ECLI:NL:RBNHO:2026:12931

ECLI:NL:RBNHO:2026:12931

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 15/223257-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling voor het (meermaals) plegen van ontuchtige handeling, begaan tegen zijn kind. De rechtbank acht de verdachte strafbaar, maar zal het feit in verminderde mate aan hem toerekenen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 361 dagen voorwaardelijk passend, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de dagen dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Om de ernst van het feit te benadrukken zal de rechtbank daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren opleggen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/223257-25 (P)

Uitspraakdatum: 27 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Lommers, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, waarnemend voor mr. J.J.C. Engels, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2022 tot en met 1 oktober 2023 te Wognum, gemeente Medemblik, althans in Nederland, met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij (telkens)

- met zijn (ontblote) penis over de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] gewreven en/of geschuurd en/of bewogen en/of

- met zijn, verdachtes vinger(s) over de vagina van die [slachtoffer] gewreven en/of

- zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] .

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De standpunten

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde

feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4. Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Aangezien de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:

de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte gedaan door [naam 1] (Raad van de Kinderbescherming) namens [slachtoffer] op 12 februari 2025 (dossierpagina 8 e.v.).

Het hiervoor vermelde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die

daartoe bevoegd zijn en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan, in die zin dat:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 1 oktober 2023 te Wognum, gemeente Medemblik, met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij telkens

- met zijn ontblote penis over de (ontblote) vagina van die [slachtoffer] gewreven en/of geschuurd en/of bewogen en

- met zijn, verdachtes, vinger(s) over de vagina van die [slachtoffer] gewreven en

- zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] .

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het

verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beantwoording van de vraag of en in welke mate het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het deskundigenrapport van GZ-psycholoog J.E.P Kruikemeier van 17 december 2025. De psycholoog heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en dat deze stoornis ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit aanwezig was. Deze stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het feit beïnvloed. De psycholoog adviseert de rechtbank om het feit in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de deskundige over. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit. De rechtbank acht de verdachte dan ook strafbaar, maar zal het feit in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

7. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zal opleggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van drie jaar, bij overtreding daarvan een week vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte een forse taakstraf op te leggen, waarvan een deel voorwaardelijk. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht geen contactverbod op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft gedurende een jaar meermalen ontucht gepleegd met zijn dochter toen zij zeven tot acht jaar oud was. De rechtbank rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij zelfs nog is doorgegaan met zijn handelingen nadat zijn dochter het aan zijn voormalig partner heeft verteld, waardoor het ontuchtige gedrag al aan het licht was gekomen. Met zijn handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van zijn dochter en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van minderjarigen. Dat het slachtoffer tot op heden de nadelige gevolgen van dit feit ondervindt, blijkt onder meer uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen voor zijn dochter en heeft zijn eigen belang en seksuele behoeften vooropgesteld. Hij heeft daarbij bovendien ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als vader en van de afhankelijke positie van zijn jonge dochter. De ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in het huis van de verdachte en het slachtoffer – een plek die voor haar juist veilig hoort te zijn.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het onder 6. genoemde deskundigenrapport en van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 9 juli 2026.

De psycholoog heeft bij de verdachte een autismespectrumstoornis geconstateerd. Deze psychische stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het feit beïnvloed. Zijn sturingsmogelijkheden waren ingeperkt en hij had niet het besef van het onrechtmatige van zijn daden en heeft daar niet naar kunnen handelen. De kans op recidive wordt ingeschat als laag en de psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Uit het rapport van de reclassering volgt dat psychosociale factoren zoals de beperkte emotieregulatie, probleemhanteringsvaardigheden en copingvaardigheden ten grondslag liggen aan het feit. Ten tijde van het tenlastegelegde feit ontbrak het de verdachte aan een structurele dagbesteding en waren er geldzorgen en spanningen binnen zijn relatie. Er zijn aanwijzingen dat er ten tijde van het seksueel misbruik sprake is geweest van hyperseksualiteit en seks als coping. De reclassering acht het risico op recidive laag. Inmiddels heeft de verdachte een stabiele woonsituatie en is hij goed ingebed in de hulpverlening. Hij ontvangt wekelijks hulp van een ambulant begeleider. De WMO-indicatie is met twee jaar verlengd tot juni 2028. De reclassering acht een straf met bijzondere voorwaarden daarom niet noodzakelijk.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Doorgaans wordt bij vergelijkbare zaken een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd.

Hoewel de ernst van de feiten naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt, zal de rechtbank, anders dan geëist door de officier van justitie, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer duurt dan de vier dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet in dat hiermee fors wordt afgeweken van de eis en zal dat hieronder toelichten.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging allereerst rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Tijdens de terechtzitting heeft de rechtbank de autismespectrumstoornis waar de verdachte mee kampt ook naar voren zien komen in de moeizame communicatie, het moeite hebben met reflecteren op wat er is gebeurd en de confrontatie met de gevolgen van het misbruik voor zijn dochter.

De rechtbank houdt er tevens rekening mee dat de verdachte sinds de gebeurtenissen ongeveer drie jaar geleden aan het licht kwamen, zelf hulp heeft gezocht bij zijn huisarts, die hem heeft doorverwezen naar de GGZ. Hij heeft daar zijn behandeling voltooid. De afgelopen twee jaar krijgt hij hulp bij het op orde krijgen van zijn leven in de vorm van wekelijks huisbezoeken. De verdachte is hierbij afsprakentrouw. Vanwege zijn problematiek is de WMO-indicatie recent met twee jaar verlengd, tot juni 2028, en de verwachting is dat de verdachte voor lange tijd baat heeft bij hulp. Hij is volgens de reclassering inmiddels zodanig ingebed in de hulpverlening dat bijzondere voorwaarden niet nodig zijn. De kans op recidive wordt zowel door de psycholoog als de reclassering als laag ingeschat, mede doordat hij zijn ex-partner en kinderen inmiddels niet meer ziet.

Gelet op de problematiek van de verdachte, het tijdsverloop en het feit dat de verdachte inmiddels volledig is ingebed in de benodigde hulp, is de rechtbank van oordeel dat een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, niet passend is. Wel acht de rechtbank het van belang dat de verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf krijgt met een langere proeftijd van drie jaar, om te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 361 dagen voorwaardelijk passend, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de dagen dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Om de ernst van het feit te benadrukken zal de rechtbank daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren opleggen.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, nu hiervoor niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De rechtbank ziet onvoldoende grond en noodzaak om het recidiverisico, waar de vrijheidsbeperkende maatregel op ziet, in te perken. Ook los van deze maatregel ziet de rechtbank in het dossier en in wat ter terechtzitting aan de orde is geweest geen aanleiding om een contactverbod in de vorm van een bijzondere voorwaarde op te leggen. Niet is gebleken dat de verdachte in de afgelopen periode enige toenadering heeft gezocht tot het slachtoffer en er zijn ook geen aanwijzingen dat hij dat in de toekomst wil gaan doen.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De advocaat van de benadeelde partij, mr. L.M. Wagemaker, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] , vertegenwoordigd door haar moeder [naam 2] , een vordering tot schadevergoeding van € 7.011,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is verzocht om het bedrag over te maken naar een rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM: Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft verzocht om daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te passen. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht te bepalen dat de toe te wijzen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de materiële schadepost die betrekking heeft op de kosten voor de procedure ex art. 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) af te wijzen, vanwege de schadebeperkingsplicht die op de benadeelde partij rust. Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank ten aanzien van de kosten van de vaktherapeut primair verzocht om deze af te wijzen en subsidiair om deze niet-ontvankelijk te verklaren. Wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding, heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, nu het kosten zijn die gemaakt zijn om vervangende toestemming van de rechtbank te krijgen om de vordering benadeelde partij in te dienen. De stelling dat de verdachte zelf ook toestemming zou hebben verleend doet niets aan die noodzakelijkheid af, omdat deze toestemming gedurende het strafproces ingetrokken had kunnen worden. Ook de therapiekosten vloeien rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit. Dit blijkt uit de verklaring van de beeldend vaktherapeut.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. In deze zaak is de vordering van de benadeelde partij gebaseerd op de laatstgenoemde grond, aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Ter onderbouwing van het geestelijk letsel is een document van de beeldend vaktherapeut van het slachtoffer overlegd. Hieruit volgt dat zij op 28 januari 2025 is gestart met therapie. De vaktherapeut verklaart dat het slachtoffer redelijk getraumatiseerd is door het misbruik en de spanningen en veranderingen daaromheen en beschrijft hoe dat tot uiting komt. De rechtbank acht daarmee voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat het gestelde geestelijk letsel door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden. Daarmee valt dit letsel onder het bereik van artikel 6:106 aanhef en onder sub b BW.

De rechtbank houdt rekening met de smartengeldbedragen die worden geïndiceerd in de Rotterdamse Schaal onder ‘aanranding (artikel 246 Sr oud)’. Zij zoekt aansluiting bij de categorie ‘meest ernstig’, zijnde bedragen tussen € 5.000,00 en € 6.500,00. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.500,00, omdat het slachtoffer slechts zeven tot acht jaar oud was en het misbruik gedurende een jaar heeft plaatsgevonden.

De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: ontucht plegen met zijn kind, beneden de leeftijd van zestien jaar] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

BEM-clausule

De rechtbank bepaalt verder dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] te openen rekening met een BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

De rechtbank zal tevens bepalen dat de advocaat van de benadeelde partij binnen drie maanden het openbaar ministerie op de hoogte stelt welke rekening voor de benadeelde partij is geopend.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van driehonderdvijfenzestig (365) dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot driehonderdéénenzestig (361) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het

onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor

zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vier (4) maanden hechtenis.

Benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 7.011,00, bestaande uit € 511,00 als vergoeding voor de materiële schade en € 6.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.011,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zestig (60) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) te openen rekening met een BEM-clausule. De advocaat van de benadeelde partij stelt hiertoe binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het openbaar ministerie op de hoogte welke rekening voor de benadeelde partij is geopend.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Hesselink, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. N. Mook, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A.I. Hoedjes en mr. E.T. Golstein,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.A. Hesselink
  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. N. Mook

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand