RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/226649-25 (P)
Uitspraakdatum: 2 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Diependaal, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. T.G.M. Houben, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een aanvalsgeweer, van het merk Zastava, type M772 B1, kaliber 7,62 x 39mm zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad en 2 patroonhouders en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad;
Feit 2
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, op de openbare weg (te weten aan de Piet Kuiperlaan ter hoogte van nummer 64), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- [het slachtoffer] met een (fiets)ketting te slaan, en/of
- [het slachtoffer] met gebalde vuist tegen zijn neus, althans zijn gezicht te slaan, en/of
- [het slachtoffer] te schoppen tegen zijn hoofd en/of bovenlijf althans lichaam;
Feit 3
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, al dan niet opzettelijk, twee, althans één of meer, stuks knalvuurwek (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en/of heeft opgeslagen.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, omdat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van het wapen. De bewijswaarde van het DNA-rapport is bovendien gering omdat sprake kan zijn van secundaire overdracht. Voor het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het slaan met de fietsketting en het schoppen. De raadsman heeft zich voor de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring feiten 1, 2 en 3 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen feit 1
Een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) vereist dat de verdachte zich in zekere mate bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat wapen of de munitie en daar ook over kan beschikken.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op 21 augustus 2025 in Westknollendam een sporttas in zijn handen heeft gehad en deze over een schutting heeft gegooid om hem buiten het zicht van de politie te houden. Op een later moment heeft de politie deze tas aangetroffen en veiliggesteld. In de tas zat een automatisch vuurwapen en daarbij munitie die bestemd en geschikt is voor het vuurwapen. Het NFI heeft onderzoek verricht naar sporen die op het vuurwapen zijn aangetroffen.
De rechtbank concludeert op basis van het sporenonderzoek dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op meerdere plekken op het vuurwapen. Het verweer dat het DNA van de verdachte via secundaire overdracht op het vuurwapen terecht is gekomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer en gaat ervan uit dat de verdachte het wapen op enig moment in handen heeft gehad. Op 21 augustus 2025 heeft de verdachte de tas op verzoek van de medeverdachte – en naar eigen zeggen in paniek – over de schutting gegooid zodat de politie de tas niet zou vinden, kennelijk zonder hierover vragen te stellen. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte wist dat het vuurwapen met munitie in de tas zat en daar ook over heeft kunnen beschikken.
Gelet op het feit dat de medeverdachte tegen de verdachte heeft gezegd dat de verdachte de tas met het vuurwapen en de munitie over de schutting moest gooien, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het vuurwapen en de munitie samen met de medeverdachte voorhanden heeft gehad.
Bewijsoverweging feit 2
De verdachte is, gevolgd door de medeverdachte, naar de aangever bij de jachthaven gegaan. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij met een gebalde vuist tegen het gezicht van de aangever heeft geslagen. Toen hij in gevecht was met de aangever kwam de medeverdachte erbij.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte en de medeverdachte hebben immers beiden geslagen, waardoor zij beiden aan het geweld een significante bijdrage hebben geleverd. Bovendien vond het geweld aan de openbare weg plaats.
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het slaan met de fietsketting en het schoppen niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij op 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een aanvalsgeweer, van het merk Zastava, type M72 B1, kaliber 7,62 x 39mm zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad en 2 patroonhouders en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad.
Feit 2
hij op 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [het slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- [het slachtoffer] met gebalde vuist tegen zijn gezicht te slaan.
Feit 3
hij op 21 augustus 2025 te Westknollendam, gemeente Zaanstad, opzettelijk, twee stuks knalvuurwerk (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, met uitzondering van onderdeel 2º of onderdeel 7º, en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
Feit 2
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 3
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
De strafbaarheid
Door de verdediging is bepleit dat aan de verdachte met betrekking tot de openlijke geweldpleging een beroep op noodweer toekomt. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de aangever agressief op de verdachte af kwam. Er was sprake van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanval waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het ging om een onverhoedse aanval. De verdediging daartegen was proportioneel en voldoet ook aan het vereiste van subsidiariteit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een noodweersituatie, omdat de verdachte en de medeverdachte zelf de confrontatie hebben opgezocht. Deze handelingen zijn in de kern aanvallend, zodat een beroep op noodweer niet kan slagen.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard als de gedraging van de verdachte – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte verhaal is gaan halen bij de aangever omdat deze de medeverdachte had geslagen met een kettingslot. De verdachte heeft daarmee bewust de confrontatie met de aangever opgezocht. Vervolgens ontstond een gevecht waarbij de aangever en de verdachte elkaar over en weer hebben geslagen. De medeverdachte heeft zich op enig moment in dit handgemeen gemengd. Naar de kern bezien moet de handelwijze van de verdachte daarom als aanvallend worden beoordeeld. Ook in het geval waarin de aangever de eerste klap aan de verdachte zou hebben gegeven, is er geen sprake van een situatie waarin het voor de verdachte noodzakelijk was om zich te verdedigen tegen het geweld dat op hem was gericht. Het gevecht vond immers plaats op de openbare weg en de verdachte had zich op dat moment kunnen en moeten onttrekken, bijvoorbeeld door weg te lopen. Onder deze omstandigheden komt aan de verdachte geen beroep op noodweer toe. Het daartoe strekkende verweer wordt daarom verworpen.
Er is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij een bewezenverklaring rekening te houden met de context waarin het geweld heeft plaatsgevonden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft een eigen bedrijf en draagt de financiële zorg voor zijn familie. De raadsman heeft verder verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met de medeverdachte een automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en brengt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee. Bovendien kan het bezit hiervan ertoe leiden dat dit wapen op enig moment gebruikt wordt tegen personen. Verder heeft de verdachte verboden zeer explosief vuurwerk in de vorm van twee Cobra’s voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van zulk zwaar vuurwerk in een woning brengt ook onaanvaardbare risico’s met zich mee op schade aan goederen en letsel bij personen.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen aangever. De verdachte heeft hem, samen met de medeverdachte, met gebalde vuist tegen het gezicht geslagen. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Voor de aangever is het een bedreigende en beangstigende situatie geweest. Bovendien leiden deze feiten tot gevoelens van onrust in de maatschappij, temeer nu het op klaarlichte dag en op openbaar terrein heeft plaatsgevonden.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 8 mei 2026 blijkt dat hij voor een soortgelijk feit eerder is veroordeeld, maar niet in de afgelopen vijf jaar. De rechtbank weegt dit niet in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 juni 2026. Daaruit volgt dat het risico op recidive en letsel als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank, naast wat hiervoor is overwogen, ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de eis van de officier van justitie, een vrijheidsbenemende straf van twaalf maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Voorlopige hechtenis
Omdat de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd is bevolen en de officier van justitie en de verdediging hebben verzocht de schorsing te laten voortduren na de einduitspraak, zal de rechtbank geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal daardoor ook na de einduitspraak blijft voortduren.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens [het slachtoffer] is door mr. K. el Mhamdi een vordering tot schadevergoeding van € 2.950,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
De officier van justitie heeft gerekwireerd de vordering toe te wijzen omdat de schade rechtstreeks verband houdt met het onder 2 ten laste gelegde feit. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente, aan de verdachte moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd en verder moeten de verdachte en zijn medeverdachte hoofdelijk worden veroordeeld.
De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de vordering afgewezen moet worden, gelet op het ontbreken van een onderbouwing. Althans de vordering dient te worden gematigd in verband met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder sub b, BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het gepleegde strafbare feit. De rechtbank zal daarom overgaan tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade, begroot naar billijkheid. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal en in het bijzonder op paragraaf 14.1, categorie D. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer] zal daarom geheel worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die door of namens de benadeelde partij [het slachtoffer] zijn gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog zijn te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (in juridische termen: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht;
26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer;
1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 2.950,- bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.950,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.E.A. Chao, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026.