maken, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de fiets zelf heeft weggenomen en naar zijn garagebox heeft gebracht.
Het door de raadsvrouw gevoerde verweer vindt weerlegging in wat hiervoor is besproken en in de bewijsmiddelen en de rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte op 24 mei 2025 de elektrische fiets heeft gestolen door middel van braak.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van zaak A
feit 1: hij in de periode 22 februari 2026 tot en met 30 mei 2026 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer A] door:
- intimiderende en bedreigende en dwingende en beledigende voicemailberichten en e-mailberichten naar die [slachtoffer A] te sturen en
- binnen te dringen in en zich te begeven rondom de woning van die [slachtoffer A] en
- bedragen van 0,01 cent over te maken naar de bankrekening van die [slachtoffer A] met een begeleidende tekst en
- handgeschreven briefjes door de brievenbus van die [slachtoffer A] te gooien en
- berichten aan [persoon B] te sturen gerelateerd aan die [slachtoffer A], met het oogmerk die [slachtoffer A] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen;
feit 2: hij op 8 mei 2026 in Nederland [slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer A] dreigend de woorden toe te voegen: "ik snij echt die keel door ouwe" en "als je nou niet opneemt dan brand ik dat hele huis tot aan de fundering plat ouwe" en "je gaat nou opnemen, want ik vermoord je kreng";
feit 3: hij op 30 mei 2026 te Hoorn opzettelijk 45,07 gram amfetamine aanwezig heeft gehad;
Ten aanzien van zaak B
feit 1: hij op 10 juni 2025 te Hoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad 35,69 gram amfetamine;
feit 2: hij op 5 juni 2025 te Enkhuizen een fiets (Vilette E- 8600, kleur blauw), voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
feit 3: hij op 24 mei 2025 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, een fiets (elektrische Gazelle, kleur zwart/grijs, GZ 62110511), die aan Politie Noord-Holland toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A
feit 1: belaging;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van zaak B
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: opzetheling;
feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer A] en [persoon B] en een locatieverbod gelijk aan de geadviseerde bijzondere voorwaarde. De officier van justitie heeft gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een straf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van zijn ex-partner. In een periode van drie maanden heeft hij stelselmatig inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer A] gebeld en gemaild, voicemailberichten ingesproken en berichten via bankoverschrijvingen gestuurd. Daarnaast is hij bij haar woning langs gegaan en heeft hij briefjes in de brievenbus gedaan. Veel berichten waren zeer dreigend en indringend van aard. Door zich zo te gedragen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer A]. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen gevoelens zonder zich te bekommeren over de gevolgen voor [slachtoffer A]. Het gedrag van de verdachte is uiterst onaangenaam en ook beangstigend voor [slachtoffer A] geweest, zo blijkt ook uit haar slachtofferverklaring. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal en opzetheling van twee (elektrische) fietsen waarmee hij heeft aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs, namelijk 35,69 gram respectievelijk 45,07 gram amfetamine. Het bezit van harddrugs is een ernstig feit. Harddrugs kunnen niet alleen grote gezondheidsschade toebrengen aan de gebruiker, ook gaan de productie en de handel ervan gepaard met ernstige criminaliteit, reden waarom op het bezit daarvan zware straffen zijn gesteld.
Concluderend heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zes (ernstige) strafbare feiten met (ingrijpende) gevolgen voor personen en maatschappij.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte al eerder wegens diefstal onherroepelijk is veroordeeld, alsook voor mishandeling van hetzelfde slachtoffer als in onderhavige belagingszaak. Ook is de verdachte in september 2020 veroordeeld voor belaging van een ander slachtoffer. De rechtbank weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 31 juli 2026. Uit dit rapport volgt dat de verdachte zich binnen zijn lopende schorsingstoezicht open en meewerkend opstelt en dat hij zich houdt aan de opgelegde voorwaarden. Het recidiverisico wordt desalniettemin nog ingeschat als hoog en de reclassering heeft geadviseerd om een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod en het meewerken aan controles ter beheersing van het middelengebruik.
De op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers en de maatschappij rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de voor haar geldende landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, alsmede op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in de bewezen verklaarde periode van belaging ook enige weken rustig is geweest.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest passend is, waarvan 150 dagen voorwaardelijk. Dit betekent dat de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft en het toezicht en de begeleiding van de reclassering niet wordt doorkruist. De rechtbank acht een groot voorwaardelijk strafdeel van belang als stok achter de deur. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar verbinden met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met dien verstande dat de elektronische monitoring de maximale duur van één jaar heeft of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de door de reclassering geconstateerde risicofactoren en het feit dat de verdachte toen hij gedetineerd zat (telefonisch) en later ook tijdens zijn schorsing (telefonisch en per post) weer contact heeft gezocht met [slachtoffer A], terwijl hij eerder ook is veroordeeld voor mishandeling van [slachtoffer A].
Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 100 uur opleggen.
Maatregelen ex artikel 38v Sr en dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op dezelfde redenen als hiervoor genoemd, is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte, ter voorkoming van strafbare feiten, ook een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van 38v Sr moet worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer A] en een nader te omschrijven locatieverbod. Omdat er gezien het vorenstaande ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover [slachtoffer A], beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen van de opgelegde maatregel niet op.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een door de officier van justitie gevorderd contactverbod ten aanzien van De Jong op te leggen. De belaging door de verdachte is ten aanzien van [slachtoffer A] bewezen en de verdachte heeft enkel contact gezocht met De Jong omwille van [slachtoffer A]. De verdachte mag in het kader van het indirecte contactverbod met [slachtoffer A] ook geen contact op te nemen met De Jong.
7. Het beslag
Onder de verdachte zijn een weegschaal, twee sleutels (lopers), een waterpomp, een slijpmachine, twee schroevendraaiers, een imbussleutelset en een keukenartikel (spatel) in beslag genomen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de gereedschappen zal onttrekken aan het verkeer, gelet op de omstandigheid dat deze bij de verdachte zijn aangetroffen, terwijl hij een gestolen fiets bij zich had. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de weegschaal zal worden verbeurd verklaard en dat de spatel zal worden teruggegeven aan de verdachte.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de weegschaal dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerp is bestemd tot het begaan van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde feit.
De rechtbank is van oordeel dat de twee sleutels (lopers) dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen behoren de verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane vermogensdelicten. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.
De rechtbank is van oordeel dat de waterpomp, de slijpmachine, de twee schroevendraaiers, de imbussleutelset en het keukenartikel (spatel), dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.
8. Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Benadeelde partij [slachtoffer A] en schadevergoedingsmaatregel in zaak A onder 1
De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.346,79 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 1.746,79 aan materiële schade en € 1.600,- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 1.787,57, bestaande uit € 187,57 aan materiële schade (reiskosten) en € 1600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet voor het overige gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van kosten van de beveiligingscamera, de reparatie van de sloten en het rolgordijn niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële kosten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag bij bewezenverklaring van de belaging gematigd dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
De gestelde materiële schade van totaal € 1.746,79 bestaat uit:
- Aanschaf beveiligingscamera à € 79,-;
- Reparatie sloten en deur à € 359,52;
- Beschadigde ramen à € 1.038,-;
- Beschadigd rolgordijn à € 82,70;
- Reiskosten à € 187,57.
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de belaging rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 187,57, bestaande uit vergoeding van de reiskosten voor het doen van aangifte en het volgen van behandelingen. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. De overige gevorderde materiële kosten zullen worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van de reiskosten oordeelt de rechtbank dat het startmoment van de wettelijke rente niet de datum van het delict is, maar de datum van het indienen van de vordering, zijnde 5 augustus 2026.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij de vordering gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.
Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft met zijn gedrag een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Uit de slachtofferverklaring van de benadeelde partij en de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde partij zich sinds de belaging niet meer veilig voelt in haar eigen omgeving. Zij ervaart veel angst en stress, wat een grote impact heeft op haar dagelijks functioneren en persoonlijke vrijheid.
De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt ten aanzien van de belaging aansluiting bij categorie 17b (ernstige belaging) met bandbreedte € 2.000,- tot € 5.000,-.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van
€ 1.600,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot immateriële schade daarom toe.
De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 31 maart 2026 (om praktische redenen het midden van de ten laste gelegde belagingsperiode) en dan steeds tot aan de dag van algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen in zaak A onder 1 (kort gezegd: belaging) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Benadeelde partij Politie Noord-Holland in zaak B onder 3
Namens de benadeelde partij Politie Noord-Holland is een vordering tot schadevergoeding van € 71,95 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het stelen van de lokfiets zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
9. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Vordering tot tenuitvoerlegging 15/124764-24
Bij vonnis van 12 juli 2024 in de zaak met parketnummer 15/124764-24 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van vernieling en mishandeling van hetzelfde slachtoffer, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke geldboete van € 325,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 31 juli 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 27 juli 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen.
Vordering tot tenuitvoerlegging 23/001582-22
Bij arrest van 2 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 23/001582-22 heeft het gerechtshof te Amsterdam de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 24 oktober 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 17 oktober 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 38v, 38w, 57, 285, 285b, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 150 (honderdvijftig) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij reclassering
- de verdachte zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
Ambulante behandeling
- de verdachte zal meewerken aan een intake en diagnostiek en zich laat behandelen door GGZ Noord-Holland-Noord of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische- en middelenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Contactverbod
- de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of zal hebben met [voornaam slachtoffer A] [slachtoffer A], geboren op [geboortedatum A];
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
- de verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, niet bevindt in de volgende straten te Enkhuizen: vanaf de Rikkert, naar beneden naar de Oosterdijk, een gedeelte van de Asterstraat, de Violenstraat, een gedeelte van de Piet Smith straat en Nelson Mandela Dreef. Deze straat gaat over in de Dreef, daarna de Lindelaan en de Drechtsterlandse weg, en naar boven via de Veilingweg die uitmondt bij de kruising van de Rikkert het gebied in Enkhuizen, een en ander zoals gemarkeerd op de als bijlage III aan dit vonnis gehechte plattegrond. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden.
De verdachte zal voor de duur van maximaal één jaar en zoveel korter als de reclassering dat mogelijk acht, vanaf het ingaan van de proeftijd meewerken aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod. Tevens zal de verdachte, voor een goede werking van het elektronisch toezicht, gedurende de duur van het elektronisch toezicht, Nederland niet verlaten zonder toestemming van de reclassering;
Beheersing middelengebruik
- de verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/
speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 100 (honderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr dat de verdachte voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect, via welk medium dan ook - contact zal opnemen of zoeken met [voornaam slachtoffer A] [slachtoffer A], geboren op [geboortedatum A].
Legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr dat de verdachte voor de duur van drie jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied te Enkhuizen: vanaf de Rikkert, naar beneden naar de Oosterdijk, een gedeelte van de Asterstraat, de Violenstraat, een gedeelte van de Piet Smith straat en Nelson Mandela Dreef. Deze straat gaat over in de Dreef, daarna de Lindelaan en de Drechtsterlandse weg, en naar boven via de Veilingweg die uitmondt bij de kruising van de Rikkert.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan een van de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer A] geleden schade tot een bedrag van € 1.787,57, bestaande uit € 187,57 aan materiële schade en € 1.600,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 over een bedrag van € 1.600,- en vanaf 5 augustus 2026 over een bedrag van € 187,57, tot aan de dag der algehele voldoening, aan L. de Vries, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer A] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.787,57, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 over een bedrag van € 1.600,- en vanaf 5 augustus 2026 over een bedrag van € 187,57, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Politie Noord-Holland geleden schade tot een bedrag van € 71,95, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Politie Noord-Holland, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart verbeurd: 1 STK Weegschaal.
Onttrekt aan het verkeer: 2 STK Sleutel.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
- 1 STK Waterpomp (Omschrijving: PL1100-2025125822-1737442);
- 1 STK Slijpmachine (Omschrijving: PL1100-2025125822-1737443);
- 2 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL1100-2025125822-1737444);
- 1 STK Imbussleutelset (Omschrijving: PL1100-2025125822-1737445);
- 1 STK Keukenartikel (Omschrijving: PL1100-2025125822-1737446).
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/124764-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde geldboete van € 325,-, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 12 juli 2024. De geldboete wordt vervangen door 3 dagen hechtenis als deze niet wordt betaald.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/001582-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 30 uren, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 2 oktober 2024. De taakstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis als deze niet of niet goed wordt uitgevoerd.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H.A. Sluiter
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
15-155017-26 (Zaak A)
Feit 1.
hij, in de periode tussen 22 februari 2026 tot en met 30 mei 2026 te Enkhuizen,
althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer A]
door een of meerdere malen:
- intimiderende en/of bedreigende en/of dwingende en/of beledigende WhatsApp
berichten en/of spraakmemo's en/of voicemailberichten en/of e-mailberichten
naar die [slachtoffer A] te sturen en/of
- binnen te dringen in en/of zich te begeven rondom de woning van die [slachtoffer A]
en/of
- bedragen van 0,01 cent over te maken naar de bankrekening van die [slachtoffer A] met
een begeleidende tekst en/of
- handgeschreven briefjes door de brievenbus van die [slachtoffer A] te gooien en/of
- berichten aan [persoon B] te sturen gerelateerd aan die [slachtoffer A],
met het oogmerk die [slachtoffer A], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of
vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Feit 2.
hij op of omstreeks 8 mei 2026 te Enkhuizen, althans in Nederland
[slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware
mishandeling en/of brandstichting,
door die [slachtoffer A] dreigend de woorden toe te voegen: "ik snij echt die keel door
ouwe" en/of "als je nou niet opneemt dan brand ik dat hele huis tot aan de
fundering plat ouwe" en/of "je gaat nou opnemen, want ik vermoord je kreng",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Feit 3.
hij op of omstreeks 30 mei 2026 te Hoorn en/of Medemblik, althans in Nederland
al dan niet opzettelijk
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
45,07 gram amfetamine, althans een hoeveelheid amfetamine, aanwezig heeft
gehad;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
15-306254-25 (Zaak B)
Feit 1.
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Hoorn, in elk geval in Nederland,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 35,69 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine, zijnde amfetamine
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
Feit 2.
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Enkhuizen, in elk geval in Nederland,
een fiets (Vilette E- 8600, kleur blauw), althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek
van Strafrecht )
Feit 3.
hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec
een fiets (elektrische Gazelle, kleur zwart/grijs, GZ 62110511), in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan Politie Noord-Holland, in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )