ECLI:NL:RBNHO:2026:1281

ECLI:NL:RBNHO:2026:1281

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer 15/159752-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De verdachte is veroordeeld voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bewijsoverweging m.b.t. opzet en levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, staat een geestelijke stoornis van de verdachte niet aan de bewezenverklaring van opzet in de weg. Het bewezen verklaarde feit wordt in (sterk) verminderde mate aan de verdachte toegerekend. De rechtbank heeft een (ongemaximeerde) TBS-maatregel met dwangverpleging opgelegd en daarnaast een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Beslissingen op vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/159752-25 (P)

Uitspraakdatum: 4 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad op het adres:

Smeet 1, 1551 NG te Westzaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Hermans en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Buchel, advocaat te Zandvoort, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in een appartement gelegen aan de [adres], door open vuur, in aanraking te brengen met een matras en/of spiritus, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan dat matras en/of muren/wanden/vloer van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan en/of waarbij een behoorlijke rookontwikkeling is ontstaan, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de aangrenzende en/of nabijgelegen appartementen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de zich in die aangrenzende en/of nabijgelegen appartementen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte de brand opzettelijk heeft aangestoken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ten tijde van het feit bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak, omdat hij in een psychose verkeerde. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat sprake was van ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging

Opzet

Bij de beoordeling van een verweer voor een geval als het onderhavige, waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet op het ten laste gelegde feit wordt bestreden, wordt in de jurisprudentie vooropgesteld dat zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2775).

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, van oordeel dat deze uitzonderingssituatie zich in deze zaak niet voordoet. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij een matras voor het raam had gezet en dat hij dit met gebruik van spiritus in brand heeft gestoken. Nadat de verdachte het matras in brand had gestoken, verliet hij zijn woning en ging hij naar buiten. Uit deze kennelijk doelgerichte handelingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte op zijn minst enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn handelen en de gevolgen daarvan en dat hij daarmee opzet had op het stichten van brand in zijn woning. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, staat een geestelijke stoornis van de verdachte niet aan de bewezenverklaring van opzet in de weg.

Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

Uit het forensisch brandonderzoek blijkt dat de brand heeft plaatsgevonden in een flatwoning met boven, onder, links en rechts aangrenzende woningen. De brand heeft gewoed in de nachtelijke uren, terwijl de personen in de aangrenzende woningen op dat moment lagen te slapen. Er was sprake van rookverspreiding naar de gemeenschappelijke trapopgang en de aangrenzende woningen, waardoor gevaar voor de gezondheid van de bewoners is ontstaan. De gemeenschappelijke trapopgang was de enige manier om de woningen op de eerste en tweede verdieping op normale wijze te verlaten. In verband met de rookontwikkeling zijn de bewoners van het appartement met huisnummer [nummer 1] door de brandweer uit hun woning geëvacueerd. De bewoner van het appartement met huisnummer [nummer 2] hing aan zijn balkon op de derde etage toen de politie arriveerde en is via het balkon op de tweede verdieping naar beneden geklommen. Daarnaast had in de woning gemakkelijk brandverspreiding kunnen plaatsvinden door de aanwezigheid van diverse brandbare goederen, zoals meubels, die zich in de woonkamer bevonden. Als de brand zich had uitgebreid, dan was er sprake van een behoorlijk risico op een heftige, uitslaande brand. De rechtbank acht daarmee voldoende bewezen dat door de brand ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 23 mei 2025 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in een appartement gelegen aan de [adres], door open vuur, in aanraking te brengen met een matras en spiritus, ten gevolge waarvan dat matras en de vloer van die woning gedeeltelijk zijn verbrand, waarbij een behoorlijke rookontwikkeling is ontstaan, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de aangrenzende en nabijgelegen appartementen, te duchten was, en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de zich in die aangrenzende en nabijgelegen appartementen bevindende personen, te duchten was.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Voor de beantwoording van de vraag of het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 20 november 2025, opgesteld door GZ-psycholoog M.F. Raven en psychiater M.M. Sprock. Daarin adviseren de deskundigen om het ten laste gelegde feit op zijn minst in sterk verminderde mate toe te rekenen, waarbij mogelijk sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De deskundigen hebben slechts een globaal beeld gekregen van de verdachte, omdat hij beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek. Bij de verdachte is een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis gediagnostiseerd en is sprake van langdurige verslavingsproblematiek. De psychotische stoornis was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit aanwezig. In hoeverre de verdachte onder invloed van middelen was, is niet duidelijk. Volgens de deskundigen is het zeer waarschijnlijk dat de psychotische belevingen van de verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen in aanzienlijke mate hebben beïnvloed. Het is echter onduidelijk gebleven in hoeverre alcohol- en drugsgebruik en een antisociaal aspect een rol hebben gespeeld. Ook is niet helder geworden wat de verdachte heeft bewogen bij zijn gedragskeuzes.

De rechtbank is van oordeel dat uit dit rapport onvoldoende is gebleken dat het feit in zijn geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat houdt verband met de beperkte medewerking van de verdachte, maar daarvan is niet gebleken dat die voortkomt uit de bij hem aanwezige stoornis. Bij deze stand van zaken volgt de rechtbank het advies van de deskundigen om het feit in (sterk) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit, is de verdachte wel strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de verdachte geen TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen, maar over te gaan tot een lichtere maatregel. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank haar verzoek tot partiële vrijspraak volgt, de TBS-maatregel gemaximeerd dient te zijn. In dat geval is namelijk geen sprake van een geweldsmisdrijf. Gelet op het advies van de deskundigen om het ten laste gelegde feit niet dan wel in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, heeft zij daarnaast verzocht te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft op 23 mei 2025 in de vroege ochtend brand gesticht in zijn woning op de eerste verdieping van een flatgebouw in Haarlem. Door brand te stichten heeft de verdachte niet alleen schade aangericht aan de huurwoning, maar is ook gemeen gevaar voor de aangrenzende woningen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die aangrenzende woningen aanwezige personen te duchten geweest. De twee personen, woonachtig in de woning boven die van de verdachte, konden hun woning niet zelfstandig verlaten door de hevige rookontwikkeling en moesten door de brandweer worden geëvacueerd. Een andere buurman had veel rookontwikkeling in zijn slaapkamer en is toen in paniek via het balkon naar beneden geklommen. Gezien de centrale ligging van de woning in het flatgebouw, het nachtelijke tijdstip en het aantal bewoners uit het flatgebouw dat dan gewoonlijk ligt te slapen, hadden de gevolgen van de brand vele malen erger kunnen zijn. Dat de schade voor de omliggende woningen en de bewoners relatief beperkt is gebleven, is te danken aan het feit dat de omwonenden op tijd wakker zijn geworden en een van hen snel de brandweer heeft gealarmeerd. Gelukkig heeft de brandweer vervolgens kunnen voorkomen dat de brand is overgeslagen naar de aangrenzende woningen en dat mensen verwondingen hebben opgelopen of zijn overleden.

Brandstichting is een ernstig en (levens)gevaarlijk delict, omdat het tot oncontroleerbare en snel uit de hand lopende situaties kan leiden. Brandstichting in een flatwoning leidt bovendien tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners van het flatgebouw en kan hen dwingen tot het nemen van (grote) risico’s om zichzelf en anderen in veiligheid te brengen, zoals ook in dit geval is gebeurd. Dergelijke feiten zijn daarnaast ook zeer verontrustend voor de samenleving in het algemeen.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van 6 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar, zoals de rechtbank hiervoor in paragraaf 5 heeft geconcludeerd. Deze omstandigheid weegt de rechtbank, in het voordeel van de verdachte, mee bij het bepalen van de duur van de straf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het hiervoor genoemde Pro Justitia rapport van 20 november 2025. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Concluderend is er na gebruik van risicotaxatie-instrumenten en klinisch oordeel bij weinig bescherming sprake van een ingeschat matig tot hoog risico op recidive. Betrokkene heeft geen woning, dagbesteding en sociaal netwerk. Met enige regelmaat heeft betrokkene terugvallen in middelengebruik die een psychotische ontregeling kunnen inluiden. Hij is weliswaar in zorg, maar dit is onvoldoende gebleken om het tenlastegelegde te voorkomen. Forensische expertise wordt noodzakelijk bevonden. Bij aanwezigheid of toename van psychosociale problemen is de kans op stress en terugval in middelengebruik, gezien de verslavingspathologie inclusief gebrekkige copingvaardigheden, zeer aanwezig, waardoor er een psychotische ontregeling kan ontstaan. De kans op recidive neemt hierdoor toe.

Plaatsing in een forensische kliniek (beveiligingsniveau 3) wordt noodzakelijk geacht, waarbij ingezet dient te worden op verheldering van de diagnostiek en stabilisatie. Betrokkene lijkt behoefte te hebben aan psycho-educatie, zodat wellicht hier een ingang gevonden kan worden tot een inhoudelijke behandeling (o.a. gericht op verbeteren copingvaardigheden, versterken impulscontrole, opstellen signaleringsplan), waartoe betrokkene momenteel echter nog weinig gemotiveerd lijkt te zijn. Aan de hand van de diagnostische bevindingen kan de medicatie aangepast worden (wellicht is een antipsychoticum met meer stemmingstabiliserende eigenschappen een optie). Abstinentie van middelen zal eveneens de inzet dienen te zijn. Aandacht voor de verslavingsproblematiek is derhalve noodzakelijk.

Tbs met voorwaarden is enkel mogelijk als betrokkene zich committeert aan de voorwaarden en daarmee voldoende probleembesef en bereidheid laat zien om te werken aan een recidivebeperkende behandeling. In de gesprekken met onderzoekers (en tevens bleek dit ook in zijn contact met de reclassering) was hier echter geen sprake van, zodat onderzoekers geen andere mogelijkheid zien dan het advies een tbs met dwangverpleging op te leggen.”

De deskundigen concluderen verder dat een zorgmachtiging niet als passend wordt bevonden om het recidiverisico te managen. Ook wordt geen meerwaarde van een zorgmachtiging verwacht aangezien de verdachte ten aanzien van het antipsychoticumgebruik medicatietrouw is geweest en hij eveneens trouw op zijn afspraken met het FACT kwam. Hoewel het FACT de psychotische ontregeling onderkende en de dosering van het antipsychoticum aanpaste, bleek dit te laat om het tenlastegelegde te voorkomen, aldus de deskundigen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 november 2025. Gelet op het hiervoor genoemde advies en de houding van de verdachte ten opzichte van de reclassering, acht de reclassering verdere bemoeienis niet geïndiceerd en op dit moment ook niet haalbaar. De reclassering sluit zich daarom aan bij het advies van de deskundigen om een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank kan zich verenigen met bovenstaande conclusies en maakt deze tot de hare. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de TBS-maatregel kan worden opgelegd. Verder is gebleken dat een matig tot hoog risico op recidive bestaat en de veiligheid van anderen deze maatregel eist. Het opleggen van de TBS-maatregel in voorwaardelijke vorm of het afgeven van een zorgmachtiging, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, zal gelet op het rapport van de deskundigen onvoldoende zijn om het recidivegevaar voldoende te kunnen inperken. Om het recidivegevaar van de verdachte terug te dringen wordt plaatsing in een forensische kliniek (beveiligingsniveau 3) noodzakelijk geacht, waarbij ingezet dient te worden op verheldering van de diagnostiek, stabilisatie en abstinentie van middelen. Ter bescherming van de veiligheid van anderen is het naar het oordeel van de rechtbank dan ook noodzakelijk om de verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De TBS-maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de TBS-maatregel niet op voorhand is gemaximeerd.

Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, passend en geboden. De tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.141,85 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit € 361,85 aan gemaakte reiskosten in verband met vervangend verblijf. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Nu de reiskosten zowel door [benadeelde partij 1] als door [benadeelde partij 2] zijn gevorderd, heeft zij verzocht deze kosten slechts bij één van hen toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade moet worden afgewezen, omdat de gemaakte reiskosten geen rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. De keuze van de benadeelde partij om vervangend verblijf op afstand, en niet in de directe omgeving, te regelen, dient niet voor rekening van de verdachte te komen. Daar komt bij dat de reiskosten worden gevorderd door zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2], terwijl zij deze kosten gezamenlijk hebben gemaakt.

Gelet op de verzochte partiële vrijspraak voor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Subsidiair heeft zij, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, verzocht tot matiging van de immateriële schade tot een bedrag van maximaal € 2.000,-.

Oordeel van de rechtbank

De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Dat de benadeelde partij gebruik heeft gemaakt van haar eigen verblijf op een camping, komt de rechtbank logisch en redelijk voor. De rechtbank wijst de vordering toe tot de helft van het gevorderde bedrag, te weten € 180,93, aangezien [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de reiskosten gezamenlijk hebben gemaakt. Het overige deel van de gevorderde reiskosten wijst de rechtbank af.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval, waarbij sprake is van brandstichting, de benadeelde partij de woning niet kon verlaten via de gemeenschappelijke trapopgang (de enige vluchtroute) vanwege hevige rookontwikkeling, zij een natte handdoek voor haar mond moest houden om te voorkomen dat zij teveel rook zou inademen en moest wachten in de woning totdat de brandweer ter plaatse was en de benadeelde partij vervolgens middenin de nacht uit haar huis moest worden geëvacueerd door de brandweer, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Uit de bijlage bij de vordering volgt bovendien dat de benadeelde partij is doorverwezen naar een psycholoog.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse Schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Vordering van [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.252,85 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit € 361,85 aan gemaakte reiskosten in verband met vervangend verblijf en € 111,- aan eigen risico. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Nu de reiskosten zowel door [benadeelde partij 1] als door [benadeelde partij 2] zijn gevorderd, heeft zij verzocht deze kosten slechts bij één van hen toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade moet worden afgewezen. Ten aanzien van de gemaakte reiskosten heeft zij aangevoerd dat deze geen rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. De keuze van de benadeelde partij om vervangend verblijf op afstand, en niet in de directe omgeving, te regelen, dient niet voor rekening van de verdachte te komen. Daar komt bij dat de reiskosten worden gevorderd door zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2], terwijl zij deze kosten gezamenlijk hebben gemaakt. Ten aanzien van het gevorderde eigen risico heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze schade onvoldoende is onderbouwd en om die reden moet worden afgewezen.

Gelet op de verzochte partiële vrijspraak voor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Subsidiair heeft zij, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, verzocht tot matiging van de immateriële schade tot een bedrag van maximaal € 2.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de gemaakte reiskosten is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. Dat de benadeelde partij gebruik heeft gemaakt van zijn eigen verblijf op een camping, komt de rechtbank logisch en redelijk voor. De rechtbank wijst de vordering toe tot de helft van het gevorderde bedrag, te weten € 180,93, aangezien [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de reiskosten gezamenlijk hebben gemaakt. Het overige deel van de gevorderde reiskosten wijst de rechtbank af.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het gevorderde eigen risico niet-ontvankelijk in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. De rechtbank is van oordeel dat dit deel onvoldoende is onderbouwd. De toegevoegde bijlage 8 geeft onvoldoende duidelijkheid over de hoogte van de kosten van het eigen risico, waarvoor deze kosten zijn gemaakt en of deze kosten in rechtstreeks verband staan met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Op grond van wat zij hierboven onder 7.1 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij vergoeding van de immateriële schade toekomt op grond van artikel 6:106 sub b BW. Uit de medische informatie volgt dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit PTSS (geestelijk letsel) heeft opgelopen.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse Schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,- billijk is. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat sprake is geweest van brandstichting en de benadeelde partij in de nacht uit zijn huis is geëvacueerd door de brandweer. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Vordering van [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.780,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de verzochte partiële vrijspraak voor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Subsidiair heeft zij, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, verzocht tot matiging van de immateriële schade tot een bedrag van maximaal € 2.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van wat zij hierboven onder 7.1 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij vergoeding van de immateriële schade toekomt op grond van artikel 6:106 sub b BW. Uit de medische informatie volgt dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit PTSS (geestelijk letsel) heeft opgelopen.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,- billijk is. De rechtbank acht het billijk aan de benadeelde partij een lager bedrag toe te kennen dan aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], omdat de benadeelde partij niet uit haar woning hoefde te worden geëvacueerd maar haar woning zelfstandig kon verlaten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de hiervoor genoemde vorderingen tot schadevergoeding worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 37b en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.180,93;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [benadeelde partij 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat

€ 5.180,93 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.180,93;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [benadeelde partij 2] voor wat betreft het gevorderde eigen risico niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van [benadeelde partij 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat

€ 5.180,93 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,-;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [benadeelde partij 3] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat

€ 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. M. Rigter en mr. A.M.C. de Haan, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. M. Rigter
  • mr. A.M.C. de Haan

Griffier

  • mr. A.M.C. de Haan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?