RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/089971-26 (P)
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te onbekend (Verenigde Staten),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. Prins, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.L. Scheeren, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte dit feit heeft bekend, zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee op 26 maart 2026 (dossierpagina 38 e.v.);
- een proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2026 (dossierpagina 10 e.v.);
- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 25 maart 2026, met bijlagen, (dossierpagina 55 e.v.);
- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen NFiDENT van 26 maart 2026, met bijlagen, (dossierpagina 74 e.v.).
De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 25 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte is door zijn raadsvrouw een beroep gedaan op psychische overmacht. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte onder bedreiging van meerdere personen de koffer met cocaïne naar Nederland heeft gesmokkeld. De bedreiging hield in dat de broer van de verdachte anders iets aan zou worden gedaan. Onder die omstandigheid kon van hem niet redelijkerwijs worden gevergd dat hij tegen de op hem uitgeoefende druk weerstand bood, zodat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt, omdat de verdediging het verweer onvoldoende heeft onderbouwd en dit scenario ook onvoldoende aannemelijk is te achten op basis van het procesdossier.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voorafgaand aan zijn reis naar Nederland twee dagen heeft verbleven in een hotelkamer in Peru. Tijdens deze twee dagen werd hem cocaïne aangeboden om te gebruiken. De verdachte is, zo heeft hij verklaard, verslaafd aan cocaïne. Ook zou hij pillen hebben gebruikt. Zijn hotelkamer werd door één persoon in de gaten gehouden. Met de andere personen die hem bedreigde had hij contact via videobellen. Zij hebben na twee dagen gezegd dat hij de koffer naar Nederland moest brengen. Als hij dat niet zou doen dan zouden zij zijn broer iets aan doen. De verdachte wist niet precies welke drugs in de koffer zaten.
De verdachte heeft zijn verklaring niet onderbouwd, en de rechtbank kan het geschetste scenario dus niet toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van wat de verdachte heeft verklaard, niet aannemelijk geworden dat de verdachte geen enkele andere uitweg heeft gehad dan het naar Nederland smokkelen van de drugs. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van vier kilo cocaïne. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stoffen. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs. De rechtbank weegt in haar strafoplegging mee dat de verdachte als koerier is ingezet door een organisatie. De verdachte heeft geen zeggenschap gehad over de inhoud van de koffer en de hoeveelheid cocaïne die zich in de koffer bevond, alsmede wat er daarna met de cocaïne zou gaan gebeuren.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2026 is de verdachte niet eerder in Nederland veroordeeld voor een strafbaar feit.
Strafsoort en strafmaat
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken en zij heeft daarbij betrokken de hoeveelheid cocaïne die door de verdachte Nederland is binnengebracht. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor het invoeren van een hoeveelheid van 3000 gram tot 4000 gram cocaïne als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 tot 36 maanden. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de rol van de verdachte als koerier.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, recht doet aan de ernst van het feit en aan de persoon van de verdachte.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.
mr. N. Ćulafić is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.