RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/167142-23
Uitspraakdatum: 17 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, postadres (ter zitting opgegeven): [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Rienks, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.E. Berman, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij zich – kort en zakelijk weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het medeplegen van het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 28 maart 2023 tot en met 7 juli 2023 in Nederland;
Feit 2: het medeplegen van de invoer van cocaïne op 3 juni 2023 op Schiphol;
Feit 3: het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne op 7 juli 2023 in Sliedrecht.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de raadsvrouw.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverwegingen
Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij samen met zijn vader, de [medeverdachte A], heeft gehandeld in cocaïne, betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door een koerier en cocaïne in zijn woning aanwezig heeft gehad. De verdachte ontkent deze feiten.
3.3.2.1 Identificatie van de verdachte als gebruiker van telefoonnummer +[nummer A]
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode de gebruiker is geweest van de telefoon met telefoonnummer +[nummer A] (hierna: [nummer A]), en overweegt daartoe het volgende.
Op 7 juli 2023 is onder de verdachte een iPhone met telefoonnummer [nummer A] in beslag genomen. De politie heeft spraakberichten beluisterd die met deze telefoon (via WhatsApp) zijn verstuurd en herkent daarin de stem van de verdachte aan klank en intonatie. De betreffende verbalisant was aanwezig bij de aanhouding van de verdachte en heeft daarom zijn stem eerder gehoord. In de telefoon van de koerier die betrokken was bij het onder 2 ten laste gelegde feit staat telefoonnummer [nummer A] opgeslagen onder de naam ‘[naam verdachte]’. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij denkt dat telefoonnummer [nummer A] van hem is. Daar komt bij dat in het hierna te bespreken verweer van de raadsvrouw besloten ligt dat de hiervoor genoemde telefoon van de verdachte is.
3.3.2.2 Geen bewijsuitsluiting
De raadsvrouw heeft betoogd dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan, omdat onderzoek is verricht naar de telefoon van de verdachte zonder dat daaraan voorafgaand toestemming is verleend door de rechter-commissaris. De raadsvrouw heeft verwezen naar het Landeck-arrest van het Hof van Justitie, waaraan kort gezegd de conclusie wordt verbonden dat, als een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of het onderzoek mag worden uitgevoerd. Het uitgebreide onderzoek aan de telefoon van de verdachte heeft een inbreuk gemaakt op zijn privacy en daarom is sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de uit de telefoon verkregen informatie moet worden uitgesloten van het bewijs en subsidiair dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en legt hierna uit waarom.
Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie vereist, zo volgt uit het Landeck-arrest. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een telefoon (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens zoals foto's, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die telefoon uitgewisselde communicatie en andere gevoelige gegevens. Als politie en justitie in zo'n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek behalve in spoedeisende gevallen een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist.
Vormverzuim
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte zo verstrekkend is geweest dat was te voorzien dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Uit het dossier volgt namelijk dat onderzoek is gedaan naar onder meer chatgesprekken en foto’s en afbeeldingen in de telefoon van de verdachte. Voor dit onderzoek was dus een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert, zoals de raadsvrouw terecht heeft aangevoerd, een onherstelbaar vormverzuim op.
Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, welk rechtsgevolg aan dit verzuim moet worden verbonden, moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Geen aanleiding voor bewijsuitsluiting
Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het
opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Die situatie doet zich in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van die situatie is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. Daarbij weegt de rechtbank mee dat ten tijde van de inbeslagname van de telefoon van de verdachte op 7 juli 2023 de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet algemeen bekend was. De Hoge Raad is immers in zijn arrest van 18 maart 2025 (vermeld in voetnoot 2) ingegaan op de betekenis van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder het Landeck-arrest, voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan onder meer smartphones.
Geen aanleiding voor strafvermindering
Strafvermindering kan aan de orde zijn indien de verdachte door een vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en wanneer strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan een voldoende concreet nadeel opleveren. In beginsel is hiervan in deze zaak sprake, gelet op de foto’s en de chatgesprekken op de telefoon van de verdachte die door de politie zijn onderzocht. Voor het overige is door de verdediging geen relevant nadeel aangevoerd. Daar staat echter tegenover dat sprake was van ernstige verdenkingen tegen de verdachte op het moment dat het onderzoek aan de telefoon plaatsvond, namelijk het aanwezig hebben van een handelshoeveelheid cocaïne (ruim 200 gram) en het verhandelen van cocaïne. Zou een rechter-commissaris destijds om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. De verdachte is zo beschouwd dan ook niet in een nadeliger positie gekomen als gevolg van het vormverzuim. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat strafvermindering niet een gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.
3.3.2.3 Handel in verdovende middelen (feit 1)
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van voltooide drugshandel, omdat een overdracht van de drugs niet kan worden vastgesteld. Dit standpunt wordt niet gevolgd.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de chatgesprekken die op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen, niet anders worden uitgelegd dan dat deze zien op de handel in verdovende middelen. In de chatgesprekken tussen de verdachte en derden wordt namelijk gesproken over (gekookte) cocaïne, blokken, een goede plek om elkaar te ontmoeten, hoeveelheden, het testen van een blok en er worden tikkies gestuurd. In de telefoon van de verdachte zijn ook afbeeldingen van weegschalen (met daarop cocaïne) en verdovende middelen aangetroffen. Uit de chatgesprekken leidt de rechtbank verder af dat de [medeverdachte A] adressen van klanten aan de verdachte doorgaf en dat de verdachte vervolgens daarnaartoe ging om de drugs af te leveren en geld te innen. Uit het dossier blijkt dat enkele personen die aan de in de chats genoemde adressen worden gekoppeld, drugsgerelateerde feiten op hun naam hebben. De rechtbank weegt ten slotte mee dat op 7 juli 2023 in de woning van de verdachte een handelshoeveelheid cocaïne is aangetroffen (in totaal ruim 200 gram), alsmede weegschaaltjes met daarop resten van cocaïne.
Naar het oordeel van de rechtbank kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de drugs heeft afgeleverd. De verdachte communiceert namelijk met de medeverdachte en met derden (de kopers van de drugs) over de wijze van betaling en er worden tikkies door de verdachte gestuurd.
Op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in verdovende middelen. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, blijkt uit de chatgesprekken voldoende duidelijk dat de verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de [medeverdachte A].
3.3.2.4 De invoer van cocaïne door [koerier A] (feit 2)
Op 3 juni 2023 is de heer [koerier A] (hierna: [koerier A]) op Schiphol aangehouden. Bij [koerier A] zijn 64 slikkersbollen aangetroffen die positief zijn getest op cocaïne. Het totaalgewicht van de cocaïne betrof 582,4 gram.
De vraag die voorligt is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [koerier A]. Daarvoor is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en één of meer anderen.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 23 mei 2023 brengt de [medeverdachte A], de vader van de verdachte, [koerier A] naar Schiphol. Op 24 mei 2023 vraagt [koerier A] aan de verdachte hoeveel het ticket heeft gekost, waarop de verdachte antwoordt “€ 600”. In de telefoon van de verdachte is een foto van het paspoort van [koerier A] aangetroffen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat de verdachte een vliegticket naar Curaçao voor [koerier A] heeft gekocht. Op 1 juni 2023, twee dagen voor de ten laste gelegde invoer, stuurt [koerier A] naar de [medeverdachte A] (telefoonnummer eindigend op -2064) het bericht: “wel snel doen bro het is morgen al de blauwe vogel”. Twee dagen na dit bericht komt [koerier A] aan op Schiphol met vliegtuigmaatschappij TUI. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de vliegtuigen van deze vliegtuigmaatschappij blauw van kleur zijn.
De verdachte en [koerier A] en de [medeverdachte A] en [koerier A] hebben veelvuldig telefonisch contact vanaf het vertrek van [koerier A] op 23 mei 2023 tot zijn terugkomst op 3 juni 2023, de dag van de invoer. Die dag heeft [koerier A] om 10:27 uur en om 10:59 uur, vlak voor zijn aanhouding, twee gemiste oproepen van de verdachte. De verdachte heeft omstreeks de invoer van de cocaïne ook (telefonisch) contact met een derde persoon, ‘[medeverdachte B]’, die blijkens de inhoud van de gesprekken samen met [koerier A] op Curaçao was. Op 2 juni 2023, dat wil zeggen de dag vóór de invoer, verstuurt de verdachte instructies aan [medeverdachte B] over hoe “die man” (de rechtbank begrijpt: [koerier A]) de slikkersbollen moet innemen (“Van nu af, kan hij geen tijd verkwisten. Tijd loopt nu, zeg maar als hij 10 heeft gehaald, dan moet hij rustig, staan, diep ademhalen, rustig rustig, helemaal kalm worden, en dan verder”). Op 3 juni 2023 stuurt [medeverdachte B], op verzoek van de verdachte, een foto van slikkersbollen naar de verdachte.
De rechtbank is gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de verdachte op 3 juni 2023 als organisator betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [koerier A].
3.3.2.5 Aanwezig hebben van cocaïne (feit 3)
Op 7 juli 2023 is de woning van de verdachte in Sliedrecht doorzocht, waar hij destijds samen met zijn vader, [medeverdachte A], woonde. Op verschillende plekken in de woning, waaronder in de slaapkamer van de verdachte, is cocaïne aangetroffen. In de woning lag in totaal ruim 207 gram cocaïne. Op het aanrechtblad in de keuken lagen drie weegschalen met daarop resten van cocaïne.
Gelet op de omstandigheden waaronder de cocaïne in de woning van de verdachte en de medeverdachte is gevonden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat bewezen is dat de verdachte, samen met de medeverdachte, in dezelfde periode cocaïne heeft verhandeld (feit 1) en op 3 juni 2023 cocaïne in Nederland heeft ingevoerd (feit 2).
De rechtbank gaat dus voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in zijn woning lag, omdat deze verklaring gelet op het voorgaande ongeloofwaardig is.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij, in de periode van 28 maart 2023 tot en met 7 juli 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Feit 2
hij op 3 juni 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Feit 3
hij op 7 juli 2023 te Sliedrecht, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de positieve weg die de verdachte is ingeslagen zal doorkruisen. Hij heeft inmiddels werk en de verantwoordelijkheid voor twee jonge kinderen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht aan de verdachte geen hogere straf op te leggen dan een taakstraf van 240 uur, met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 582 gram cocaïne. Daarnaast heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne (gedurende een periode van ruim drie maanden) en aan het aanwezig hebben van ruim 200 gram cocaïne in zijn woning. De verdachte heeft bij de invoer een organiserende rol vervuld en hij heeft de betrokken koerier, die zich blijkens het dossier in een kwetsbare positie bevond, bolletjes met cocaïne laten slikken met alle (mogelijk fatale) risico’s van dien. De ingevoerde hoeveelheid was bestemd voor verdere verspreiding en handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het (internationale) drugscircuit. Het is algemeen bekend dat harddrugs schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. De verspreiding van en de handel in harddrugs gaan bovendien gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder gewelds- en levensdelicten. Ook daarom wordt streng opgetreden tegen de invoer van harddrugs.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat hij in 2024 is veroordeeld voor een drugsdelict. Omdat deze veroordeling dateert van na de bewezenverklaarde feiten, zal de rechtbank deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin meewegen.
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en dus geen inzicht heeft getoond in de verwerpelijkheid van zijn gedrag. De rechtbank neemt aan dat de verdachte alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financieel gewin en zich niet heeft bekommerd om de kwalijke gevolgen van zijn handelen, waaronder de risico’s waaraan (mede) hij de koerier heeft blootgesteld.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is alleen oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening gehouden met de hoeveelheid ingevoerde cocaïne, de organiserende rol van de verdachte, de hoeveelheid cocaïne die in de woning van de verdachte is aangetroffen en de periode waarin hij cocaïne heeft verhandeld. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Gelet hierop acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertien maanden – zoals door de officier van justitie is geëist – passend.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak echter aanleiding om in het voordeel van de verdachte een gedeelte van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.
In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 7 juli 2023, omdat de verdachte op die datum is aangehouden en daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Omdat het eindvonnis op 17 september 2026 wordt gewezen, en de rechtbank oordeelt dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar en twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van veertien maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Dit voorwaardelijk strafdeel is mede bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 [veertien] maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 [zes] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2026
Bijlage I - de tenlastelegging
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 28 maart 2023 tot en met 7 juli 2023 te Sliedrecht , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 3
hij, op of omstreeks 7 juli 2023 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.