ECLI:NL:RBNHO:2026:12914

ECLI:NL:RBNHO:2026:12914

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 11965922 WM VERZ 25-4068
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

WAHV – overmacht door ICT-hack Openbaar Ministerie: de kantonrechter stelt vast dat sprake is van een overmachtssituatie in de zin van artikel 4:15 lid 2 onder c Awb, zodat de beslistermijn met 55 dagen is opgeschort. De gemachtigde van betrokkene heeft de officier van justitie prematuur in gebreke gesteld. De officier van justitie verbeurt geen dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknummer : 11965922 \ WM VERZ 25-4068

CJIB-nummer : ['nummer']

Uitspraakdatum : 23 september 2026

Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [betrokkene]

woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)

gemachtigde : [gemachtigde]

1. De verkeersboete en het beroep

Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat).

Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 7 mei 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is niet verschenen.

Door gemachtigde is aangevoerd dat betrokkene de gedraging niet heeft begaan en dat betrokkene dit ook van meet af aan heeft ontkend. Daarnaast is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de ambtenaar die de boete heeft opgelegd, daartoe bevoegd is. In het zaakoverzicht ontbreekt namelijk het nummer van de akte van beëdiging. Tot slot heeft gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie jegens betrokkene een dwangsom heeft verbeurd en dat de officier van justitie ten onrechte heeft geoordeeld dat de binnengekomen ingebrekestelling prematuur door gemachtigde is verzonden. Volgens gemachtigde beroept de officier van justitie zich op opschorting van de beslistermijn wegens een overmachtssituatie, maar is te summier onderbouwd dat werkelijk sprake is geweest van een overmachtssituatie. Volgens gemachtigde valt het OM zelf een verwijt te maken voor de problemen in de ICT-voorzieningen per 17 juli 2025, is daarom geen sprake geweest van een overmachtssituatie en is de beslistermijn in die periode dus ook niet opgeschort op grond van artikel 4:15 lid 2 onder c Awb.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna de vertegenwoordiger) heeft voorafgaand aan de zitting de kantonrechter verzocht de zaak aan te houden in afwachting van het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de hoger beroepen die het CVOM in vergelijkbare zaken heeft ingesteld. De kantonrechter heeft dit aanhoudingsverzoek afgewezen.

Bij tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft de kantonrechter vragen gesteld aan de officier van justitie en de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden.

2. Overwegingen

De verkeersovertreding

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name de duidelijke verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In Wahv-zaken biedt de verklaring van een verbalisant op ambtseed of belofte voldoende grondslag voor de vaststelling van het plegen van de gedraging door betrokkene. Dit is alleen anders indien betrokkene ten aanzien van deze gedraging voldoende specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van één of meer onderdelen van voornoemde verklaring van de verbalisant. Dat laatste is in dit geval niet gebeurd. Door gemachtigde is namelijk enkel aangevoerd dat betrokkene de gedraging van meet af aan heeft ontkend. Een blote ontkenning is onvoldoende en leidt niet tot twijfel aan de verklaring van de verbalisant.

Ook hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheid van de verbalisant treft geen doel. De kantonrechter verwijst gemachtigde naar de vaste rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hierover.

De kantonrechter ziet ook geen reden om de boete te matigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is daarom geen aanleiding om proceskosten toe te kennen.

Dwangsom

Voor een succesvol beroep op overmacht in de zin van artikel 4:15, tweede lid, onder c, van de Awb moet sprake zijn van de onmogelijkheid van een bestuursorgaan om (tijdig) een besluit te nemen door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten zijn toedoen en risicosfeer. Het OM heeft de keuze gemaakt om de beoordeling en afhandeling van beroepschriften tegen oplegde sancties geheel te digitaliseren. Met deze keuze is het risico dat het systeem moet worden stilgelegd vanwege een ICT-hack onlosmakelijk verbonden. Om te kunnen beoordelen of de gevolgen van de afsluiting van het OM van het internet van 18 juli tot en met 10 september 2025 in verband met een (dreigende) hack geheel of grotendeels in de risicosfeer van het OM liggen, heeft de kantonrechter de officier van justitie bij tussenuitspraak van 4 juni 2026 een aantal vragen voorgelegd ten aanzien van de kwetsbaarheid van de systemen en de getroffen voorzorgsmaatregelen om onbevoegd inbreken op die systemen te voorkomen.

Na verleend uitstel heeft de officier van justitie op 4 augustus 2026 een schriftelijke reactie gestuurd, waarin is ingegaan op het ontstaan van de ICT-inbreuk, het opnieuw opstarten van de systemen op het internet en de hervatting van de processen, de gevolgen van de ICT-inbreuk voor de behandeling van WHAV-beroepen, het juridisch kader voor het vaststellen van overmacht en de toepassing van dit kader op de (situatie ten gevolge van de) ICT-inbreuk. De gemachtigde van betrokkene is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van de gemachtigde is geen reactie ontvangen.

Uit de reactie van de officier van justitie blijkt het volgende.

Nadat het Nationaal Cyber Security Center op 16 juli 2025 verdacht netwerkverkeer vanuit het OM had waargenomen, is daarnaar direct forensisch onderzoek gedaan. Daarbij werd vastgesteld dat sprake was van een ICT-inbreuk doordat onbevoegden gebruik hadden gemaakt van een zogenaamde ‘zero-day’-kwetsbaarheid in de software van Citrix NetScaler. Dit betreft een beveiligingslek in de software die op dat moment nog niet bekend is bij de leverancier en waarvoor nog geen beveiligingsupdate beschikbaar is. Er is geen sprake geweest van het niet tijdig doorvoeren van beveiligingsupdates. Naast het OM zijn ook andere kritieke organisaties getroffen via dezelfde kwetsbaarheid in de Citrix-software. Om te voorkomen dat onbevoegden zich verdergaande toegang tot zeer gevoelige informatie zouden verschaffen, heeft op 17 juli 2025 omstreeks 20.00 uur het College van procureurs-generaal besloten om de eigen systemen volledig los te koppelen van het internet. Een ander alternatief was op dat moment niet voorhanden, omdat door het ontbreken van informatie de omvang en de gevolgen niet konden worden ingeschat. Door de afkoppeling van het internet was het registratiesysteem van de Wahv-beroepen (MAPS) niet toegankelijk.

Nadat het forensisch onderzoek was afgerond, is besloten om het OM gefaseerd weer op het internet aan te sluiten. De gefaseerde benadering was nodig vanwege de complexe informatie-structuur binnen de strafrechtsketen en de volgorde waarin die systemen moeten worden opgestart. Omdat systemen en applicaties van het OM zijn gekoppeld aan systemen van ketenpartners, diende de gefaseerde heraansluiting met alle ketenpartners te worden afgestemd. In de reactie is gedetailleerd beschreven in welke (drie) fasen het CVOM weer is aangesloten op de verschillende systemen en met welke beperkingen de medewerkers te maken hadden gedurende deze periode. De beperkte werkzaamheden die wel mogelijk waren (waaronder het houden van hoorzittingen en het opvragen van stukken), zijn ook verricht. De zogeheten ‘scan-straat’ is op 27 augustus 2025 weer beschikbaar gekomen en binnen 14 dagen zijn vervolgens de 20.000 tot 25.000 binnengekomen poststukken ingescand en in dossiers gevoegd. Vanaf 11 september 2025 kon er weer inhoudelijk op zaken worden beslist.

De kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie met het voorgaande afdoende heeft onderbouwd dat de ICT-inbreuk van 16/17 juli 2025 buiten zijn toedoen en risicosfeer lag. Onbevoegden hebben gebruik gemaakt van een tot dan toe onbekende kwetsbaarheid in de software, waarvoor nog geen beveiligingsupdates beschikbaar waren. De afkoppeling van het internet was in de gegeven situatie noodzakelijk om de integriteit en vertrouwelijkheid van de informatievoorziening te beschermen. De kantonrechter heeft geen reden te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie dat eerdere beveiligingsupdates steeds tijdig zijn doorgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat het OM de ICT-inbreuk had kunnen zien aankomen of bij anders handelen had kunnen voorkomen. Evenmin ziet de kantonrechter hoe het (CV)OM vooraf met redelijke inspanningen had kunnen zorgdragen voor beschikbaarheid van dossiers na de calamiteit. Daarmee staat vast dat op en na 18 juli 2025 sprake was van een overmachtssituatie.

Verder acht de kantonrechter aannemelijk gemaakt dat steeds met de grootste spoed gewerkt is om een einde te maken aan de overmachtssituatie. De gehele periode van 18 juli tot en met 10 september 2025 kan dan ook als overmachtsperiode worden aangemerkt. De beslistermijn is daarmee op grond van artikel 4:15 lid 2 onder c van de Awb van rechtswege opgeschort met 55 dagen.

De beslistermijn in deze zaak was op 18 juli 2025 nog niet verstreken en is opgeschort tot 11 september 2025. De ingebrekestelling van de gemachtigde in deze zaak van 3 september 2025 is dus voor afloop van de beslistermijn verzonden, en daarmee prematuur. De officier van justitie heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep ongegrond;

‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af;

‒ bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene geen dwangsom verschuldigd is.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Jochem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand