RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/099855-26 & 15/221154-25 (vord. TUL) (P)
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. Prins, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.E.M. Metri, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1: hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een of meerdere blikjes bier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 2: hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer in het besloten lokaal Aankomstpassage 36 bij Albert Heijn, gelegen in Luchthaven Schiphol, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 9 maart 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 12 maanden.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Aangezien de verdachte de feiten heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
Feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 7 juli 2026 afgelegd;
een proces-verbaal van aangifte met bijlagen gedaan door [aangever] van 2 april 2026 (dossierpagina 23 e.v.);
een proces-verbaal van bevindingen van 2 april 2026 (dossierpagina 40 e.v.).
Feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 7 juli 2026 afgelegd;
een schriftelijk bescheid, zijnde een winkelverbod voor de Albert Heijn van 9 maart 2026 (dossierpagina 33).
De hiervoor genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1: hij op 2 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer meerdere blikjes bier die aan de Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 2: hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer in het besloten lokaal Aankomstpassage 36 bij Albert Heijn, gelegen in Luchthaven Schiphol, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 9 maart 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Wat aan de verdachte onder meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: diefstal.
Feit 2: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gevraagd om aan de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen. De verdachte heeft eerder niet meegewerkt aan de opgelegde bijzondere voorwaarden, maar de verdachte is inmiddels gemotiveerd om te veranderen en wil graag meewerken. Primair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden het reclasseringstoezicht en alle andere bijzondere voorwaarden die de rechtbank nodig acht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Indien de rechtbank wel overgaat tot de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, dan verzoekt de raadsvrouw om te bepalen dat er een tussentijdse toets plaatsvindt na zes maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Een dergelijk feit is hinderlijk en veroorzaakt overlast voor de maatschappij in het algemeen en voor winkeliers in het bijzonder. Zeker in het geval dat personen, zoals de verdachte, zich daaraan stelselmatig schuldig maken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door de Albert Heijn binnen te gaan, ondanks dat hem de toegang tot deze winkel was ontzegd. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de aan hem opgelegde verboden, die hem zijn opgelegd naar aanleiding van eerder gepleegde winkeldiefstallen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder veelvuldig wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook gekeken het rapport van de reclassering van 10 juni 2026 en de aanvulling van 25 juni 2026 die over de verdachte zijn uitgebracht. De rechtbank heeft hierin, samengevat, het volgende gelezen. Bij de verdachte is sprake van verdovende middelenproblematiek en instabiliteit op alle leefgebieden. De verdachte is daarbij niet-ingezetene in Nederland, waardoor geen mogelijkheden worden gezien om met toezicht of interventies toe te werken naar recidivevermindering en het bewerkstelligen van gedragsverandering. Desondanks is er in december 2025 toch een reclasseringstoezicht opgelegd onder parketnummer 15/221154-25. Op 27 maart 2026 werd door de toezichthouder een advies tot tenuitvoerlegging uitgebracht, omdat er op geen enkele wijze contact met de verdachte tot stand kwam en er hierdoor geen invulling kon worden gegeven aan het toezicht. De verdachte heeft onvoldoende rechten opgebouwd om aanspraak te kunnen maken op sociale voorzieningen en een adequaat hulpverleningsaanbod in Nederland, hetgeen een recidive verhogende factor is. Aan de verdachte is na de vorige zitting een kans geboden om hulp te krijgen voor zijn verslavingsprobleem en zijn delictgedrag, maar die kans heeft de verdachte niet benut. De verdachte voldoet dan ook aan de zachte ISD-criteria. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) was op 2 april 2026 een procedure opgestart om het EU-verblijfsrecht van de verdachte in te trekken. Eind april 2026 is echter besloten hiervan af te zien. Het is de reclassering niet bekend wat de reden hiervan is. De verdachte verblijft vooralsnog rechtmatig in Nederland op basis van zijn Unierecht. Aangezien de verdachte er niet in is geslaagd om zelfvoorzienend te worden en een delictvrij bestaan te leiden, ziet de reclassering geen contra-indicaties om de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onder feit 1 bewezenverklaarde diefstal aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft een misdrijf begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit zijn Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2026 blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten meer dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de voornoemde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging daarvan. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het risico op recidive hoog is. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: de verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Gelet op de veelvuldige recidive houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte wederom misdrijven zal blijven plegen als hij niet gedwongen wordt mee te werken aan behandeling. Bij die stand van zaken is het stadium bereikt dat de veiligheid van goederen het opleggen van een ISD-maatregel eist.
Gelet op het strafblad van de verdachte en de over de verdachte opgemaakte rapportages bestaan bij de rechtbank ernstige zorgen ten aanzien van de verslavingsproblematiek van de verdachte, huisvesting, zijn financiën en zijn sociale netwerk. De verdachte heeft daarbij erkend dat hij de praktische zaken zelf niet kan oplossen. De rechtbank stelt verder vast dat tot op heden de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is geëindigd. De rechtbank ziet, net als de reclassering, op dit moment geen mogelijkheden meer om de behandeling en begeleiding die de verdachte nodig heeft te laten plaatsvinden binnen een voorwaardelijk kader. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat meermalen is geprobeerd de verdachte te helpen stabiliseren en het recidiverisico te verminderen, maar dat de verdachte hier onvoldoende aan heeft meegewerkt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen mogelijkheden aanwezig om op andere wijze tot positieve gedragsverandering bij de verdachte te komen.
Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het bepalen van een tussentijdse beoordeling van de maatregel, nu de problematiek van de verdachte zodanig lijkt te zijn dat voor de behandeling daarvan geruime tijd nodig zal zijn.
Om de recidive te beëindigen en de behandeling van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering zal worden gebracht.
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel ten aanzien van feit 2
Feit 2 is een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Hiermee voldoet dit feit dan ook niet aan wat gesteld is in artikel 38m, eerste lid, Sr en kan het niet mede ten grondslag liggen aan de oplegging van de ISD-maatregel. Een afzonderlijke strafoplegging voor dit feit naast de ISD-maatregel is wettelijk ook niet mogelijk (vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1161). De rechtbank ziet daarom aanleiding om ten aanzien van dit feit toepassing te geven aan artikel 9a Sr en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 1 december 2025 in de zaak met parketnummer 15/221154-25 heeft rechtbank te Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal en vernieling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstrafstraf voor de duur van 60 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 december 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 16 december 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in verband met de gevorderde oplegging van de ISD-maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen indien wordt overgegaan tot het opleggen van de ISD-maatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk.
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijden schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en heeft daarmee de algemene voorwaarden overtreden. Echter, gelet op het feit dat in deze strafzaak aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank het niet opportuun om nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
38m, 38n, 57, 138, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op ten aanzien van feit 1 de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.
Bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 1 december 2025 van de rechtbank te Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/221154-25 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.
mr. N. Ćulafić is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.