ECLI:NL:RBNHO:2026:12764

ECLI:NL:RBNHO:2026:12764

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 02-07-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 15/067063-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft gedurende een periode van ruim twee jaar 152 bots aangekocht via Genesis Market met het oogmerk zich schuldig te maken aan computervredebreuk. De bots bevatten onder meer inloggegevens, waaronder gebruikersnamen en bijbehorende wachtwoorden, en digitale vingerafdrukken van andere personen die zijn verkregen door het infecteren met malware van computers of servers. De verdachte heeft gebruik gemaakt van deze inloggegevens om te zoeken naar identiteitskaarten zodat hij deze valselijk kon opmaken en daarmee identiteitsfraude kon plegen. Geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 80 uur opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/067063-23 (P)

Uitspraakdatum: 2 juli 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.R. Koenders en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. S. Konya, advocaat te Bodegraven, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 21-01-2020 tot en met 11-03-2022 te Leiderdorp en/of te Zwammerdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd,

door op de website Genesis Market toegang tot 254 bots te (doen) verwerven, bevattende een of meer gebruikersnamen, wachtwoorden, browsercookies en/of browser fingerprints toebehorende aan een of meer andere personen (dan verdachte) waarmee toegang kan worden verkregen tot een of meer geautomatiseerde werken of een deel daarvan;

Feit 2

primair

hij in of omstreeks de periode van 15-07-2022 tot en met 27-07-2022 te Leiderdorp en/of te Zwammerdam, althans in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten (een kopie van) een Nederlandse identiteitskaart met [nummer] , op naam van [slachtoffer 1] , valselijk heeft opgemaakt of vervalst; bestaande de valsheid en/of vervalsing hieruit dat,

- de foto op voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1]

van een ander is dan degene op wiens naam de identiteitskaart staat en/of

-de voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1] qua lay-out niet overeenkomt met een originele Nederlandse identiteitskaart en/of

-de voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1] een kaartnummer heeft dat qua lettertype en uitlijning niet overeenkomt met een originele Nederlandse identiteitskaart;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 15-07-2022 tot en met 04-04-2023 te Leiderdorp en/of te Zwammerdam, althans in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (een kopie van) een Nederlandse identiteitskaart met [nummer] , op naam van [slachtoffer 1] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 juni 2026 afgelegd;

het proces-verbaal van relaas van 5 maart 2024 (Map A1 procesdossier pagina 1 e.v.).

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij in de periode van 21-01-2020 tot en met 11-03-2022 in Nederland, meermalen, een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft verworven en voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd,

door op de website Genesis Market toegang tot 152 bots te verwerven, bevattende gebruikersnamen, wachtwoorden, browsercookies en/of browser fingerprints toebehorende aan andere personen dan verdachte waarmee toegang kan worden verkregen tot geautomatiseerde werken of een deel daarvan.

Feit 2

primair

hij in de periode van 15-07-2022 tot en met 27-07-2022 in Nederland, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een kopie van een Nederlandse identiteitskaart met [nummer] , op naam van [slachtoffer 1] , valselijk heeft opgemaakt

bestaande de valsheid hieruit dat,

- de foto op voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1]

van een ander is dan degene op wiens naam de identiteitskaart staat en

-de voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1] qua lay-out niet overeenkomt met een originele Nederlandse identiteitskaart en

-de voornoemde Nederlandse identiteitskaart op naam van [slachtoffer 1] een kaartnummer heeft dat qua lettertype en uitlijning niet overeenkomt met een originele Nederlandse identiteitskaart.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben, meermalen gepleegd;

Feit 2

een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht valselijk opmaken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich conform het daartoe strekkend advies van de reclassering op het standpunt gesteld dat geen adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen vervangende hechtenis, wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Het onderzoek is aangevangen toen de verdachte nog minderjarig was en destijds woonde hij nog bij zijn ouders en ging hij naar school. De raadsman acht de gevorderde taakstraf redelijk, maar de duur van de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf aan de lange kant. De raadsman heeft voorts verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft gedurende een periode van ruim twee jaar 152 bots aangekocht via Genesis Market met het oogmerk zich schuldig te maken aan computervredebreuk. De bots bevatten onder meer inloggegevens, waaronder gebruikersnamen en bijbehorende wachtwoorden, en digitale vingerafdrukken van andere personen die zijn verkregen door het infecteren met malware van computers of servers. De verdachte heeft gebruik gemaakt van deze inloggegevens om te zoeken naar identiteitskaarten zodat hij deze valselijk kon opmaken en daarmee identiteitsfraude kon plegen. Met die inloggegevens heeft de verdachte via de accounts van de slachtoffers diverse goederen aangeschaft bij webwinkels. De verdachte heeft deze aangeschafte goederen nooit betaald en zo de slachtoffers ook financieel benadeeld. De verdachte heeft hiermee getoond geen respect te hebben voor het eigendom en de privacy van anderen en heeft kennelijk eigen geldelijk gewin vooropgesteld. Door zijn handelen heeft de verdachte er ook voor gezorgd dat een aantal slachtoffers er geen vertrouwen meer in had dat hun gegevens veilig waren. Daarnaast ondermijnt dergelijk frauduleus handelen het vertrouwen van de samenleving in de veiligheid van digitaal betalingsverkeer met het risico van ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer.

Verder heeft de verdachte een Nederlandse identiteitskaart valselijk opgemaakt. Hij heeft daarvoor gebruik gemaakt van een kopie van een identiteitskaart die hij heeft gevonden in een mailbox waarin hij is binnengedrongen met behulp van een aangeschafte bot. In het maatschappelijk verkeer hoort men erop te kunnen vertrouwen dat ter identificatie gebruikte ambtelijke stukken, zoals identiteitskaarten, een juiste weergave bevatten van de daarin vermelde gegevens. Door het valselijk opmaken van een identiteitskaart heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op dat vertrouwen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 8 mei 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Hieruit volgt dat de reclassering geen risicofactoren ziet op de praktische leefgebieden, behoudens het psychosociaal functioneren. De verdachte gebruikt geen verdovende middelen meer en is op dit moment in behandeling voor traumaproblematiek. Het behandeltraject is intensief en heeft grote impact op het functioneren van de verdachte. Hij werkt op dit moment drie uur per week vrijwillig in een kringloopwinkel en deze uren kunnen voorlopig niet worden uitgebreid. De verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij eerst een opleiding zou willen volgen in de zorg, en dat hij ook opgeleid wil worden tot ervaringsdeskundige zodra zijn psychische gesteldheid dit toelaat.

Adolescentenstrafrecht

Omdat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al wel ouder was dan 18 jaar maar

nog niet de leeftijd van 23 jaar had bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht

(ASR) toegepast worden. Hierbij kan een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd indien daartoe aanleiding bestaat. De reclassering heeft in haar advies aangegeven met de beschikbare informatie geen advies te kunnen geven over de toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Gelet op deze conclusie, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn houding op de zitting ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal daarom het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank houdt wel rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten.

Redelijke termijn

Bij het opleggen van de straf moet de rechtbank ook beoordelen of de zaak van de verdachte binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 24 juli 2023. Op die dag is de verdachte aangehouden. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een beslissing in de zaak van de verdachte moet nemen. Dat betekent dat het vonnis op 24 juli 2025 gereed had moeten zijn. Het vonnis in deze zaak is bepaald op 2 juli 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met bijna één jaar is overschreden.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de impact die een dergelijk feit heeft op de slachtoffers daarvan en de samenleving als geheel, zonder meer een gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Daar staat tegenover dat de rechtbank de positieve ontwikkeling van de verdachte niet wil doorkruisen door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft daarnaast in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden moet worden opgelegd, met een proeftijd van één jaar.

De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

7. Vorderingen benadeelde partijen

De vorderingen

[slachtoffer 2] B.V.

Namens [slachtoffer 2] B.V. (hierna: [slachtoffer 2] ) is door [naam] een vordering tot schadevergoeding van € 4.270,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

[slachtoffer 1]

Door [slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 100.000,- ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

[slachtoffer 3]

Door [slachtoffer 3] is een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

[slachtoffer 4]

Door [slachtoffer 4] is een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De standpunten

De officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat [naam] bevoegd was een dergelijke vordering namens [slachtoffer 2] in te dienen. Een ander persoon heeft immers aangifte gedaan namens [slachtoffer 2] en bij de vordering is ook geen uittreksel van de Kamer van Koophandel gevoegd.

De officier van justitie heeft verzocht [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag geen steun vindt in het dossier en overigens niet is onderbouwd. Ten aanzien van de overige benadeelde partijen heeft de officier van justitie verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat in geen van de overige vorderingen concrete bedragen worden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, met verwijzing naar de toelichting van de officier van justitie, bepleit dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 2]

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering nu niet is gebleken dat [naam] namens de vennootschap gevolmachtigd is een vordering tot schadevergoeding in te dienen.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid alsnog ter onderbouwing een destijds geldige volmacht te overleggen althans deze rechtshandeling te bekrachtigen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering. [slachtoffer 2] kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, moet de benadeelde partij de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Overige vorderingen

De rechtbank wijst de overige vorderingen van de benadeelde partij af. De benadeelde partijen hebben de vorderingen tot schadevergoeding niet onderbouwd. Er zijn immers geen concrete bedragen genoemd of stukken ter onderbouwing van de schade aangeleverd.

Omdat de vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen, moeten de benadeelde partijen de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vorderingen in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 57, 139d, 231 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 1 (één) jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 80 (tachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

Veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte gemaakt ter verdediging tegen die vorderingen, tot op heden begroot op nihil.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. Kleijne, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. P.E.A. Chao, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.D. Kleijne
  • mr. M.S. Neervoort
  • mr. P.E.A. Chao

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand