RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/277032-25 en 96/322564-23 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 27 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Lommers, van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd:
feit 1:
Primair: het bereiden van methamfetamine, amfetamine en/of MDMA in de periode van 17 augustus 2025 tot en met 17 oktober 2025;
Subsidiair: voorbereidingshandelingen voor het bereiden van methamfetamine, amfetamine en/of MDMA;
feit 2:
het opzettelijk aanwezig hebben van methamfetamine, MDMA, amfetamine en/of cocaïne op 17 oktober 2025.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. De standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het voorhanden hebben van de hoeveelheid boven de 9.578 gram methamfetamine en van het voorhanden hebben van 203 gram amfetamine.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht en heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4. Het oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de hoeveelheid methamfetamine die boven het totaal van 9.587 gram uitkomt. De rechtbank overweegt daartoe dat de hoeveelheden van 2,2 liter (2.200 gram), 18 gram en 16 gram moeten worden afgetrokken van het totaal van 11.821 gram, omdat deze hoeveelheden geen methamfetamine of andere drugs op lijst 1 bevatten dan wel niet zijn getest door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De rechtbank gaat ervan uit dat bij het requisitoir sprake is geweest van een kennelijke misrekening van deze hoeveelheid, omdat de officier van justitie is uitgegaan van een hoeveelheid van 9.578 gram.
Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van 203 gram amfetamine, omdat dit niet als zodanig is getest door het NFI.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de overig ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Aangezien de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
Feit 1 en feit 2
- de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft afgelegd;
- een proces-verbaal van bevindingen van het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen van 25 februari 2026 (dossierpagina 110 e.v.);
- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 januari 2026 (dossierpagina 136 e.v.), zijnde een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering;
- een proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2026 (losse bijlage).
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1
Primair
hij, in de periode van 17 augustus 2025 tot en met 17 oktober 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende
- methamfetamine en/of
- amfetamine en/of
- MDMA.
Feit 2
hij, op 17 oktober 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 9.587 gram methamfetamine, althans een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine; en
- 4 liter en 7 gram MDMA, althans een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA; en
- 5 gram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
en
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;
en
feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
7. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen voor een bedrag van € 28.770,69.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zestien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met aftrek van het voorarrest.
Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de raadsman bepleit de vordering te matigen naar een derde van het bedrag, gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte en nu uit het dossier blijkt dat nog twee andere personen bij het drugslab betrokken zijn geweest, gezien het aangetroffen DNA.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervaardigen en aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs, waaronder methamfetamine (crystal meth). De verdachte heeft zijn woning hiervoor ter beschikking gesteld en hij heeft verschillende werkzaamheden in het productieproces verricht. Uit de stukken in het dossier blijkt dat in zijn volledige woning een groot drugslab gecreëerd was waar volop harddrugs geproduceerd werden.
De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit. Het is algemeen bekend dat harddrugs ernstige schade kunnen toebrengen aan de volksgezondheid en dat de productie van harddrugs andere vormen van (zware) criminaliteit met zich brengt. Bovendien worden bij de productie van methamfetamine zeer brandbare en chemische stoffen gebruikt. De woning van de verdachte is een benedenwoning als onderdeel van een blok van zes woningen in een woonwijk. Met zijn handelen heeft hij onaanvaardbare risico’s voor omwonenden gecreëerd. De productie van methamfetamine gaat bovendien gepaard met enorme schade voor het milieu, mede als gevolg van het dumpen van het afval dat overblijft na het maken daarvan. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van het harddrugscircuit en zich niet heeft beziggehouden met de gevolgen van zijn handelen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 19 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder wegens een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (ernstige) strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 mei 2026. De reclassering concludeert dat bij de verdachte sprake is van een alcohol- en cocaïneverslaving. Daarnaast zijn er problemen op het gebied van huisvesting, financiën en dagbesteding. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Gelet op het hoge recidiverisico en de instabiliteit op verschillende leefgebieden, adviseert de reclassering om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verplichte dagbesteding, meewerken aan het aflossen van zijn schulden, inzicht geven in zijn sociaal netwerk en het meewerken aan beheersing van zijn middelengebruik. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij een delictvrij leven wil opbouwen en dat hij bereid is zich te houden aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Daarbij geldt als oriëntatiepunt voor alleen al het bereiden van tussen de 10 en 20 kilo harddrugs, zoals hierboven onder feit 1 bewezen verklaard, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
Daarnaast houdt de rechtbank enerzijds rekening met het feit dat sprake is van medeplegen en dat de verdachte een zeer gevaarlijke setting heeft gecreëerd voor omwonenden. Hoewel uit het dossier blijkt dat de verdachte niet ‘het brein’ zal zijn geweest van het drugslab, wist hij wat er gebeurde en heeft hij zelf ook daadwerkelijk handelingen in het lab verricht. Anderzijds was hij degene die het grootste gevaar liep. Hij woonde namelijk in de woning waarin het drugslab was opgezet. De rechtbank vindt ook een voorwaardelijk strafdeel passend, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en hulp krijgt bij zijn middelengebruik en bij het vinden van stabiliteit op de verschillende leefgebieden. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden daarom de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.
Alles afwegende acht de rechtbank, net zoals de officier van justitie, een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de woning van de verdachte waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en de Staat heeft kosten gemaakt voor vernietiging daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van totaal € 28.770,69 voldoende zijn onderbouwd door het Rapport maatregel kostenverhaal en de factuur van [bedrijf] B.V. en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van dit bedrijf door de Staat is betaald.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling van dat bedrag, te weten € 28.770,69, aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank ziet geen aanleiding om het bedrag dat de verdachte moet vergoeden te verminderen, nu de rechtbank niet kan vaststellen hoeveel mededaders de verdachte had, laat staan dat concreet is geworden wie dat zijn geweest nu de verdachte hier zelf ook niets over heeft willen verklaren.
Als dit bedrag niet wordt betaald, kan – met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering ten hoogste 287 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van de verdachte vervalt.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 5 september 2024 in de zaak met parketnummer 96/322564-23 heeft de rechtbank te Noord-Holland de verdachte ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 25 september 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 september 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een week alsnog ten uitvoer zal worden gelegd en dat de vordering ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde rijontzegging wordt afgewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde overtreden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering ten aanzien van de gevangenisstraf voor de duur van één week moet worden toegewezen. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden af.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 en 13d van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte onder de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot tien (10) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij de reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij GGZ Reclassering
Heerhugowaard‚ zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan op het adres [adres] .
2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Noord Holland (Fivoor) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en delictpreventie. Diagnostiek kan onderdeel uitmaken van de behandeling.
Indien er sprake is van een terugval in (overmatig) middelengebruik van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
3. Dagbesteding
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
4. Aflossing van schulden
de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
5. Sociaal netwerk
de verdachte inzicht geeft in zijn sociaal netwerk en eventuele dreigingen uit zijn voormalig sociaal netwerk bespreekbaar maakt met de reclassering.
6. Beheersing van middelengebruik
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en harddrugs. Deze controles kunnen bestaan uit
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96/322564-23 gedeeltelijk toe en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland op 5 september 2024.
Wijst de vordering voor het overige af.
Maatregel kostenverhaal
Legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet een bedrag van € 28.770,69 (zegge: achtentwintigduizend zevenhonderdzeventig euro en negenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 287 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Mook, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A.I. Hoedjes en mr. E.T. Golstein,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd:
Feit 1:
Primair
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2025 tot en met 17 oktober 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende
- methamfetamine en/of
- amfetamine en/of
- MDMA,
zijnde methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Subsidiair
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2025 tot en met 17 oktober 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA,
in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door;
- meerdere hoeveelheden grondstoffen en/of vloeistoffen en/of chemicaliën ten behoeve van de productie van methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA voorhanden te hebben; en/of
- meerdere onderdelen van productie- en verwerkingsopstellingen voor de productie van methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA voorhanden te hebben; en/of
- zijn woning ( [adres] ) ter beschikking te stellen als productielocatie voor methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA.
Feit 2:
hij, op of omstreeks 17 oktober 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 11.821 gram methamfetamine, althans een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine; en/of
- ongeveer 4 liter en/of 7 gram MDMA, althans een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA; en/of
- ongeveer 203 gram amfetamine, althans, een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine; en/of
- ongeveer 5 gram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en/of MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.