ECLI:NL:RBNHO:2026:12693

ECLI:NL:RBNHO:2026:12693

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer 15/031542-25 en 15/222317-22 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord en een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van de vrouw met wie hij een (relatief korte) periode een affectieve verstandhouding heeft gehad. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en (bijbehorende) munitie. De verdachte heeft, na uitvoerige voorbereidingen, geprobeerd de daad bij het woord te voegen. De verdachte is in een gehuurde auto naar de woning van het slachtoffer gereden om daar vervolgens vermomd, met een doorgeladen vuurwapen en een tas met daarin onder meer een bedwelmingsmiddel, handboeien, ducttape en een touw bij haar voordeur aan te bellen. Overwegingen over (on)deugdelijk middel, begin van uitvoering, vrijwillige terugtred, voorbedachten rade en opzet. Beslissingen op vordering benadeelde partij en vordering tot tenuitvoerlegging. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 57 maanden, met aftrek van voorarrest, de tbs-maatregel met voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar) en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM). Overwegingen over het gevaarscriterium en afwijking van de eis tbs met dwangverpleging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/031542-25 en 15/222317-22 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 22 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in P.I. [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.P. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. A.M.J. Comans, advocaat te Utrecht, en de gemachtigde van de benadeelde partij, mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1

primair hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,- met een vuurwapen en/of munitie en/of een masker en/of vermomming en/of een tas met handboeien, ducttape, een touw en/of een flesje di-ethylether in een gehuurde auto is gestapt en/of- met die auto naar de woning van die [slachtoffer] is toegereden en/of- gemaskerd en/of vermomd en/of met een doorgeladen vuurwapen en/of munitie en/of met die tas met inhoud uit die auto is gestapt en/of- meermalen, althans eenmaal bij de woning van die [slachtoffer] heeft aangebeld,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) op een persoon, [slachtoffer] , opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten:- een huurauto en/of- een vuurwapen en/of een masker en/of vermomming en/of een tas met handboeien, ducttape, een touw en/of een flesje di-ethylether en/of- een telefoon en/of- een (digitaal) handboek basiscursus schietvaardigheid en/of- een briefje met de rijroute naar een (rustige) parkeerplaatsbestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden gehad;

feit 2 primair

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,- met een vuurwapen en/of munitie en/of een masker en/of vermomming en/of een tas met handboeien, ducttape, een touw en/of een flesje di-ethylether in een gehuurde auto is gestapt en/of- met die auto naar de woning van die [slachtoffer] is toegereden en/of- gemaskerd en/of vermomd en/of met een doorgeladen vuurwapen en/of munitie en/of met die tas met inhoud uit die auto is gestapt en/of- meermalen, althans eenmaal bij de woning van die [slachtoffer] heeft aangebeld,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden (artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- een huurauto en/of- een vuurwapen en/of een masker en/of vermomming en/of een tas met handboeien, ducttape, een touw en/of een flesje di-ethylether en/of- een telefoon en/of- een (digitaal) handboek basiscursus schietvaardigheid en/of- een briefje met de rijroute naar een (rustige) parkeerplaatsbestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden gehad;

feit 3 hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Bruni, type Olympic 38, kaliber .22LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 100 patronen, in elk geval een hoeveelheid scherpe kogelpatronen, van het merk: CCI, kaliber .22LR, voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverwegingen feit 1 primair en feit 2 primair

Feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

De verdachte en aangeefster hebben elkaar in oktober 2024 leren kennen via Facebook dating. Vanaf dat moment hebben zij gedatet, totdat de aangeefster deze relatie in december 2024 beëindigde. De verdachte heeft in de daaropvolgende periode contact met aangeefster proberen te krijgen en is ook, waaronder op 25 december 2024, bij haar woning langs geweest. Daarbij is volgens aangeefster een worsteling tussen de verdachte en de zoon van aangeefster ontstaan. Dit was voor aangeefster onder meer aanleiding tot het doen van aangifte. Op 30 december 2024 heeft de wijkagent vervolgens een zogenoemd stopgesprek met de verdachte gevoerd en is aan hem een stopbrief uitgereikt, waarin aangeefster hem duidelijk heeft gemaakt dat zij geen contact met hem wil.

Op 29 januari 2025 is de verdachte in een gehuurde auto naar de woning van aangeefster in Middenmeer gereden om daar vervolgens in vermomming en met een doorgeladen vuurwapen aan te bellen. Ook had hij een tas bij zich met daarin onder meer een bedwelmingsmiddel (di-ethylether), handboeien, ducttape en een touw. De aangeefster was op dat moment thuis, zag de verdachte door haar ringdeurbelcamera staan en heeft daarom de deur niet geopend. De verdachte heeft nog een keer aangebeld en is vervolgens weer weggereden. Aangeefster heeft de politie ingeschakeld en een aantal minuten later is de verdachte in de gehuurde auto aangetroffen op een parkeerplaats in de buurt van de woning van aangeefster. De auto waar de verdachte in reed is doorzocht. In deze auto is onder meer het eerdergenoemde vuurwapen met bijbehorende munitie, het bedwelmingsmiddel, handboeien, ducttape en touw aangetroffen.

(On)deugdelijk middel

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het vuurwapen dat is aangetroffen in de auto waar de verdachte in reed en waar de verdachte mee bij de woning van aangeefster stond, een werkend vuurwapen was. Noch wet, noch regelgeving vereist dat een schietproef met een vuurwapen moet worden gedaan om vast te stellen dat het vuurwapen een vuurwapen is als bedoeld in de Wet wapens en munitie (hierna ook: WWM). Uit het technisch onderzoek, dat is verricht door een materie specialist bij de politie, werkzaam binnen het taakveld Wapens, Munitie en Explosieven, blijkt dat het vuurwapen een geladen revolver betreft. Het vuurwapen is omgebouwd door de sper uit het wapen te verwijderen, waardoor het geschikt is om projectielen en/of gassen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Daarmee staat vast dat het gaat om een werkend vuurwapen van categorie III onder 1 WWM. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Begin van uitvoering

De raadsman heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een poging tot moord en/of poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.

Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de weken voorafgaand aan 29 januari 2025 voorbereidingen heeft getroffen voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving én moord op aangeefster. De verdachte stuurt aan zijn moeder een whatsapp bericht dat ‘hij dat nooit naast zich neer gaat leggen tot ze dood is’. Met de dagen die volgen worden de (spraak)berichten die de verdachte heeft opgenomen of naar anderen heeft gestuurd concreter en spreekt de verdachte over zijn plan en over het ontvoeren en (op verschillende wijze) vermoorden van aangeefster. Zo spreekt de verdachte op 16 januari 2025 in dat hij een heel plan van aanpak aan het opzetten is met wat hij ervoor nodig heeft en wat hij niet moet vergeten. In een ander bericht dat de verdachte diezelfde dag stuurt, zegt hij: “Echt, ik heb een sok in die tas gedaan. Een sok en een bol tape. Die sok gaat in je bakkes. En die tape gaat om je kop (…) En bij neerleggen, dat is never, never, never, nooit. Never, never, nooit, als je bewust mij dit aandoet, gewoon met volle bewustzijn ook, hè. Wauw, wauw, wauw, eh, dan heb jij geen hart, dan heb je een kloppende steen. En dan hoop ik dat kogels een kloppende steen gaan stoppen met kloppen. Want dit klopt namelijk niet, [slachtoffer] ”. De politie heeft bij de doorzoeking van de woning van de verdachte ook handgeschreven notities aangetroffen. Op een van deze notities staat dat de telefoon van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangeefster) uitgezet moet worden, er staat een rijroute op naar een parkeerplaats en er staan een aantal goederen op, onder meer: tape, een touw, een sok en een flesje di-ethylether met doek. Daarnaast zijn er in de woning van de verdachte brieven aangetroffen waarop staat “Game over [slachtoffer] pang” en “ [slachtoffer] R.I.P.”. Ook doet de verdachte verschillende zoekslagen op het internet. Zo zoekt hij op hoe je iemand kan bedwelmen, of je veel di-ethylether nodig hebt bij het inademen op een doek en waar je in het hart moet schieten voor een dodelijk schot. Verder blijkt dat de verdachte na het online zoeken naar onder meer gezichtsmaskers ook dat soort maskers te hebben gekocht. En twee dagen voorafgaand aan het incident heeft de verdachte een vuurwapen geregeld.

De verdachte is vervolgens op de bewuste 29 januari 2025 vermomd met onder meer een gezichtsmasker in de gehuurde auto gestapt en naar aangeefster gereden. Hij is na aankomst uitgestapt en is met een doorgeladen vuurwapen en een tas met daarin onder meer tape, een sok en een flesje di-ehtylether, zoals vermeld op de eerdergenoemde notitie, naar de woning van aangeefster gegaan en heeft daar meerdere malen aangebeld. De rechtbank komt in het licht van deze omstandigheden op 29 januari 2025 en daaraan voorafgaand, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van de voorgenomen misdrijven. De gedragingen van de verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van de misdrijven. De gedragingen van de verdachte lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van de misdrijven en de verdachte zou de misdrijven kunnen hebben voltooid als aangeefster de deur had geopend.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr), merkt de rechtbank op dat de voorgenomen misdrijven slechts niet zijn voltooid ten gevolge van de, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheid dat aangeefster de deur niet heeft geopend. Daarvoor acht de rechtbank ook de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris van belang, inhoudende dat hij niet durft te zeggen wat er was gebeurd als aangeefster de deur wel open had gedaan en dat het ook verkeerd had kunnen aflopen. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred is dan ook niet voldaan.

Voorbedachten rade (feit 1 primair)

Voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de eerdergenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had aangeefster van het leven te beroven. Hij is immers in de maand voorafgaand aan het tenlastegelegde bezig geweest met het bedenken van een plan, het verzamelen van goederen ter uitvoering daarvan en hij schreef en sprak over het vermoorden van aangeefster. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van die daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin zijn andere contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Daarmee is sprake van voorbedachten rade.

Opzet

Zoals hiervoor overwogen was het (planmatige) handelen van de verdachte erop gericht aangeefster van haar vrijheid en haar leven te beroven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van ‘vol’ opzet.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord en de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 primair hij op 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,- met een vuurwapen en munitie en een masker en vermomming en een tas met handboeien, ducttape, een touw en een flesje di-ethylether in een gehuurde auto is gestapt en- met die auto naar de woning van die [slachtoffer] is toegereden en- gemaskerd en vermomd en met een doorgeladen vuurwapen en munitie en met die tas met inhoud uit die auto is gestapt en- meermalen bij de woning van die [slachtoffer] heeft aangebeld,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair

hij op 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,- met een vuurwapen en munitie en een masker en vermomming en een tas met handboeien, ducttape, een touw en een flesje di-ethylether in een gehuurde auto is gestapt en- met die auto naar de woning van die [slachtoffer] is toegereden en- gemaskerd en vermomd en met een doorgeladen vuurwapen en munitie en met die tas met inhoud uit die auto is gestapt en- meermalen bij de woning van die [slachtoffer] heeft aangebeld,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 hij op 29 januari 2025 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Bruni, type Olympic 38, kaliber .22LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 100 patronen, in elk geval een hoeveelheid scherpe kogelpatronen, van het merk: CCI, kaliber .22LR, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2 primair:

de eendaadse samenloop van

poging tot moord;

en

poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 maanden, met aftrek van het voorarrest, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de verdachte geen tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, maar aan de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten in een onderlinge verhouding van eendaadse samenloop staan als bedoeld in artikel 55 Sr. De rechtbank heeft verder de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, betrokken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord en een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van de vrouw met wie hij een (relatief korte) periode een affectieve verstandhouding heeft gehad. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en (bijbehorende) munitie. De verdachte heeft, na uitvoerige voorbereidingen, geprobeerd de daad bij het woord te voegen. De verdachte is in een gehuurde auto naar de woning van het slachtoffer gereden om daar vervolgens vermomd, met een doorgeladen vuurwapen en een tas met daarin onder meer een bedwelmingsmiddel, handboeien, ducttape en een touw bij haar voordeur aan te bellen. Het slachtoffer heeft het er slechts levend vanaf gebracht doordat zij de deur niet heeft geopend en de politie heeft ingeschakeld.

Moord behoort tot de ernstige misdrijven die onze strafwetgeving kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed. De verdachte heeft met zijn handelen de maatschappij en de rechtsorde op ernstige wijze geschokt. Daarnaast heeft hij een levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen. Het is in dit geval weliswaar niet zo ver gekomen dat het slachtoffer daadwerkelijk is gedood of ontvoerd, maar alsnog zijn de gevolgen voor haar zeer ingrijpend. De verdachte heeft door zijn handelwijze een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Hoe groot de impact van de gebeurtenis voor het slachtoffer is, blijkt mede uit de slachtofferverklaring die namens haar op de zitting is voorgelezen waarbij is aangegeven dat zij zich niet veilig voelt in haar eigen huis en dit incident ook op haar zoon sporen heeft nagelaten.

De gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en leidend tot de feiten passen bij de in de literatuur genoemde – en op zitting door de officier van justitie aangehaalde – kenmerken van (een poging tot) femicide. Vaak gaat het, zoals ook hier, om een man die zijn voormalige vrouwelijke ‘partner’ wilde doden, in dit geval omdat zij had aangegeven geen contact meer met de verdachte te willen hebben waar de verdachte zich niet bij kon neerleggen. Dat de verdachte tot zo vergaand gedrag heeft kunnen komen acht de rechtbank buitengewoon schokkend en zorgwekkend.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is hij, bij vonnis van 12 maart 2024, door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd. De verdachte liep ten tijde van het bewezenverklaarde nog in een proeftijd naar aanleiding van die veroordeling.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het zogeheten ‘triple geïntegreerd onderzoek’, waarin zowel psychiatrisch als psychologisch onderzoek is verricht en onderzoek is gedaan naar en in het (familie)netwerk van de verdachte. Dit rapport van

24 januari 2026 is opgesteld door J. Marx, psychiater, G.M. Jansen, GZ-psycholoog en C.J.W. Bijl, forensisch milieuonderzoeker.

Op verzoek van deze deskundigen is een aanvullend neuropsychologisch en neurologisch onderzoek naar de verdachte verricht. Dat onderzoek heeft geleid tot een aanvullend rapport van 20 november 2025 met addendum van 21 januari 2026, en is opgesteld door [naam 1] , klinisch neuropsycholoog en [naam 2] , neuroloog.

De conclusies van deze deskundigen luiden – zakelijk en samengevat weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van een beperkte neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel na het motorongeluk in 2006. De neurocognitieve deficiënties waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Door zijn neurocognitieve stoornis kan de verdachte een opeenstapeling van prikkels gepaard met (negatieve) emoties niet reguleren. Hij kan zijn emoties en gedrag niet meer stoppen als een bepaalde drempelwaarde is overschreden en is dan niet meer in staat een andere oplossing of benadering te kiezen. Volgens de deskundigen heeft de verdachte desondanks jarenlang redelijk kunnen functioneren in een min of meer stabiele situatie. Deze stabiele situatie werd echter verstoord door het wegvallen van externe structuur, waarbij de deskundigen in het bijzonder wijzen op het overlijden van zijn vader en het verliezen van zijn werk en sport. De verdachte kwam met andere woorden in een negatieve spiraal terecht en verloor zich vervolgens in drank- en drugsgebruik. De combinatie van zijn bestaande gestoorde emotie-regulatie, het wegvallen van externe structuur en zijn overmatig drank- en drugsgebruik hebben geleid tot een manifeste gedragsstoornis die volgens de deskundigen heeft bijgedragen aan het tenlastegelegde. Om de verdachte te leren met zijn neurocognitieve stoornis om te gaan concluderen de deskundigen dat het van belang is dat de verdachte in een omgeving gebracht wordt met structuur en voorspelbaarheid (strak dagschema, duidelijke regels en vaste routines), waarbij externe remming noodzakelijk is. Daarbij achten zij een prikkelarme omgeving met persoonlijke begeleiding van belang. Ook kan volgens de deskundigen gedacht worden aan gedragstraining, het vermijden van alcohol- en drugs, psycho-educatie voor de verdachte en zijn omgeving, cognitieve gedragstherapie en medicatie.

De conclusies van de psycholoog, psychiater en forensisch milieuonderzoeker uit het triple geïntegreerd onderzoek luiden, mede gelet op het neuro(psycho)logisch onderzoek, – zakelijk en samengevat weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van een beperkte neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel (niet-aangeboren hersenletsel) en een persoonlijkheidsverandering door niet-aangeboren hersenletsel. Naar alle waarschijnlijkheid is dit het gevolg van een hersentrauma na een motorongeluk in 2006. De psychische stoornis laat zich vooral terugzien in prikkelgevoeligheid, uitgesproken emotionaliteit (labiliteit), impulsiviteit en ongeremdheid. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van verschillende middelen (alcohol, cannabis, amfetamine en anabole steroïden), die in remissie is in een gereguleerde omgeving. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Er is, met andere woorden, sprake van een gelijktijdigheidsverband. De deskundigen zijn verder van mening dat, gezien de grotendeels ontkennende houding van de verdachte en omdat er een discrepantie zit tussen de kenmerken van de eerdergenoemde neurocognitieve problematiek en het planmatige karakter van het tenlastegelegde, niet kan worden nagegaan of en zo ja op welke manier de stoornissen van invloed zijn geweest op het gedrag van de verdachte zoals ten laste gelegd. Om die reden onthouden de deskundigen zich van uitspraken over de toerekenbaarheid, het recidivegevaar en mogelijke interventies. Als aan de overige voorwaarden wordt voldaan, dan kan de tbs-maatregel met voorwaarden worden overwogen, zo luidt het advies.

Op de zitting van 8 september 2026 hebben deze deskundigen de rapporten toegelicht en zijn zij bij hun adviezen gebleven. De psycholoog heeft met betrekking tot het risico op onttrekken aan voorwaarden op de zitting nader toegelicht dat zij de verdachte heeft leren kennen als iemand die zich altijd meewerkend heeft opgesteld. Haar inschatting is dan ook dat de verdachte zich niet zal onttrekken aan de voorwaarden als de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden op zou leggen.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het reclasseringsrapport ‘tbs met voorwaarden’ van 22 april 2026. De reclassering gaat uit van de medische bevindingen en conclusies van de deskundigen en concludeert dat de leerbaarheid van de verdachte beperkt is en dat hij in sterke mate afhankelijk is van externe structuur om ontregeling te voorkomen. De reclassering schat het risico op recidive en op letsel in als gemiddeld tot hoog. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Volgens de reclassering biedt de maatregel van tbs met voorwaarden onvoldoende waarborgen om deze risico’s structureel te kunnen beheersen. Gelet hierop adviseert de reclassering bij een bewezenverklaring negatief over een tbs-maatregel met voorwaarden. Voor het geval de rechtbank toch komt tot oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden, heeft de reclassering een uitgebreid pakket aan bijzondere voorwaarden geformuleerd, te weten: meewerken aan reclasseringstoezicht; meewerken aan time-out; niet naar het buitenland; meldplicht bij reclassering; opneming in een zorginstelling; ambulante behandeling; verbod verdovende middelen; contactverbod; locatieverbod (met elektronisch toezicht) en dagbesteding.

Op de zitting van 8 september 2026 heeft de rechtbank de reclasseringsmedewerker

[naam 3] van Reclassering Nederland als deskundige gehoord. Hij heeft ter aanvulling op het reclasseringsrapport op de zitting verklaard dat de forensische verslavingskliniek van GGZ Reclassering Fivoor Rotterdam een plek voor de verdachte heeft en bereid is de verdachte te behandelen als de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden op zou leggen.

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezen verklaarde feiten in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 29 januari 2025, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 22 september 2026 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op vier maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

De op te leggen straf

Het zwaartepunt voor het bepalen van de hoogte van de straf is in deze zaak de poging tot moord. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank acht gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank komt evenwel tot een lagere straf dan de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen uit het aanvullend neuro(psycho)logisch onderzoek van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en zal hiermee rekening houden in de strafoplegging. De rechtbank slaat daarbij in het bijzonder acht op het voornoemde aanvullende neuropsychologisch en neurologische onderzoek waarbij de combinatie van zijn bestaande gestoorde emotie-regulatie als gevolg van het niet aangeboren hersenletsel, het wegvallen van externe structuur door het overlijden van zijn vader en het verlies van werk en sport als gevolg van de eerdere veroordeling en zijn daaropvolgende overmatig drank- en drugsgebruik hebben geleid tot een manifeste gedragsstoornis die volgens de deskundigen heeft bijgedragen aan het bewezenverklaarde. Ook houdt de rechtbank – zoals hierna zal worden overwogen – rekening met de noodzaak tot behandeling van de verdachte in het kader van de tbs-maatregel. De rechtbank vindt in dit geval in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zestig maanden (vijf jaar) passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de duur van de op te leggen gevangenisstraf minderen met drie maanden.

Alles afwegend, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden (vier jaar en negen maanden), met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Tbs-maatregel met voorwaarden (feit 1 primair en feit 2 primair)

Vooropgesteld wordt dat aan voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de tbs-maatregel kunnen worden opgelegd. In de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit moet in de tweede plaats een misdrijf betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.

Aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Uit de conclusies en adviezen van de deskundigen blijkt dat ten tijde van het plegen van de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr, bestond. Voornoemde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Gelet op de ernst van en de omstandigheden waaronder deze feiten hebben plaatsgevonden, vereist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het gevaarscriterium het volgende in aanmerking genomen. De verdachte, zoals hierboven ook genoemd, is op 12 maart 2024 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd. Het dossier en vonnis in die zaak zijn door de officier van justitie aan het procesdossier van onderhavige zaak toegevoegd. Hoewel het in die zaak gaat om een zedendelict en niet om een geweldsdelict, ziet de rechtbank gelijkenissen en daarmee gevaar in de omstandigheid dat de verdachte niet om kan gaan met een ‘nee’ van vrouwen, hen tot iets wil dwingen en dan (ernstig) grensoverschrijdend gedrag laat zien. Het recidivegevaar volgt ook uit het neuro(psycho)logisch onderzoek, waaruit blijkt dat de verdachte door de neurocognitieve stoornis een opeenstapeling van prikkels gepaard met (negatieve) emoties niet kan reguleren en zijn emoties en gedrag niet meer kan stoppen als een bepaalde drempelwaarde is overschreden en dan niet meer in staat is een andere oplossing of benadering te kiezen, met name indien stabiele factoren en structuur wegvallen. De omstandigheid dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten zoals onderhavige, is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen reden om af te zien van de oplegging van de tbs-maatregel. Daarmee wordt immers juist beoogd te voorkomen dat de verdachte op dat vlak recidiveert.

De rechtbank is, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en van de reclassering en op alle overige omstandigheden van het geval, van oordeel dat vanuit het oogpunt van terugdringen van het recidivegevaar en bescherming van de maatschappij de terbeschikkingstelling van de verdachte dient te worden gelast en voorwaarden betreffende zijn gedrag dienen te worden gesteld, zoals geadviseerd door de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard aan deze voorwaarden mee te werken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging op dit moment niet noodzakelijk. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de klinisch neuropsycholoog en neuroloog hebben omschreven wat de verdachte nodig heeft om te voorkomen dat “de emmer bij hem overloopt”. De rechtbank concludeert dat de behandeling en begeleiding die de verdachte nodig heeft in een minder ingrijpend, maar evengoed stevig en streng gereguleerd kader dan de tbs-maatregel met dwangverpleging plaats kan vinden. Ook weegt de rechtbank mee dat er, blijkens de verklaring van de reclasseringsmedewerker, een forensische verslavingskliniek in Rotterdam is, die bereid is de verdachte te behandelen en begeleiden. De verdachte komt op de rechtbank authentiek over in zijn wens om aan zichzelf te werken en zich aan de te stellen voorwaarden te houden. De rechtbank ziet zichzelf hierin gesteund doordat de psycholoog op de zitting heeft verklaard dat zij verwacht dat de verdachte zich niet zal onttrekken aan de voorwaarden bij oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de verdachte een kans te bieden om een dergelijk traject te laten slagen.

Omdat de rechtbank het van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan de detentie zal aanvangen, zal de rechtbank bepalen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

De rechtbank kan in een later stadium, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd indien de voorwaarden niet worden nageleefd. De onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele tbs-maatregel met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

GVM (artikel 38z Sr)

De rechtbank acht het ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen noodzakelijk dat aansluitend aan de tbs-maatregel een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte wordt opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan.

De rechtbank leidt uit de deskundigenrapportages af dat de psychische problematiek van de verdachte chronisch en hardnekkig is. Zoals overwogen is de rechtbank van oordeel dat het – met die problematiek verband houdende – recidiverisico op nieuwe geweldsdelicten hoog is. Gelet daarop moet er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee worden gehouden dat ook na beëindiging van de tbs-maatregel met voorwaarden – die naar huidig recht in duur is beperkt tot negen jaren – langdurig toezicht noodzakelijk is om het recidiverisico terug te dringen naar een aanvaardbaar risico of op een aanvaardbaar niveau te houden.

De rechtbank acht het daarom aangewezen dat de verdachte langdurig onder toezicht wordt gesteld. Hierdoor kan de rechtbank, nadat de tbs-maatregel is beëindigd, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van de GVM bevelen en de inhoud en de duur daarvan bepalen(artikel 6:6:23b Sv).

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft mr. V.H. Hammerstein als haar gemachtigde een vordering tot schadevergoeding van € 10.068,95 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit € 68,95 aan materiële schade (te weten de kosten voor de aanschaf van een ringdeurbel) en € 10.000,- aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de gestelde materiële schade. Wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Voor de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de ingediende vordering en de bewezen verklaarde feiten, omdat de ringdeurbel is aangeschaft voordat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat het geestelijk letsel in de vordering is onderbouwd met een verklaring van de GZ-psycholoog van 16 februari 2026 dat ziet op de behandeling van de benadeelde partij bij [instantie] . Uit deze verklaring volgt dat de psychische gevolgen voor de benadeelde partij bestaan uit schrikbeelden, verhoogde alertheid en schrikachtigheid, angstklachten, vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Ook is zij gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij met deze verklaring voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij als gevolg van verdachtes onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde handelen geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

De verdediging heeft het gevorderde bedrag ter grootte van € 10.000,- ter vergoeding van de geleden immateriële schade niet betwist. De rechtbank acht toewijzing van dit bedrag billijk. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade zal daarom volledig worden toegewezen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van

€ 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 januari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden

begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot moord en poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 12 maart 2024 in de zaak met parketnummer 15/222317-22 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 2 april 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 27 maart 2024.

De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 [zevenenvijftig] maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.

Tbs-maatregel met voorwaarden

Gelast dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt een enig strafbaar feit.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meewerken aan reclasseringstoezicht

De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de verdachte:

Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

Niet naar het buitenland

De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

Opneming in een zorginstelling

Dat de verdachte zich voor twee jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FVK Fivoor of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het stabiliseren van het gedrag, het reduceren van risico’s en het aanleren van vaardigheden binnen een sterk gestructureerde omgeving. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de

behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling

Dat de verdachte zich aansluitend op de klinische behandeling laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Verbod verdovende middelen

Dat de verdachte geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Alcoholverbod

Dat de verdachte geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Contactverbod

Dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .

Locatieverbod (met elektronisch toezicht)

Dat de verdachte zich niet bevindt in [plaats] zolang de reclassering dat nodig vindt. De

reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, zolang de reclassering dit nodig acht.

Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/222317-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 [twee] weken, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland d.d. 12 maart 2024.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rigter, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. P.E.A. Chao, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Rigter
  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. P.E.A. Chao

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand