RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/354254 / FA RK 24-3389
gezag, omgangsregeling en kinderbijdrage
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. Stoel gevestigd te Dronten,
tegen
[de moeder] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.M.T. Wezel gevestigd te Zaandam.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 4, binnengekomen op 19 juni 2024;
het verweerschrift van de moeder met bijlagen 1 en 2, met daarin zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 12 juli 2024;
de brief van de vader van 18 mei 2026, met (ongenummerde) bijlagen;
het F-formulier van de vader van 10 juli 2026, met (ongenummerde) bijlagen;
de nadere onderbouwing verweerschrift van de moeder met bijlagen 3 t/m 5, met daarin zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 16 juli 2026;
het bericht met de aangifte van de vader tegen de moeder, binnengekomen op 28 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. Stoel en de moeder door mr. Wezel.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [de minderjarige] is voorafgaand aan de zitting door de (kinder)rechter gesproken. De kinderrechter heeft tijdens de zitting samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige] , geboren in [plaats] op [geboortedatum] .
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] staat ingeschreven op het
adres van de moeder.
Op 24 juni 2020 heeft de rechtbank Noord-Holland beslist dat de vader een bedrag van € 124 per maand aan kinderbijdrage aan de moeder moet betalen.
Als gevolg van de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2026 € 159,21.
3. Het verzoek
De vader wil dat de volgende zorgregeling wordt vastgesteld.
[de minderjarige] verblijft een weekend per veertien dagen vanaf vrijdag 19.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader. De overdracht van [de minderjarige] zal halverwege plaatsvinden bij het tankstation langs de A1 in [plaats] .
Zomervakantie: [de minderjarige] zal in de even jaren de eerste drie weken bij de vader verblijven, gevolgd door de laatste drie weken bij de moeder. In de oneven jaren is dit vice versa.In de regeling wordt rekening gehouden met de wens van de grootouders moederszijde dat [de minderjarige] een deel van de vakantie bij haar grootouders doorbrengt, waarbij het aantal weken dat [de minderjarige] bij de vader zal verblijven altijd ten minste drie is.
Herfstvakantie: de vakantie wordt verdeeld, waarbij [de minderjarige] het ene jaar de eerste helft bij de ene ouder verblijft en het andere jaar de eerste helft bij de andere ouder;
Kerstvakantie: eerste kerstdag wordt om en om doorgebracht bij de ene ouder. Voor het jaar 2024 zal [de minderjarige] eerste kerstdag bij de vader verblijven, nu ze in 2023 eerste kerstdag bij de moeder was.
Voorjaarsvakantie: de vakantie wordt verdeeld, waarbij [de minderjarige] het ene jaar de eerste helft bij de ene ouder verblijft en het andere jaar de eerste helft bij de andere ouder;
Meivakantie: de vakantie wordt verdeeld, waarbij [de minderjarige] het ene jaar de eerste helft bij de ene ouder verblijft en het andere jaar de eerste helft bij de andere ouder;
De ouders verdelen de feestdagen in onderling overleg, waarbij eenzelfde afwisseling wordt overeengekomen als bij de verdeling van de vakantiedagen, namelijk om en om. Eerste kerstdag 2024 is bij vader, nu eerste kerstdag 2023 bij moeder was.
De vader legt hieraan ten grondslag dat hij altijd een goede band heeft gehad met [de minderjarige] en zij ook graag bij haar vader verblijft. Aan de ene kant lijkt de moeder dit de vader te gunnen, maar aan de andere kant gebruikt de moeder dit ook als wapen als iets haar niet zint.
Op de zitting heeft de vader het verzoek tot veroordeling van dwangsommen bij het
niet-voldoen aan de zorgregeling ingetrokken.
Daarnaast verzoekt de vader dat de kinderbijdrage op nihil wordt gesteld met ingang
van de datum van het verzoekschrift. Volgens de vader zijn de omstandigheden gewijzigd en kan hij de bijdrage niet meer betalen. De vader heeft geen inkomen meer en ook het inkomen van zijn partner is gedaald, zodat zijn gezinsinkomen onder het minimumniveau ligt. De vader heeft bovendien schulden die twee jaar geleden zijn ontstaan.
4. Het verweer en zelfstandig verzoek
De moeder verzoekt het verzoek van de vader over de zorgregeling af te wijzen. De
feitelijke situatie is inmiddels wezenlijk anders dan waarvan de vader bij indiening van het verzoek uitging. Gedurende langere tijd heeft slechts incidenteel contact plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . De door de vader voorgestelde regeling is al geruime tijd niet uitgevoerd. Contact vindt uitsluitend plaats wanneer [de minderjarige] daaraan behoefte heeft en partijen daarover overeenstemming bereiken. De praktijk heeft het oorspronkelijke verzoek daarmee ingehaald. Op de zitting heeft de moeder haar subsidiaire standpunt gewijzigd en gevraagd de zorgregeling zo flexibel mogelijk te formuleren, namelijk dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvindt wanneer [de minderjarige] dit wil. [de minderjarige] mag bepalen wanneer en hoelang zij bij de vader wil zijn.
De moeder verzoekt het verzoek over de kinderbijdrage af te wijzen. Zij vindt primair
dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden waardoor de vader de kinderbijdrage niet meer kan betalen. De vader ontving ten tijde van indiening van het verzoekschrift opnieuw een WIA-uitkering. Subsidiair geldt dat uit een hernieuwde draagkrachtberekening volgt dat de vader nog steeds draagkracht heeft een substantiële bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voldoen. Meer subsidiair geldt dat geen eerdere ingangsdatum moet worden gehanteerd dan de datum van de beschikking.
De moeder heeft haar verzoek tot betaling van dwangsommen bij het niet-voldoen van
betaling van de kinderbijdrage ingetrokken.
De moeder heeft bij zelfstandig verzoek gevraagd het gezamenlijk gezag te beëindigen
en het ouderlijk gezag over [de minderjarige] aan de moeder toe te wijzen. De vader wil alleen via de advocaten communiceren met de moeder en weigert rechtstreeks contact met haar. Besluitvorming over [de minderjarige] komt regelmatig niet of veel te laat tot stand. Voor het verkrijgen van toestemming voor een paspoort waren meerdere toestemmingsverklaringen nodig en moest de vader alsnog persoonlijk op het gemeentehuis verschijnen. Hierdoor ontstond onnodige vertraging, extra kosten en spanning voor [de minderjarige] . Daarnaast kon [de minderjarige] op 8 juli 2026 uiteindelijk niet met haar moeder en grootmoeder op vakantie, omdat de vader op Schiphol weigerde toestemming te geven, terwijl hij vooraf van de reis op de hoogte was. [de minderjarige] was hierdoor volledig overstuur en de vader heeft daarna geen contact met haar opgenomen om de situatie te bespreken. Dit laat zien dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van [de minderjarige] is. Voorlopig valt niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. De moeder draagt de volledige zorg van [de minderjarige] en neemt feitelijk alle beslissingen.
De vader heeft in reactie op het zelfstandig verzoek op de zitting aangegeven dat het te
vroeg is om eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Er is op dit moment een slechte verstandhouding tussen de ouders, maar er wordt gewerkt aan verbetering van de situatie. De vader moet de kans krijgen om het gezag gezamenlijk uit te voeren.
5. De visie van de Raad
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat de ouders zich allebei onbegrepen en
oneerlijk behandeld voelen. Er is veel boosheid tussen de ouders. De Raad acht het gezien de huidige situatie tussen de ouders ongeloofwaardig dat de ouders, met name de vader, aangeven dat zij met elkaar willen praten en open staan voor hulpverlening. Daarom acht de Raad de kans van slagen van een hulpverleningstraject klein. Desgevraagd heeft de Raad verklaard dat een hulpverleningstraject via een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) mogelijk is, maar dit zal heel veel tijd, energie en uithoudingsvermogen van deze ouders vragen. Een Raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging is mogelijk, maar dat is geen oplossing. Als [de minderjarige] straks eens per maand naar de vader gaat en er gebeurt iets, dan is het lastig als de ouders daarover niet met elkaar kunnen praten. Wellicht moet [de minderjarige] in deze situatie de ruimte krijgen om zelf aan te geven wanneer zij naar de vader wil gaan. De Raad heeft niet de indruk dat de moeder het contact tussen [de minderjarige] met de vader zal blokkeren.
6. De beoordeling
De rechtbank merkt allereerst op dat [de minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft verteld dat zij
ontzettend veel last heeft (gehad) van de situatie en de slechte verhouding tussen de ouders. De rechtbank is onder de indruk van de veerkracht die [de minderjarige] heeft getoond en acht het bewonderenswaardig hoe zij - met professionele hulp - hiermee heeft leren om te gaan.
Gezag
Uit artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat op
verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel
1:253n, eerste lid, van het BW.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel
1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd en legt
hierna uit waarom. De ouders zijn niet in staat met elkaar te communiceren. De communicatie verloopt al langere tijd uitsluitend via de advocaten. In 2024 heeft de moeder mediation voorgesteld ter verbetering van de communicatie, maar de vader stond hiervoor destijds niet open en niet gebleken is dat hij daar nadien op is teruggekomen. Eerst op de zitting heeft hij verklaard graag met hulpverlening te willen werken aan de onderlinge communicatie. Op de zitting heeft de moeder op haar beurt aangegeven niet meer mee te willen werken aan hulpverlening (inclusief het UHA) vanwege haar slechte ervaringen uit het verleden en het feit dat zij al lange tijd met burn-out klachten kampt waardoor zij de energie daar ook niet voor heeft. De rechtbank acht het daarom niet te verwachten dat de ouders, al dan niet met behulp van hulpverlening, op korte termijn in staat zijn met elkaar te communiceren over belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De afgelopen periode heeft daarnaast bevestigd dat de gevolgen van het gebrek aan communicatie voor [de minderjarige] ingrijpend zijn, omdat de moeder hinder heeft ondervonden van het gezamenlijk gezag. Zo is er in oktober 2025 met veel moeite toestemming gekomen van de vader voor de aanvraag van een paspoort voor [de minderjarige] . Op 8 juli 2026 is de vakantie van [de minderjarige] met de moeder en de oma (mz) naar Engeland niet doorgegaan. Op Schiphol heeft de vader telefonisch zijn toestemming geweigerd. Dertien dagen daarna heeft de vader aangifte gedaan tegen de moeder van een poging onttrekking aan het ouderlijk gezag. De vader heeft op de zitting verteld dat hij dit heeft gedaan om op zijn strepen te staan omdat hij niet vond kunnen wat de moeder heeft gedaan; hij stelt niet op de hoogte te zijn geweest van een vakantie. De rechtbank is van oordeel dat dit een weldoordachte keuze van de vader is geweest die volstrekt niet in het belang van [de minderjarige] is gelegen, maar enkel is gericht tegen de moeder. De rechtbank ziet hierin de bevestiging van wat de Raad naar voren heeft gebracht, namelijk dat de op de zitting door de vader gestelde bereidwilligheid voor hulp ongeloofwaardig is. Gelet op de ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders, acht de rechtbank het een groot risico dat belangrijke beslissingen over [de minderjarige] niet voortvarend kunnen worden genomen. Daarbij komt dat de moeder al geruime tijd alleen de zorg draagt voor [de minderjarige] en gebleken is dat zij hiertoe in staat is. Ook is gebleken dat de vader het afgelopen jaar weinig initiatief heeft getoond om meer in contact te komen met [de minderjarige] . Het is veelzeggend dat [de minderjarige] tijdens het kindgesprek de vader het advies heeft gegeven dat hij meer van zich moet laten horen als hij daadwerkelijk meer contact met haar wil.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk
dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de moeder overeenkomstig haar verzoek alleen met het gezag zal worden belast.
Nu de rechtbank het gezag van de man zal beëindigen, wordt in het hiernavolgende
gesproken van een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.
Omgangsregeling
[de minderjarige] heeft recht op omgang met haar ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft
het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast of ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechtbank acht het van belang dat er omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de vader.
Het verzoek van de vader voor een tweewekelijkse regeling acht de rechtbank op dit moment echter niet passend. Dit geldt ook voor de verzochte vakantieregeling. De vader en [de minderjarige] hebben elkaar dit jaar immers maar één keer gezien op een kinderfeestje en verder is gebleken dat de vader nauwelijks (telefonisch) contact zoekt met [de minderjarige] , terwijl zij hieraan wel behoefte heeft. De rechtbank acht het subsidiaire verzoek van de moeder te belastend voor [de minderjarige] . Hoewel zij in het kindgesprek een stevige indruk maakte op de rechter, acht de rechtbank het een te grote en zware verantwoordelijkheid voor haar als dertienjarige om te bepalen wanneer zij contact met de vader kan en wil hebben.
In het kindgesprek heeft [de minderjarige] verteld dat zij de vader een weekend per maand wil
zien. Beide ouders hebben ter zitting verklaard met die wens van [de minderjarige] te kunnen instemmen. De rechtbank neemt daarom dit voorstel van [de minderjarige] als uitgangspunt voor het bepalen van een omgangsregeling. [de minderjarige] heeft ook verteld dat ze niet bij de vader in [plaats] wil verblijven, omdat ze bang is daar te zijn vanwege de gevolgen van een strafbaar feit dat de vader daar jegens een buurman heeft gepleegd. De rechtbank zal hiermee rekening houden. [de minderjarige] heeft zelf voorgesteld dat zij met de vader bij de oma (vz) wil verblijven in [plaats] . Op de zitting is hierop door zowel de vader als de moeder instemmend gereageerd. De rechtbank zal dan ook een omgangsregeling bepalen waarbij [de minderjarige] eens per maand met de vader bij de oma (vz) verblijft van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagmiddag 16:00 uur. De rechtbank bepaalt dat de vader [de minderjarige] ophaalt en thuisbrengt bij de moeder. De vader heeft op de zitting verteld dat schuldbeheer in het budgetplan rekening heeft gehouden met de kosten van het tweewekelijks halen en brengen van [de minderjarige] . Nu de rechtbank zal bepalen dat het halen en brengen eens per maand is, moeten deze kosten voor de vader haal- en betaalbaar zijn. De rechtbank realiseert zich dat de oma (vz) niet aanwezig is geweest op de zitting zodat geverifieerd is of oma een dergelijke regeling wil en kan faciliteren, dus de rechtbank zal bepalen dat aan voornoemde omgangsregeling uitvoering wordt gegeven onder de voorwaarde dat de oma (vz) bereid – en in staat is de omgangsregeling te faciliteren.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de moeder de vader behoort te informeren
over [de minderjarige] . Juist als er weer omgang gaat plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de vader, is het belangrijk dat hij kan aansluiten bij haar en op de hoogte is van wat er in haar leven speelt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de moeder, al dan niet met tussenkomst van de advocaten, de vader regelmatig zal informeren over [de minderjarige] .
Kinderbijdrage
De rechtbank kan de kinderbijdrage opnieuw beoordelen als de omstandigheden in
relevante mate zijn gewijzigd. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is en legt hierna uit waarom.
Bij beschikking van 24 juni 2020 heeft deze rechtbank bepaald dat de vader een
bedrag van € 124 per maand aan kinderbijdrage aan de moeder moet betalen. De vader ontving destijds een WIA-uitkering van € 1.181 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, en een ziektewetuitkering van € 87 bruto per week, exclusief vakantiegeld. Uit de door de vader overgelegde stukken volgt dat de vader ten tijde van het indienen van dit verzoekschrift een WIA-uitkering (WGA) ontving van € 1.931 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Het inkomen van de vader is dus niet verminderd.
Voorts acht de rechtbank het door de vader gestelde gedaalde inkomen van zijn
partner niet relevant, reeds omdat uit de beschikking van 24 juni 2020 niet blijkt dat de rechtbank destijds met de partner van de man rekening heeft gehouden. Tot slot acht de rechtbank in dit kader evenmin van belang het door de vader overgelegde schuldenoverzicht. De rechtbank constateert dat het hoogste bedrag van ruim € 28.000 wordt gevorderd door ASR Schadeverzekeringen. De vader heeft niet aangetoond dat deze noch de andere schulden in het overzicht zijn ontstaan na 24 juni 2020.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot nihilstelling
van de vastgestelde kinderbijdrage afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat de vader gehouden is deze kinderbijdrage aan de moeder te voldoen en hij dit niet zomaar kan weigeren zoals hij dat nu al geruime tijd doet.
7. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige
[de minderjarige] , geboren in [plaats] op [geboortedatum] , wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarige toekomt;
stelt de volgende omgangsregeling vast: de minderjarige:
[de minderjarige] , geboren in [plaats] op [geboortedatum] ,
heeft vanaf september 2026 elke eerste zaterdag van de maand vanaf 10:00 uur tot en met zondag 16:00 uur omgang met de vader in de woning van de oma (vz), met overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt van en terugbrengt naar de moeder, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 6.10.;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.J.A. de Weerd, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.