RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/101497-23
Uitspraakdatum: 17 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2023, 19 december 2023, 19 februari 2024, 14 mei 2024 en 3 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Rienks, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij zich – kort en zakelijk weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de opzettelijke invoer in Nederland van cocaïne, in de periode van 25 maart 2022 tot en met 5 april 2022.
Feit 2: het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de opzettelijke invoer in Nederland van cocaïne, in de periode van 6 april 2022 tot en met 23 april 2022.
Feit 3: het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de opzettelijke invoer in Nederland van cocaïne, in de periode van 18 februari 2022 tot en met 26 februari 2022.
Feit 4: het medeplegen van de invoer van cocaïne op 18 maart 2023 op Schiphol.
Feit 5: het medeplegen van de invoer van cocaïne op 3 juni 2023 op Schiphol.
Feit 6: het medeplegen van de (criminele) uitbuiting van een minderjarige, in de periode van 26 februari 2023 tot en met 18 maart 2023 in Nederland en/of op Curaçao (mensenhandel).
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 6 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder feit 6, het medeplegen van mensenhandel door de minderjarige [slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer]) (crimineel) uit te buiten, ten laste is gelegd. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Beoordelingskader mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. De tenlastelegging van feit 6 is toegesneden op gedragingen die zijn omschreven in artikel 273f, eerste lid aanhef, sub twee, Sr. Deze bepaling ziet, voor zover in deze zaak van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander, met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaar oud is.
De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van uitbuiting in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar hangt sterk samen met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de uitbuiter wordt behaald. Bij de weging van deze factoren moeten de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader worden gehanteerd. Hierbij geldt in het geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt in algemene zin op dat voor personen die (als koerier) drugs smokkelen doorgaans zal gelden dat zij dit doen nadat anderen hen een (financieel) voordeel in het vooruitzicht hebben gesteld. Vaak gaat het daarbij om personen die vanwege een slechte financiële (of anderszins kwetsbare) positie drugs smokkelen, ondanks het gegeven dat zij in geval van het slikken van bolletjes met drugs grote gezondheidsrisico’s lopen en daarnaast riskeren betrapt te worden en in de gevangenis belanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet in algemene zin gezegd worden dat deze personen slachtoffers zijn van mensenhandel. Bijzondere omstandigheden kunnen dit anders maken.
In de tenlastegelegde periode was [het slachtoffer] 17 jaar en dus minderjarig. Uit de verklaring van [het slachtoffer] volgt dat zijn thuissituatie moeilijk was; hij en zijn moeder werkten om de familie te onderhouden maar zij kwamen moeilijk rond. [het slachtoffer] heeft verder verklaard dat hij door iemand (“een Nederlandse meneer”) onder druk is gezet de drugs te smokkelen, maar volgens [het slachtoffer] heeft de verdachte geen druk op hem uitgeoefend. Uit onderzoek naar de telefoon van [het slachtoffer] blijkt dat [het slachtoffer] de verdachte heeft benaderd en hem om een klus heeft gevraagd. [het slachtoffer] merkt in deze berichten op “helemaal ready” te zijn.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de verdachte een faciliterende rol heeft gespeeld bij de drugssmokkel die door [het slachtoffer] is uitgevoerd en dat hij met [het slachtoffer] is meegereisd naar Nederland, mogelijk ook om hem in de gaten te houden. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende dat de verdachte druk op [het slachtoffer] heeft uitgeoefend om de reis te maken. Ook is niet gebleken dat [het slachtoffer] niet kon overzien welke risico’s hij zou lopen of dat sprake was van zodanige invloed van de verdachte op [het slachtoffer] dat hij redelijkerwijs geen andere keus had dan in te stemmen met het smokkelen van de cocaïne.
Conclusie
Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder 6 ten laste gelegde feit vrijspreken.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverwegingen
Inleiding
De verdachte wordt onder de feiten 1, 2 en 3 verweten dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de invoer van cocaïne door drie koeriers: [koerier A], [koerier B] en [koerier C].
In het onderzoek zijn onder meer de telefoonnummers +[nummer D], +[nummer E], +[nummer F] +[nummer G], +[nummer H] en +[nummer I] bij de politie in beeld gekomen als telefoonnummers waarvan de gebruiker betrokken is bij de onderhavige feiten.
3.3.3.1 Identificatie van de verdachte als gebruiker van telefoonnummer
De rechtbank stelt vast dat er zes telefoons onder de verdachte in beslag zijn genomen. De vraag is of de verdachte in de relevante periodes de gebruiker is geweest van voormelde telefoonnummers. De rechtbank beantwoordt deze vraag ten aanzien van de hierna te noemen telefoonnummers bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Telefoonnummer [nummer D]
Dit telefoonnummer straalt het meest uit in de omgeving van het adres [A-straat],
[postcode] in Sliedrecht. De verdachte stond op dit adres ingeschreven en op dit adres is hij ook aangehouden. De politie heeft met een onder de verdachte in beslag genomen telefoon (van het merk Apple/Iphone) contact gelegd met 112, waarna de medewerkster van de politie aangeeft dat met telefoonnummer [nummer D] wordt gebeld. Dit nummer staat in de telefoon van de [medeverdachte], te weten de zoon van de verdachte (hierna: [medeverdachte]), opgeslagen als ‘vader’. In de betreffende telefoon staan e-mails die gericht zijn aan [naam verdachte] (de naam van de verdachte). Het e-mailadres [account A]@gmail.com en [account B]@icloud.com is aan telefoonnummer [nummer D] gekoppeld.
Telefoonnummer [nummer E]
Dit telefoonnummer straalt het meest uit in de omgeving van het adres [A-straat],
[postcode] in Sliedrecht. De verdachte stond op dit adres ingeschreven en op dit adres is hij ook aangehouden. Uit de inhoud van chatgesprekken blijkt dat telefoonnummer [nummer E] contact heeft met [het slachtoffer], één van de smokkelaars van cocaïne. De verdachte is als ‘begeleider’ met [het slachtoffer] meegereisd. In de telefoon van [het slachtoffer] staat nummer [nummer E] als “[bijnaam]” opgeslagen en uit de verklaring van [het slachtoffer] volgt dat hij de verdachte “[bijnaam]” noemt. Ook staat nummer [nummer E] in de telefoon van de [medeverdachte] opgeslagen als ‘vader’.
Telefoonnummer [nummer F]
Vanuit dit telefoonnummer zijn afbeeldingen van rekeningnummer [bankrekeningnummer], de rekening van de verdachte, gestuurd naar contacten. Dit nummer staat in de telefoon van de [medeverdachte] opgeslagen als ‘vader’.
Telefoonnummer [nummer G]
Telefoonnummer [nummer G] stond in de telefoon van de [medeverdachte] opgeslagen als ‘vader’. In de telefoon van [koerier D], één van de smokkelaars, stond telefoonnummer [nummer G] opgeslagen als ‘[naam verdachte]’. Bij het beluisteren van tapgesprekken van dit telefoonnummer, hebben verbalisanten de stem van de verdachte herkend aan geluid, klank en intonatie. Dit telefoonnummer straalde in de nacht aan in de direct omgeving van het woonadres van de verdachte. De verdachte heeft verklaard [koerier D] afgezet te hebben op Schiphol en telefoonnummer [nummer G] volgt op de dag van vertrek van [koerier D] de reisroute vanuit de woning van [koerier D] naar Schiphol.
Telefoonnummer [nummer I]
Dit telefoonnummer is aangetroffen in de telefoon welke onder de verdachte in beslag genomen en bevat foto’s van de verdachte en foto’s van weegschalen op het aanrecht van de verdachte, die verbalisanten tijdens de doorzoeking in zijn woning hebben aangetroffen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten moet worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummers [nummer D], [nummer E], [nummer F], [nummer G] en [nummer I].
De rechtbank stelt verder vast dat tijdens de doorzoeking op de [A-straat] op 7 juli 2023 onder de verdachte een Alcatel telefoon in beslag is genomen. Uit gegevens in deze telefoon blijkt dat deze van [koerier C] is, één van de smokkelaars van verdovende middelen. Het is de rechtbank bekend dat telefoons van smokkelaars onder één van de organisatoren wordt gehouden als onderpand. Uit onderzoek aan deze telefoon blijkt dat het daarin aangetroffen telefoonnummer [nummer H] meermalen telefonisch contact heeft gehad met het hiervoor genoemde aan de verdachte toegeschreven telefoonnummer [nummer F].
De verdediging heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten aangevoerd dat de verdachte erin is geluisd door ‘[persoon M]’ (fonetisch), die bijvoorbeeld zijn telefoon(s) zou hebben gebruikt om reistickets voor koeriers te regelen. [persoon M] zou inmiddels niet meer in leven zijn. Deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het dossier. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij.
3.3.3.2 Geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoons onrechtmatig is geweest omdat de rechter-commissaris daarvoor geen machtiging heeft afgegeven. Volgens de raadsman moet dit primair leiden tot bewijsuitsluiting en subsidiair tot strafvermindering. De raadsman heeft echter niet naar voren gebracht op welke telefoon(s) het verweer ziet en evenmin duidelijk gemaakt welke resultaten van het opsporingsonderzoek volgens hem van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Ook heeft de raadsman niet beargumenteerd waarom als gevolg van het onderzoek aan de telefoon(s) van de verdachte sprake is van een schending van de persoonlijke levenssfeer.
Wat de raadsman met betrekking tot het bewijs heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden opgevat als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de rechtbank naar voren is gebracht. De rechtbank zal dit verweer daarom zonder nadere bespreking verwerpen.
3.3.3.3 Voorbereidingshandelingen invoer [koerier A], [koerier B] en [koerier C] (feit 1, 2 en 3)
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de ten laste gelegde gedragingen. Dit rechtbank volgt dit standpunt niet, en legt hierna uit waarom.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
[koerier A] (feit 1)
Op 2 april 2022 is [koerier A] aangehouden op Schiphol. Bij [koerier A] zijn 135 slikkersbollen aangetroffen die positief zijn getest op cocaïne. Het totaalgewicht van de cocaïne betrof 1.188 gram.
Medeverdachte [medeverdachte F] heeft in de ten laste gelegde periode (telefonisch) contact met [koerier A]. [medeverdachte F] stuurt [koerier A] aan en geeft hem aanwijzingen met betrekking tot de reis vanuit Frans-Guyana, via Frankrijk, naar Nederland. [koerier A] houdt [medeverdachte F] op de hoogte van zijn reisbewegingen. Het dossier bevat chatgesprekken tussen [medeverdachte F] en [koerier A] die niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat zij gaan over slikkersbollen en het produceren van die bollen. [koerier A] heeft [medeverdachte F] tijdens zijn verblijf in het buitenland veelvuldig om geld gevraagd. Er is een kostenverdeling gemaakt tussen onder meer [medeverdachte F], [koerier A] en de verdachte, voor wat betreft hun eigen taak en bijkomende kosten, waaronder het betalen van ambtenaren bij een controlepost.
Rondom de datum van de invoer, op 2 april 2022, heeft de verdachte (met telefoonnummer [nummer F]) veelvuldig contact onderhouden met [medeverdachte F] over het treinticket van [koerier A], de kosten hiervan en de reis zelf. Het treinticket van Parijs naar Rotterdam op naam van [koerier A] is door de verdachte betaald. Op 13 maart 2022 heeft de verdachte ten behoeve van [koerier A] een hotel in Frans-Guyana geboekt en betaald. Ook op 16 maart 2022 heeft de verdachte een boeking gemaakt ten behoeve van het verblijf van [koerier A] in Frans-Guyana.
[koerier B] (feit 2)
Op 23 april 2022 is [koerier B] in Parijs aangehouden. Bij [koerier B] zijn 97 slikkersbollen aangetroffen die positief zijn getest op cocaïne. Het totaalgewicht van de cocaïne betrof 1.091 gram.
De medeverdachte [medeverdachte F] heeft chatgesprekken gevoerd met [bijnaam koerier B] (de rechtbank begrijpt: [koerier B]). [koerier B] heeft aan [medeverdachte F] een foto van zijn identiteitsbewijs gestuurd en er wordt gesproken over [bijnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte). Op 7 april 2022 heeft [koerier B] een foto van zichzelf en zijn medereiziger aan [medeverdachte F] gestuurd met de opmerking “We zijn ory” (de rechtbank begrijpt: op de luchthaven Parijs Orly). [medeverdachte F] heeft iemand naar [koerier B] toegestuurd om het daadwerkelijke gewicht van de slikkersbollen vast te stellen.
De verdachte heeft met [medeverdachte F] contact gehad over de reis van [koerier B], de voortgang daarvan en de door hem gemaakte onkosten. De verdachte en [medeverdachte F] sturen elkaar over en weer afbeeldingen van vlieg- en treintickets op naam van [koerier B]. De verdachte heeft een busticket en een (Thalys) treinticket op naam van [koerier B] geboekt en betaald.
[koerier C] (feit 3)
Op 26 februari 2022 is [koerier C] aangehouden in Frankrijk voor het smokkelen van 4.026 gram cocaïne, waarbij hij de cocaïne op zijn lichaam had geplakt (een zogenoemde bodypacker).
Op 19 februari 2022 vindt tussen de verdachte en [medeverdachte F] een gesprek plaats waarin een foto van [koerier C] wordt gestuurd. Op 21 februari 2022 zegt de verdachte tegen [medeverdachte F]: “beter hem in Cayenne [in Frans-Guyana, toevoeging rechtbank] die dingen geven man” en: “Want ik heb ook ticket gekocht enzo voor die man (de rechtbank begrijpt: [koerier C]) en uh.. jij hebt ook onkosten”. [medeverdachte F] houdt de verdachte op de hoogte van de reis van [koerier B] (“Hij is al vertrokken” en “Bij de grens gaat hij weer bereik hebben”).
Op 25 februari 2022 stuurt de verdachte [medeverdachte F] een afbeelding van een (Thalys) treinticket op naam van [koerier C] voor de reis van 26 februari 2022. De verdachte heeft naast dit treinticket ook een busticket op naam van [koerier B] geboekt. Kort na de aanhouding van [koerier C] op 26 februari 2022, meldt [medeverdachte F] aan de verdachte dat ze al buiten moeten zijn. Op 28 februari 2022 voeren de verdachte en [medeverdachte F] een gesprek waaruit blijkt dat de smokkel door [koerier C] niet is geslaagd.
Medeplegen
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht moet zijn.
Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne, moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte en het gewicht van de rol van de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte (mede)verantwoordelijk is geweest voor het organiseren van de invoer van cocaïne door drugskoeriers. Daarbij heeft de verdachte contact gehad met de medeverdachte [medeverdachte F] over (de kosten van) de reis van de betrokken koerier, de voortgang daarvan en/of de kostenverdeling tussen hem en [medeverdachte F]. Ook heeft de verdachte reistickets en (in het geval van [koerier A]) een hotel ten behoeve van de drugssmokkel geregeld.
De verdachte is aldus nauw betrokken geweest bij de voorbereidingshandelingen om de invoeren van cocaïne tot stand te brengen. De verdachte heeft daarbij telkens een organisatorische en faciliterende rol gehad die cruciaal is geweest op verschillende momenten bij de voorbereiding van de drugsinvoer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich gedurende de ten laste gelegde periodes, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in Nederland.
3.3.3.4 De invoer van cocaïne door [het slachtoffer] en [koerier D] (feiten 4 en 5)
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat voor de vaststelling dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door de koeriers [het slachtoffer] (feit 4) en [koerier D] (feit 5). De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Invoer door [het slachtoffer] (feit 4)
Op 18 maart 2023 is [het slachtoffer] op Schiphol aangehouden. Bij [het slachtoffer] zijn 92 slikkersbollen aangetroffen die positief zijn getest op cocaïne. Het totaalgewicht betrof 767,4 gram.
Op 18 maart 2023 is de verdachte samen met [het slachtoffer] vanuit Curaçao naar Schiphol gereisd. [het slachtoffer] heeft voorafgaand aan de reis een foto van zijn paspoort aan de verdachte gestuurd en de verdachte heeft, zo volgt uit het verhoor van [het slachtoffer], een vliegticket voor [het slachtoffer] gekocht. In chatgesprekken tussen [het slachtoffer] en de verdachte laat [het slachtoffer] weten dat hij “helemaal ready is” en vraagt hij de verdachte naar een klus (op 5 maart 2023). Op 16 maart 2023 stuurt [het slachtoffer] aan de verdachte: “die man het net [heeft] opgehaald” en “Hij heeft mij bij Souax afgezet”. [het slachtoffer] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de verdovende middelen in de wijk Souax heeft gekregen. Een dag later, op 17 maart 2023, heeft [het slachtoffer] de verdachte meerdere keren geprobeerd te bellen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat koeriers van verdovende middelen contact onderhouden met de organisator om te laten weten hoe het ervoor staat met het slikken van de slikkersbollen. Uit camerabeelden blijkt dat de verdachte, na aankomst op Schiphol, [het slachtoffer] nauwlettend in de gaten houdt. De verdachte heeft op Schiphol foto’s van [het slachtoffer] gemaakt en deze naar een derde persoon gestuurd. [het slachtoffer] heeft een nooddeur op Schiphol geopend en is niet langs de douane voor een eventuele controle gelopen. De verdachte en [het slachtoffer] hebben hun bagage op Schiphol achtergelaten en zijn samen in de richting van het NS-station gelopen.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte een organiserende rol heeft gespeeld bij de invoer van cocaïne door [het slachtoffer] op 18 maart 2023. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
Invoer door [koerier D] (feit 5)
Op 3 juni 2023 is [koerier D] op Schiphol aangehouden. Bij [koerier D] zijn 64 slikkersbollen aangetroffen die positief zijn getest op cocaïne. Het totaalgewicht van de cocaïne betrof 582,4 gram. [koerier D] is veroordeeld voor de invoer van cocaïne.
Op 23 mei 2023 brengt de verdachte [koerier D] naar Schiphol. [medeverdachte] heeft voor [koerier D] een vliegticket naar Curaçao gekocht. Op 1 juni 2023, twee dagen voor de ten laste gelegde invoer, stuurt [koerier D] het volgende bericht naar de verdachte (telefoonnummer [nummer G]): “wel snel doen bro het is morgen al de blauwe vogel”. Twee dagen na dit bericht komt [koerier D] aan op Schiphol met vliegtuigmaatschappij TUI. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de vliegtuigen van deze vliegtuigmaatschappij blauw van kleur zijn.
De verdachte, [koerier D] en de [medeverdachte] hebben veelvuldig telefonisch contact vanaf het vertrek van [koerier D] op 23 mei 2023 tot zijn terugkomst op 3 juni 2023, de dag van de invoer. Op 3 juni 2023 heeft [koerier D] om 10:27 uur en om 10:59 uur, vlak voor zijn aanhouding, twee gemiste oproepen van de [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft omstreeks de invoer van de cocaïne ook (telefonisch) contact met een derde persoon, ‘[medeverdachte E]’, die samen met [koerier D] op Curaçao was. Op 2 juni 2023, dat wil zeggen de dag vóór de invoer, verstuurt de [medeverdachte] instructies aan [medeverdachte E] over hoe [koerier D] de slikkersbollen moet innemen. Op 3 juni 2023 stuurt [medeverdachte E] een foto van slikkersbollen naar de [medeverdachte].
De verdachte stuurt op 3 juni 2023 aan de [medeverdachte]: “Zitten, het beweegt niet”. Vervolgens stuurt de [medeverdachte] voiceberichten aan de verdachte, waarin de [medeverdachte] onder meer zegt (om 11:19 uur): “Het duurt even. Oma [de rechtbank begrijpt: mevrouw [persoon X]; de medereiziger van [koerier D]] als ze aankomen stapt ze niet gelijk uit. Ze gaan haar halen in vliegtuig. (…) Daarna komen ze bij de koffer. Maar de koffer geeft geen signaal” (…) Laat mij kijken wat er gaande is”. Om 11:47 uur laat de [medeverdachte] per voicebericht aan de verdachte weten dat hij “van daar” [de rechtbank begrijpt: Schiphol] is weg gegaan en dat hij daar zo niet kan blijven staan.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de verdachte op 3 juni 2023 als (mede)organisator betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [koerier D].
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij in de periode van 25 maart 2022 tot en met 5 april 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid (1188 gram vervoerd door [koerier A]) van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging,
- ( telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier A] gehad en onderhouden en instructies gegeven omtrent de invoer, van de (door [koerier A] vervoerde) cocaïne
- de smokkelaar (te weten [koerier A]) van cocaïne voorzien;
- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier A]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 2
hij in de periode van 6 april 2022 tot en met 23 april 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid (1091 gram aangetroffen op 23 april 2022 onder S.J. SIMON) van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden,- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging,- (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier B] gehad en onderhouden en instructies gegeven omtrent de invoer, van de (door [koerier B] vervoerde) cocaïne- de smokkelaar (te weten [koerier B]) van cocaïne voorzien;- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier B]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 3
hij in de periode van 18 februari 2022 tot en met 26 februari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid (4026 gram aangetroffen op 26 februari 2022 onder [koerier C]) van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden,- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, - (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier C] gehad en onderhouden en instructies gegeven omtrent de invoer, van de (door [koerier C] vervoerde) cocaïne- de smokkelaar (te weten [koerier C]) van cocaïne voorzien;- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier C]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 4
hij op 18 maart 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 5
hij op 3 juni 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1, feit 2 en feit 3
telkens: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid/middelen/inlichtingen te verschaffen.
Feit 4 en feit 5
telkens: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 720 dagen (met aftrek van voorarrest), waarvan 404 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met anderen, driemaal schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de invoer van in totaal ruim 6 kilogram cocaïne. Daarnaast heeft hij zich tweemaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne van in totaal ruim 1,3 kilogram. De verdachte heeft bij al deze feiten een belangrijke, organiserende rol vervuld. In vier gevallen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de betrokken koerier ertoe bewogen om bolletjes met cocaïne te slikken, terwijl die koerier daarmee in levensgevaar wordt gebracht. Deze koeriers bevonden zich steeds in een kwetsbare positie en de verdachte heeft daarvan misbruik gemaakt.
De ingevoerde hoeveelheid was bestemd voor verdere verspreiding en handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het (internationale) drugscircuit. Het is algemeen bekend dat harddrugs schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. De verspreiding van en de handel in harddrugs gaan bovendien gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder gewelds- en levensdelicten. Ook daarom moet streng worden opgetreden tegen de (voorbereiding van) invoer van harddrugs.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 12 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en dus geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn gedrag. De verdachte heeft zich blijkbaar laten leiden door zijn eigen financieel gewin en geen rekening gehouden met de schadelijke gevolgen van zijn handelen, waaronder de risico’s waaraan hij de koeriers heeft blootgesteld. De rechtbank weegt deze omstandigheden in het nadeel van de verdachte mee.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de rapporten van de reclassering van 13 februari 2024 en 13 augustus 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, aangezien de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), het gewicht van de gesmokkelde hoeveelheden cocaïne en de organiserende rol van de verdachte daarbij. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden – zoals door de officier van justitie is geëist – passend.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak echter aanleiding om een lagere gevangenisstraf op te leggen.
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 7 juli 2023, omdat de verdachte op deze datum is aangehouden en daaraan redelijkerwijs de verwachting kon ontlenen dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Omdat het eindvonnis op 17 september 2026 wordt gewezen, en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn met ongeveer één jaar en twee maanden overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 44 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven wegens een gebrek aan gronden.
7. Beslag – voorwerpen waarover een beslissing moet worden genomen
In het dossier bevindt zich een beslaglijst. Het strafrechtelijk beslag van op die lijst vermelde goederen is nog niet geëindigd. De rechtbank zal daarom over deze goederen een beslissing nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle goederen dienen te worden verbeurd verklaard, omdat zij zijn gebruikt ten aanzien van of verkregen uit de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het geld aan de verdachte moet worden teruggegeven, aangezien uit het dossier niet blijkt dat het op 7 juli 2023 in de woning van de verdachte aangetroffen geld is verkregen door de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoons.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder nummers vijf tot en met tien genoemde telefoons, moeten worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de telefoons ten behoeve van de bewezen verklaarde feiten zijn gebruikt. Met al deze telefoons zijn chatgesprekken gevoerd in verband met de invoer van cocaïne en de rechtbank schrijft ook de bijbehorende telefoonnummers toe aan de verdachte, zoals in paragraaf 3.3.3.1 uiteen is gezet.
Teruggave
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen dienen te worden teruggegeven aan hem, omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze geldbedragen zijn verkregen door de bewezen verklaarde feiten.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
33 en 33a, 47, 57 en 63 Sr;
2, 10 en 10a van de Opiumwet.
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 [vierenveertig] maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:
* 1 STK GSM (PL2700-23-053148-1 Apple Iphone);
* 1 STK GSM (PL2700-23-053148-2 Samsung);
* 1 STK GSM (PL2700-23-053148-3 Alcatel);
* 1 STK GSM (PL2700-23-053148-10 Nokia);
* 1 STK GSM (PL2700-23-053148-11 Apple, Iphone a1778);
* 1 STK GSM (PL2700-23-024390-3 Apple Iphone);
gelast de teruggave aan de verdachte van:
* 45 EUR (PL2700-23-053148-4);
* 110 EUR (PL2700-23-053148-5);
* 280 EUR (PL2700-23-053148-6);
* 800 EUR (PL2700-23-053148-7);
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2026
Bijlage I - de tenlastelegging
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2022 tot en met 5 april 2022 te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid (1188 gram vervoerd door [koerier A]) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- ( telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier A] gehad en/of gelegd en/of onderhouden en/of instructies gegeven omtrent de invoer, het vervoer en/of afleveren/overdragen van de (door [koerier A] vervoerde) cocaïne
- de smokkelaar (te weten [koerier A]) van cocaïne voorzien;
- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier A]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 2
hij in of omstreeks de periode van 6 april 2022 tot en met 23 april 2022 te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid (1091 gram aangetroffen op 23 april 2022 onder [koerier B]) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,- (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier B] gehad en/of gelegd en/of onderhouden en/of instructies gegeven omtrent de invoer, het vervoer en/of afleveren/overdragen van de (door [koerier B] vervoerde) cocaïne- de smokkelaar (te weten [koerier B]) van cocaïne voorzien;- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier B]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2022 tot en met 26 februari 2022 te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid (4026 gram aangetroffen op 26 februari 2022 onder [koerier C]) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,- (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [koerier C] gehad en/of gelegd en/of onderhouden en/of instructies gegeven omtrent de invoer, het vervoer en/of afleveren/overdragen van de (door [koerier C] vervoerde) cocaïne- de smokkelaar (te weten [koerier C]) van cocaïne voorzien;- vliegtickets en/of treintickets en/of bustickets geboekt/gekocht voor de smokkelaar (te weten [koerier C]) om vanuit Frans Guyana via Parijs naar Nederland te kunnen smokkelen;
Feit 4
hij op of omstreeks 18 maart 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 5
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 6
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 februari 2023 tot en met 18 maart 2023 te Schiphol en/of (elders in) Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een man, genaamd [het slachtoffer], (geboren op [xxxx]), heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [het slachtoffer] terwijl die [het slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (sub 2),
bestaande die uitbuiting uit het:
- benaderen van die [het slachtoffer] met het verzoek verdovende middelen inwendig vanuit Curaçao naar Nederland te vervoeren, terwijl hij wist dat die [het slachtoffer] zich in een problematische thuissituatie bevond, en/of
- boeken en betalen van (een) vliegticket naar Nederland en/of het verschaffen en/of regelen van onderdak voor die [het slachtoffer], en/of
- meereizen met die [het slachtoffer] en/of begeleiden van die [het slachtoffer] vanaf Curaçao naar Nederland en/of
- beloven van een geldbedrag aan die [het slachtoffer] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Curaçao naar Nederland.