RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/280218-24 en 15/150329-23 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 2 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Eritrea),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Horenblas, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Haarlem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [het slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten, (een) pinpas(sen) en/of haar pincode en/of sieraden en/of 1000 euro, althans een geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
[het slachtoffer] gebeld en/of zich voorgedaan als iemand van de Rijksvoorlichtingsdienst
en/of als bankmedewerker en/of in die hoedanigheid:
- gezegd dat er verdachte activiteiten op de rekening van [het slachtoffer] waren gezien en/of
- gezegd dat er geprobeerd was om 800 euro van de rekening van [het slachtoffer] over te maken naar een rekeningnummer in België en/of
- gevraagd of [het slachtoffer] haar pincode wilde geven en/of
- gezegd dat [het slachtoffer] haar waardevolle spullen klaar moest leggen en/of
- [het slachtoffer] vervolgens een codewoord gegeven en/of
- gezegd dat iemand deze waardevolle spullen kwam ophalen en/of op de foto zou zetten, waardoor deze spullen veilig zouden zijn en/of
- vervolgens naar de woning van [het slachtoffer] is/zijn toegereden/gegaan en/of
waarna [het slachtoffer] haar (een) pinpas(sen) en/of pincode en/of sieraden en/of de 1000 euro, althans een geldbedrag heeft afgegeven;
feit 2
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Haarlem en/of Heemstede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (respectievelijk) 200 euro en/of 500, althans geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (zonder toestemming) gebruik te maken van de bankpas van [het slachtoffer] en/of de (bij die bankpas horende) pincode;
feit 3
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Haarlem, althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen,
zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde diefstal heeft de officier van justitie enkel gerekwireerd tot bewezenverklaring van de gekwalificeerde diefstal van 200 euro.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feiten 1 en 3
Met de officier van justitie en de raadsman van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft op 31 augustus 2024 bij de geldautomaat in de Albert Heijn in Heemstede een geldbedrag van € 500,- gepind met een bankpas van aangeefster [het slachtoffer]. Daarna heeft hij bij een Shell tankstation in Haarlem een aantal prepaid opwaardeerbonnen gekocht, naar later bleek voor een bedrag van in totaal € 200,-. Bij zijn aanhouding enkele minuten later werden in de auto van de verdachte twee bankpassen van de aangeefster aangetroffen, waaronder de bankpas waarmee de verdachte kort daarvoor had gepind, en vier prepaid opwaardeerbonnen. De bankpassen en een pincode van aangeefster waren minder dan een uur voor de geldopname bij de Albert Heijn door een onbekend gebleven persoon met een zogenaamde babbeltruc van de aangeefster weggenomen.
De verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van een jongen die hij spontaan op straat ontmoette en slechts één keer eerder heeft ontmoet, tweemaal een transactie heeft gedaan met een pinpas en -code die hij van die jongen had gekregen. De verdachte heeft gesteld dat hij niet wist dat op de pinpas een andere naam dan die van de jongen stond. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat van medeplegen van diefstal onder deze omstandigheden geen sprake kan zijn.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte voor zeer aanzienlijke bedragen transacties uitvoerde met een niet aan hem, de verdachte, toebehorende pinpas met bijbehorende pincode, welke pinpas samen met een deel van de buit bij zijn aanhouding in zijn auto is aangetroffen, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, samen met een onbekend gebleven mededader, de geldbedragen van vijfhonderd euro en tweehonderd euro weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, door middel van het zonder toestemming van aangeefster [het slachtoffer] gebruikmaken van haar bankpas en pincode.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 31 augustus 2024 te Haarlem en Heemstede, tezamen en in vereniging met een ander, 200 euro en 500 euro, die aan [het slachtoffer], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (zonder toestemming) gebruik te maken van de bankpas van [het slachtoffer] en de (bij die bankpas horende) pincode.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte op basis van het adolescentenstrafrecht zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vier weken, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van aanzienlijke geldbedragen door met een weggenomen bankpas te pinnen. Diefstal is een hinderlijk feit dat (financiële) schade en overlast veroorzaakt voor de maatschappij in het algemeen en voor de slachtoffers in het bijzonder. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. Op het moment van het plegen van het bewezen verklaarde feit liep de verdachte bovendien in een proeftijd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 2 juni 2026. Daaruit komt naar voren dat de verdachte op dit moment begeleiding krijgt van de jeugdreclassering, ingebed is in het juiste zorgcircuit en dat begeleiding nog altijd geïndiceerd is. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als hoog.
Toepassing jeugdstrafrecht
Ten aanzien van de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit negentien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dat een meerderjarige verdachte volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht, tenzij de rechtbank in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan grond ziet om op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat zijn IQ-score tussen 57 en 65 ligt, wat wijst op significante beperkingen in het algemene cognitieve functioneren. Deze verstandelijke beperking is van invloed geweest op zijn emotionele en sociale ontwikkeling. Hierdoor lijkt hij niet goed in staat risico’s en gevolgen van zijn gedrag en handelen in te schatten. De rechtbank ziet daarom aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS-jeugd gaan voor (winkel)diefstal met een schade van meer dan honderdvijftig euro uit van een taakstraf van dertig uur.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van dertig uur, met aftrek van het voorrest, moet worden opgelegd.
7. Beslag
Standpunt van de Officier van Justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen personenauto van het merk Peugeot aan de verdachte wordt teruggeven. Deze auto is weliswaar ten tijde van het bewezen verklaarde feit gebruikt maar deze is niet ten behoeve van dat feit ingezet. De cadeaubonnen moeten worden verbeurd verklaard en het stroomstootwapen moet worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen personenauto van het merk Peugeot en de cadeaubonnen aan de verdachte moeten worden teruggegeven. Wat betreft het stroomstootwapen refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de op de beslaglijst onder nummer 5 vermelde personenauto van het merk Peugeot, aan de verdachte moet worden teruggegeven.
De onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder nummers 1, 2, 3 en 4 vermelde cadeaubonnen, moeten verbeurd verklaard worden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is namelijk gebleken dat deze cadeaubonnen door middel van het bewezen verklaarde feit zijn verkregen.
Het onder de verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten het op de beslaglijst onder nummer 7 vermelde stroomstootwapen, moet worden onttrokken aan het verkeer. Dat voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Gelet op de omstandigheid dat dit voorwerp is aangetroffen in de auto van de verdachte, acht de rechtbank aannemelijk dat dit aan de verdachte toebehoort. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
[het slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.700,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag ziet op vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen: € 1.000,- aan contant geld dat bij haar woning zou zijn meegenomen en een bedrag van € 700,- euro dat van haar ING rekening zou zijn gepind. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, tot een bedrag van tweehonderd euro vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij moet volgens de officier van justitie voor het overige worden afgewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het bedrag van € 700,- dat van de ING rekening is gepind is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van het bedrag van € 1.000,-, zijnde het bedrag dat aan contant geld vanuit de woning van aangeefster zou zijn meegenomen, af. Deze schade zou door het onder 1 ten laste gelegde feiten zijn ontstaan en de verdachte zal van dit feit zal worden vrijgesproken.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 augustus 2024 datum (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 700,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 datum (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
De betalingen die de verdachte aan de Staat verricht, komen in mindering op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Gijzeling
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht, vindt de rechtbank het niet passend om gijzeling (van de in het volwassenstrafrecht gebruikelijke zeven dagen) aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op nul dagen.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 7 september 2023 in de zaak met parketnummer 15/150329-23 heeft deze rechtbank de verdachte voor meerdere diefstallen veroordeeld tot onder meer een taakstraf van twintig uur, waarvan tien uur voorwaardelijk. Bij het voorwaardelijk strafdeel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De genoemde proeftijd is ingegaan op 22 september 2023.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de duur van het voorarrest in deze strafzaak en de gevorderde straf.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met verwijzing naar de duur van het voorarrest verzocht niet over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt een nieuwe strafbare feit, als bewezen verklaard in deze zaak en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet op de op te leggen straf acht de rechtbank tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf niet opportuun en zal de vordering daarom afwijzen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 63, 77c, 77m, 77n en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 30 (dertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten:
Onttrekt aan het verkeer het op de beslaglijst onder 7 genoemde voorwerp, te weten:
1 STK Stroomstootwapen (Omschrijving: PL1100-2024193350-1642517).
Gelast de teruggave aan de verdachte, van het onder de verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: PL1100-2024193339-G1636693, Geel, merk: Peugeot).
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 700,- (zevenhonderd euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Wijst de vordering van [het slachtoffer] voor wat betreft het meer of anders gevorderde af.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [het slachtoffer] aan de Staat € 700,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met nul dagen gijzeling.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij
7 september 2023 van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/150329-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Neervoort, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026.