ECLI:NL:RBNHO:2026:12800

ECLI:NL:RBNHO:2026:12800

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 15/311216-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met zijn twee minderjarige nichtjes. Hij heeft zijn nichtjes meermaals op schoot genomen, rijdende bewegingen gemaakt en zijn stijve penis tegen hun lichaam aangedrukt (feiten 1 en 2). Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het bezit van en toegang verschaffen tot kinderporno (feit 3). Overwegingen over niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie voor een deel van de onder feit 3 ten laste gelegde periode en partiële vrijspraak voor een deel van de onder feit 1 ten laste gelegde ontuchtige handelingen. Beslissingen op vorderingen benadeelde partijen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar).

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/311216-25 (P)

Uitspraakdatum: 22 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in P.I. [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. J.G. Schmidt, advocaat te Schagen, en de gemachtigde van de benadeelde partij, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij:

feit 1: in de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2024 meermalen uiteenlopende ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die toen nog geen zestien jaar oud was;

feit 2: in de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2024 meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die toen nog geen zestien jaar oud was;

feit 3: in de periode van 26 maart 2010 tot en met 17 november 2025 meermalen kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad, heeft verworven en/of zich de toegang daartoe heeft verschaft.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het onder 3 ten laste gelegde feit is tot 1 juli 2024 strafbaar gesteld in artikel 240b, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het wettelijk strafmaximum is volgens deze bepaling vier jaar gevangenisstraf.

Met ingang van 1 juli 2024 is artikel 70 Sr gewijzigd, waarbij is bepaald dat het recht tot strafvervolging voor het bezit van kinderporno als bedoeld in artikel 252 (nieuw) Sr niet vervalt door verjaring. In geval van verandering van wetgeving geldt dat een op dat moment reeds voltooide verjaring geëerbiedigd dient te worden (Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:BK1998, NJ 2010/231). Dat betekent dat het recht tot strafvordering is vervallen als vóór 1 juli 2024 al sprake was van verjaring van ten laste gelegde handelingen. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 70 Sr zoals dat gold vanaf 1 januari 2006 tot 1 februari 2008 en zoals dat gold na de daaropvolgende wetswijzigingen op 1 februari 2008 en 1 april 2013. Uit artikel 70 Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2024, volgt dat het recht tot strafvervolging vervalt voor feiten als bedoeld in artikel 240b, eerste lid, (oud) Sr, twaalf jaar nadat het feit was gepleegd. Dit leidt tot de conclusie dat de ten laste gelegde handelingen die zijn gepleegd vóór 1 juli 2012 (namelijk 1 juli 2024 minus 12 jaar) zijn verjaard.

De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat het onder 3 tenlastegelegde wat betreft de periode van 26 maart 2010 tot 1 juli 2012 is verjaard en dat de officier van justitie met betrekking tot die periode om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is kennis te nemen van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

In de visie van de verdediging kan de rechtbank, mede gelet op de verklaring van de verdachte, tot een bewezenverklaring komen van het eerste gedachtestreepje van feit 1 zoals vermeld in de bijlage en feit 2, namelijk het op schoot nemen, daarbij rijdende bewegingen te maken en zijn stijve penis tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna in dit vonnis ook aangeduid als: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) aan te drukken. Ook feit 3 dat ziet op de kinderporno kan, mede gelet op de verklaring van de verdachte, worden bewezen verklaard. Voor de overige in de tenlastelegging van feit 1 genoemde ontuchtige handelingen, die de verdachte heeft ontkend, moet volgens de raadsman vrijspraak volgen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak feit 1 (ontucht met [slachtoffer 1] )

Op 4 augustus 2025 is [slachtoffer 1] als getuige over de ten laste gelegde ontucht verhoord. In dit verhoor heeft zij – kort gezegd – verklaard dat de verdachte (haar oom) haar meerdere malen op schoot heeft genomen en met een stijve penis rijdende bewegingen tegen haar lichaam heeft gemaakt (gedachtestreepje 1). Ook heeft zij verklaard over een voorval waarbij de verdachte op haar heeft gezeten en daarbij met zijn stijve penis rijbewegingen tegen haar lichaam heeft gemaakt (gedachtestreepje 2) en twee voorvallen waarbij de verdachte met zijn hand over haar blote vagina heeft gewreven (gedachtestreepje 3).

De verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] op schoot heeft genomen en met zijn stijve penis rijdende bewegingen tegen haar lichaam heeft gemaakt (gedachtestreepje 1). De verdachte ontkent echter dat hij de overige ten laste gelegde ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] heeft gepleegd. De vraag die voorligt is dus of de verdachte ook ontuchtig met [slachtoffer 1] heeft gehandeld door – kort gezegd – op haar lichaam te zitten en rijbewegingen te maken (gedachtestreepje 2) en door met zijn hand over haar blote vagina te wrijven (gedachtestreepje 3).

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] . Met betrekking tot het steunbewijs overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader steunbewijs

In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het directe zicht van anderen. Het is de rechter volgens de wet niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, Sv). De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangever of, in dit geval, getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs.

Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangever of getuige. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever/getuige op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van, in dit geval, de getuige. De vraag of aan het bewijs is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Aanwezigheid van steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] over de onder feit 1 onder het tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde ontuchtige handelingen onvoldoende ondersteund wordt door ander (steun)bewijs om te kunnen vaststellen dat de verdachte die handelingen heeft verricht. De verklaring van getuige [getuige] aan wie [slachtoffer 1] voor het eerst heeft verteld dat zij is misbruikt door haar oom is daartoe ontoereikend. Uit deze verklaring volgt weliswaar dat [slachtoffer 1] verdrietig was toen zij over het misbruik vertelde, maar uit die verklaring volgt niet door welke ontuchtige handeling(en) deze waargenomen emotie is veroorzaakt. Hetzelfde geldt voor de posttraumatische stressstoornis (PTSS) die bij [slachtoffer 1] is vastgesteld. Het is denkbaar dat die waargenomen emotie en de PTSS ook zou kunnen volgen uit de ontuchtige handeling van de verdachte waarbij hij [slachtoffer 1] op schoot heeft genomen en met een stijve penis rijdende bewegingen tegen haar lichaam heeft gemaakt. De verklaringen waaruit volgt dat [slachtoffer 1] meer cadeaus dan [slachtoffer 2] zou hebben gekregen of soms alleen met de verdachte (op een specifieke plaats) in huis is geweest, kunnen niet dienen als bevestiging van de verklaring van [slachtoffer 1] voor de onder de tweede en derde gedachtestreepjes genoemde ontuchtige handelingen. Die bieden namelijk geen concrete aanknopingspunten voor het plegen van die ontuchtige handelingen. De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 1 onder het tweede en derde gedachtestreepje tenlastegelegde.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 (eerste gedachtestreepje), 2 en 3 en laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- (…)

De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De vermelde bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 hij in de periode van 01 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen:- op schoot nemen van die [slachtoffer 1] en daarbij rijdende bewegingen maken tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en daarbij zijn, verdachtes, stijve penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] aandrukken;

feit 2 hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 30 juni 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen:- op schoot nemen van die [slachtoffer 2] en daarbij rijdende bewegingen maken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en daarbij zijn, verdachtes, stijve penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] aandrukken;

feit 3 hij in de periode van 1 juli 2012 tot en met 17 november 2025 in Nederland, meermalen,

(in de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht) gegevensdragers (te weten: een telefoon (merk: Iphone Max en/of beslagnummer: 1794074) en een computer/harddisk (merk: Western Digital en/of beslagnummer: 1800226)), bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokkenin bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft

en

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 november 2025, artikel 252 Wetboek van Strafrecht) visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten: gegevensdragers (te weten: een telefoon (merk: Iphone Max en/of beslagnummer 1794074) en/of een computer/harddisk (merk: Western Digital en/of beslagnummer: 1800226)), bevattende visuele weergaven, waarop te zien is dat:

die persoon vaginaal wordt gepenetreerd (foto 1 tot en met 4 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

en het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten en/of ander lichaamsdeel van die persoon wordt/worden aangeraakt en/ofhet geslachtsdeel, de billen van een ander kind/persoon worden aangeraakt door die persoon en/ofdie persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten en/of ander lichaamsdeel aanraakt(foto 13 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

en die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past en/of- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn kleding ontdoet en/of- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel en de billen van die persoon in beeld worden gebracht(foto 5 tot en met 12 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

endat bij het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en/ofop het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en/ofbij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een stijve penis wordt gehouden(foto 14 tot en met 16 van de toonmap op pagina 107 van het proces-verbaal).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 2:

telkens: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

feit 3:

in de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2024: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd,enin de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 november 2025:een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en/of zich de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met in achtneming van de persoon van de verdachte gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van begeleid wonen of maatschappelijke opvang).

Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contact- en locatieverbod voor de duur van drie jaar.

De officier van justitie heeft tot slot gevorderd de bijzondere voorwaarden en de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

Voor het bepalen van de strafmaat acht de raadsman bij de ontuchtige handelingen van belang dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] twaalf jaar of ouder waren ten tijde daarvan en de beperkte frequentie en duur van de ontucht. Over het bezit en toegang verschaffen tot kinderporno heeft de raadsman aangevoerd dat een deel van de kinderporno virtuele weergaven betreft en het merendeel van de niet-virtuele weergaven ziet op statische weergaven zonder dat de afgebeelde kinderen betrokken zijn bij seksueel handelen.

De raadsman ziet verder geen reden voor het opleggen van de bijzondere voorwaarde van verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De verdachte kan bij zijn moeder verblijven.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft verklaard dat hij zich aangetrokken voelt tot minderjarige meisjes en in het bijzonder dat hij van zijn nichtje [slachtoffer 1] opgewonden raakte en verliefd op haar was. Hij heeft naar deze seksuele gevoelens gehandeld door ontucht te plegen met zijn nichtjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die destijds tussen de twaalf en vijftien jaar oud waren. Hij heeft zijn nichtjes bij hem thuis in de woonkamer bij zijn computer meermaals op schoot genomen, rijdende bewegingen gemaakt en zijn stijve penis tegen hun lichaam aangedrukt. Dit zijn ernstige feiten. De slachtoffers en hun ouders mochten en moesten erop kunnen vertrouwen dat de slachtoffers in goede handen waren bij de verdachte. Dit vertrouwen heeft de verdachte op grove wijze beschaamd. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de jonge slachtoffers. De verdachte heeft zich hier geen enkele rekenschap van gegeven en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen seksuele gevoelens. De verdachte heeft een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, in een cruciale levensfase doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik lange tijd op diverse vlakken ernstige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Dat geldt zeker als – zoals in deze zaak – het misbruik heeft plaatsgevonden door iemand uit hun directe omgeving in wie zij juist hun vertrouwen moeten kunnen stellen. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen en uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen. Op zitting is aangegeven dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychische gevolgen hebben ondervonden van de ontucht en dat voor bijvoorbeeld [slachtoffer 1] een knuffel met vader geen vanzelfsprekendheid meer is.

Verder heeft de verdachte zich gedurende een periode van meer dan tien jaar schuldig gemaakt aan het bezit van en toegang verschaffen tot kinderporno. Bij een onderzoek van 45% van alle visuele weergaven op de telefoon en computer van de verdachte zijn 712 visuele weergaven met kinderporno aangetroffen waarvan 267 virtueel zijn. Het overgrote deel zijn afbeeldingen van meisjes tussen de zes en zeventien jaar die in een houding poseerden op een wijze die niet bij zijn leeftijd past. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen de personen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die de afbeeldingen downloaden. De vraag naar en het bezit van kinderpornografie dragen immers bij aan de productie ervan en daarmee dus ook aan het misbruik van kinderen. De verdachte moet dan ook mede verantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij door kinderporno te downloaden heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar. Ook virtuele kinderporno is schadelijk. Dat doet namelijk het seksueel misbruik van kinderen na en kan daardoor ten onrechte de indruk wekken dat het afgebeelde misbruik acceptabel is.

Persoon van de verdachte

Voor de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gekeken naar het strafblad van de verdachte van 26 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Verder heeft de verdachte meegewerkt aan een psychologisch onderzoek (Pro Justitia rapport van 23 februari 2026). De psycholoog heeft vastgesteld dat de verdachte een pedofiele stoornis heeft waarbij hij zich aangetrokken voelt tot meisjes vanaf tien jaar. Zijn moeilijkheden met het inschatten van sociale situaties, gebrekkige in- en aanvoelende vermogens, gebrekkige oplossingsvaardigheden, beperkte inzicht in de gevolgen van zijn gedrag en aantrekking naar minderjarige meisjes hebben volgens de psycholoog een duidelijke en substantiële rol gespeeld bij de ten laste gelegde feiten. Daarom adviseert de psycholoog de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de psycholoog in dit advies.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 april 2026 dat over de verdachte is opgesteld. De reclassering adviseert, mede gelet op het psychologisch onderzoek, de volgende voorwaarden aan de verdachte op te leggen: een meldplicht, een ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, een dagbesteding, vermijden van contact met minderjarigen, vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en tot slot een contactverbod met de slachtoffers.

Verder acht de rechtbank van belang dat de verdachte tijdens de zitting spijt heeft betuigd en heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een behandeling die is gericht op zijn cognitieve en sociale vaardigheden en het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ook is hij voornemens zich te houden aan bijzondere voorwaarden zoals het contactverbod en het vermijden van contact met minderjarigen en digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik.

De op te leggen straf en/of maatregel

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, alsmede de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, slechts een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is.

De rechtbank komt evenwel uit tot een lagere duur van de gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt doordat enerzijds een deel van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen onder feit 1 niet bewezen zijn verklaard en de verdachte daarvan dus zal worden vrijgesproken en anderzijds omdat bij de kinderporno een deel van het tenlastegelegde dat ziet op de periode tot 1 juli 2012 is verjaard.

De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes voorwaardelijk. Daaraan worden een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden, exclusief het verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Hiervoor ziet de rechtbank geen aanleiding nu de verdachte bij zijn moeder kan verblijven.

Onderdeel van de geadviseerde voorwaarden is een contactverbod. De rechtbank ziet, hoewel zij de gevoelens van de slachtoffers begrijpt, geen aanleiding met een (aparte) maatregel in de zin van artikel 38v Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. Tijdens de zitting is bevestigd dat de verdachte sinds zijn aanhouding geen direct of indirect contact heeft gezocht met de slachtoffers en hij heeft bevestigd dat in de toekomst ook niet te zullen doen. Dit maakt dat een contactverbod als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk strafdeel volstaat.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten ontuchtige handelingen en bezit en toegang verschaffen tot kinderporno.

De reclassering heeft het recidiverisico laag ingeschat. De verdachte heeft echter aangegeven zich seksueel aangetrokken te voelen tot minderjarige meisjes en de psycholoog heeft een pedofiele stoornis vastgesteld. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, nu hij nog niet is behandeld voor deze pedofiele stoornis, wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam] , heeft mr. M. Berbee een vordering tot schadevergoeding van € 8.684,17 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade van € 2.184,17 betreft verplaatste schade geleden door de ouders van de benadeelde partij, namelijk € 1.013,13 aan inkomstenderving, € 849,88 aan reis- en parkeerkosten en € 321,16 aan kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon. De gestelde immateriële schade bedraagt € 6.500,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor de gestelde materiële schade. Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman verzocht deze te matigen tot een bedrag van € 2.500,- vanwege de door hem bepleite partiële vrijspraak en mede gelet op de voorgestelde schadevergoedingen in de zogenoemde Rotterdamse schaal.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Deze kosten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De vordering zal wat betreft de materiële schade dus worden toegewezen tot een bedrag van € 2.184,17.

Immateriële schade

[slachtoffer 1] maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade voor, zoals de rechtbank begrijpt, aantasting op andere wijze in persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de brief van GGZ van 30 juni 2026 die bij het verzoek tot schadevergoeding is gevoegd, volgt dat [slachtoffer 1] gediagnosticeerd is met PTSS. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] met die brief voldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van het handelen van de verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen, zodat de grondslag voor vergoeding van immateriële schade en het causale verband zijn gegeven.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, alsmede de duur en frequentie daarvan, de afhankelijkheidsrelatie en vertrouwensband tussen de benadeelde partij en de verdachte, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.3, categorie b ‘ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,-.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 2.500,- billijk is. De

rechtbank wijst de vordering wat betreft de immateriële schade daarom tot dat bedrag toe.

Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte partieel is vrijgesproken van

ontuchtige handelingen waarop de vordering mede is gebaseerd.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van

€ 4.684,17. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar als volgt:

- voor de materiële schade ad € 2.184,17 vanaf 19 augustus 2026 (de dag waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend);

- voor de immateriële schade ad € 2.500,- vanaf 30 juni 2024 (de laatste dag van de bewezen verklaarde periode waarin het schade toe brengende feit heeft plaatsgevonden), steeds tot aan de dag van algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden

begroot op nihil.

In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden

verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen (kort

gezegd: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam] , heeft mr. M. Berbee een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde immateriële schade wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Ook [slachtoffer 2] maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade voor, zoals de rechtbank begrijpt, aantasting op andere wijze in persoon in de zin van artikel 6:106 BW.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] op jonge leeftijd is blootgesteld aan ontuchtige handelingen door haar oom. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de benadeelde partij. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de beschreven gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat ook zonder nadere concrete onderbouwing zonder meer kan worden aangenomen dat de benadeelde door het strafbare feit in de persoon is aangetast. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, alsmede de duur en frequentie daarvan, de afhankelijkheidsrelatie en vertrouwensband tussen de benadeelde partij en de verdachte, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.3, categorie b ‘ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,-.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 2.500,- billijk is. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade zal daarom volledig worden toegewezen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van

€ 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2024 (de laatste dag van de bewezen verklaarde periode waarin het schade toe brengende feit heeft plaatsgevonden), tot aan de dag van algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden

begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen (kort

gezegd: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240b (oud), 247 (oud) en 252 Sr.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onder 3 ten laste gelegde feit voor zover dit feit de periode van 26 maart 2010 tot en met 30 juni 2012 betreft.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 [achttien] maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 [zes] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 [drie] jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres] ;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek de Waag of

een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of

heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact en zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat door de reclassering aangewezen personen hierbij aanwezig zijn;

- gedurende de proeftijd:

1) digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;

2) digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;

3) geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma's (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);

4) inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.

Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.

De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.

De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal drie keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr van toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.684,17 (zegge: vierduizend zeshonderdvierentachtig euro en zeventien cent), bestaande uit € 2.184,17 (zegge: tweeduizend honderdvierentachtig euro en zeventien cent) als vergoeding voor de materiële en € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag.

Bepaalt dat:

beide tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.684,17, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.E.A. Chao, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. M. Rigter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Bijlage: De tenlastelegging

feit 1 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 30 juni 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:- op schoot nemen van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) rijdende bewegingen maken tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] aandrukken en/of- op het lichaam van die [slachtoffer 1] zitten en/of (daarbij) zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] aandrukken en/of- met zijn, verdachtes, hand over de vagina van die [slachtoffer 1] wrijven en/of strelen;

feit 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2021 tot en met 30 juni 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:- op schoot nemen van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) rijdende bewegingen maken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] aandrukken;

feit 3 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 maart 2010 tot en met 17 november 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(in de periode van 26 maart 2010 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht) een of meer afbeeldingen (te weten: foto's en/of video's) en/of - gegevensdragers (te weten: een telefoon (merk: Iphone Max en/of beslagnummer: 1794074) en/of een computer/harddisk (merk: Western Digital en/of beslagnummer: 1800226)), bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokkenheeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft

en/of

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 november 2025, artikel 252 Wetboek van Strafrecht) een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten: foto's en/of video's en/of - gegevensdragers (te weten: een telefoon (merk: Iphone Max en/of beslagnummer 1794074) en/of een computer/harddisk (merk: Western Digital en/of beslagnummer: 1800226)), bevattende visuele weergaven, waarop te zien is dat:

die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd en/of een ander persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door die persoon en/of het eigen lichaam oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd door die persoon(foto 1 tot en met 4 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

en/ofhet geslachtsdeel, de billen en/of de borsten en/of ander lichaamsdeel van die persoon wordt/worden aangeraakt en/ofhet geslachtsdeel, de billen en/of de borsten en/of ander lichaamsdeel van een ander kind/persoon wordt/worden aangeraakt door die persoon en/ofdie persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten en/of ander lichaamsdeel aanraakt(foto 13 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

en/ofdie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past en/of- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn kleding ontdoet en/of- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht(foto 5 tot en met 12 van de toonmap op pagina 106 van het proces-verbaal)

en/ofdat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en/ofbij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en/ofbij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden(foto 14 tot en met 16 van de toonmap op pagina 107 van het proces-verbaal).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand