RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378879 / JU RK 26-909
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Noord-Holland, Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats]
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
mr. Op de Weegh, kantoorhoudende te Heiloo,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
mr. J.J.C. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 9 juni en de daarin genoemde stukken;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
[vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;
mr. J.J.C. Engels als toehoorder.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Mr. J.J.C. Engels, de advocaat van de vader is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen. Zij was ten tijde van de zitting niet gemachtigd om de vader bij te staan, waardoor zij als toehoorder bij de zitting aanwezig is geweest.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 juli 2026. De beslissing op het meer verzochte is aangehouden tot deze zitting.
[de minderjarige] verblijft op basis van deze machtiging op een crisisplek.
3. Het verzoek
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de kinderrechter terecht en op goede gronden heeft besloten tot een voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en tot het verlenen van een machtiging tot een spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Verder ligt nog voor het verzoek van de Raad tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling (drie maanden). De Raad verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad het volgende naar voren gebracht. De Raad heeft het vermoeden dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling
wordt bedreigd, omdat zij heeft aangegeven dat sprake is van structureel verbaal en fysiek geweld vanuit de vader naar haar toe. Om deze reden is [de minderjarige] weggelopen van huis en verblijft ze sinds 13 mei 2026 op een crisisplek. Daarnaast heeft [de minderjarige] suïcidale gedachtes en heeft ze een suïcidepoging gedaan. De vader herkent de zorgen over de
suïcidaliteit van [de minderjarige] niet en kan zich niet vinden in de uitspraken van [de minderjarige] over
huiselijk geweld. [de minderjarige] geeft aan niet terug te willen naar de vader en bang voor hem te zijn. De onveiligheid (die zij ervaart) bij de vader thuis moet verder onderzocht worden.
Doordat [de minderjarige] niet naar huis wil en kan, zijn en op dit moment geen mogelijkheid is om [de minderjarige] in haar eigen netwerk op te vangen, vindt de Raad het nodig dat de machtiging voor de resterende periode wordt verleend om haar huidige verblijfsplek te borgen en verder onderzoek te doen.
Op de zitting heeft de Raad toegelicht dat een regulier beschermingsonderzoek wordt gestart om te beoordelen of een ondertoezichtstelling voor een langere periode nodig is. Hier wordt ook het zusje van [de minderjarige] in meegenomen. Er is nog geen zicht op welke hulpverlening, naast een schoolpsycholoog, nodig is voor [de minderjarige] , dat moet verder onderzocht worden.
4. De standpunten
mening van [de minderjarige]
heeft in het gesprek met de kinderrechter samengevat aangegeven dat ze niet terug wil naar haar vader en haar vader ook niet wil zien, omdat hij haar slecht behandeld. Ze vindt het fijn op de groep waar ze nu verblijft. Het liefste wil [de minderjarige] wel naar een groep die dichter bij haar school en vriendinnen in de buurt is.
standpunt van de moeder
De moeder is het eens met het verzoek. Het is voor haar belangrijk dat [de minderjarige] op een veilige plek zit, rust krijgt en zich op school kan richten. Het contact tussen haar en [de minderjarige] is in april 2026 hersteld, na de suïcidepoging van [de minderjarige] . [de minderjarige] komt nu vaak bij haar langs, maar de moeder kan niet de volledige zorg voor haar op zich nemen.
De moeder maakt zich ook zorgen om [jongere zusje] , het jongere zusje van [de minderjarige] . Zij woont bij de vader en de moeder heeft het vermoeden dat zij door hem wordt mishandeld, ook al geeft [jongere zusje] aan dat het goed met haar gaat.
Verder is naar voren gebracht dat ten tijde van de vorige ondertoezichtstelling al zorgen waren over de hoeveelheid werkzaamheden die de zussen moesten doen in huis. Er is toen al aangegeven dat hulpverlening nodig was in het gezin, maar dat is nooit van de grond gekomen.
De moeder vindt het belangrijk dat het contact tussen [de minderjarige] en [jongere zusje] spoedig wordt hersteld.
standpunt van de GI
De GI heeft geen standpunt ingenomen, omdat nog geen vaste jeugdbeschermer is aangewezen en de vertegenwoordig op de zitting van de bureaudienst was. Wel is naar voren gebracht dat [de minderjarige] tot 9 juli 2026 op haar huidige plek kan blijven.
5. De beoordeling
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gebracht, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het in voormelde beschikking van 9 juni 2026 geformuleerde oordeel over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, dat is gebaseerd op de destijds beschikbare informatie, te wijzigen.
De kinderrechter zal die beslissing dan ook handhaven.
Over het resterende verzoek van de Raad, overweegt de kinderrechter het volgende.
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat veel zorgen zijn over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft uitspraken gedaan over huiselijk geweld in de thuissituatie bij de vader en aangegeven dat ze van de vader veel moet werken op de boerderij en dat hij vaak tegen haar schreeuwt. Zij is daarom weggelopen van huis en wil de vader niet meer zien. Daarnaast heeft [de minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over suïcide en daar onlangs zelfs een poging toe gedaan. De vader ontkent dat sprake is geweest van fysiek geweld en kan zich ook niet vinden in de zorgen die er over [de minderjarige] zijn. Hij wil graag dat het contact wordt hersteld en dat zij weer naar huis komt. Er zijn dan ook twee tegenstrijdige verhalen, waarbij hoe dan ook duidelijk is dat het met [de minderjarige] thuis niet goed ging. De kinderrechter acht het van belang dat grondig onderzoek wordt gedaan naar wat in de thuissituatie speelt, waarbij ook aandacht is voor de vraag welke hulpverlening voor [de minderjarige] , en eventueel de vader, passend en nodig is. Daarnaast is belangrijk dat onderzocht wordt wat een passende verblijfsplek voor [de minderjarige] is en waar zij na 9 juli 2026 terecht kan. Hoewel uit de stukken blijkt dat zij tot 9 juli 2026 op haar huidige plek kan blijven, is ter zitting door de Raad naar voren gebracht dat zij daar langer kan blijven. Bekeken moet dus worden of ze op de huidige groep kan blijven, of ze uiteindelijk terug kan naar de vader of dat een andere plek voor haar passender is. Voor de kinderrechter is duidelijk dat [de minderjarige] op dit moment – zonder nader onderzoek naar haar veiligheid – niet terug naar huis kan en dat zij ook niet bij haar moeder kan wonen. Dit maakt dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek toewijst, nu de plaatsing op een accommodatie voor jeugdhulp, op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige] is.
De kinderrechter acht het verder van belang dat de GI de komende periode onderzoekt hoe het contact tussen [de minderjarige] en haar zusje hersteld kan worden en wat mogelijk is in het contact met haar vader.
De kinderrechter zal daarom het resterende verzoek van de Raad tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 september 2026;
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.