ECLI:NL:RBNHO:2026:13095

ECLI:NL:RBNHO:2026:13095

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer C/15/374864
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

beëindigen gezamenlijk gezag; inhoudelijke betrokkenheid vader minimaal

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

zorg-/omgangsregeling en gezag

zaak-/rekestnr.: C/15/374864 / FA RK 26-849

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 september 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N.H. Fridsma, kantoorhoudende te Heemskerk,

tegen

[de vader] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vader.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek, met bijlagen, van de moeder ontvangen op 17 februari 2026;

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2026 in aanwezigheid van de moeder bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 31 augustus haar mening aan de rechter kenbaar gemaakt.

2. De feiten

Partijen hebben van 2009 tot 2018 een affectieve relatie met elkaar gehad.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;

De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .

3. Het verzoek

De moeder verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat:

het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt;

begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden, inhoudende dat de vader eens in twee weken één dag/dagdeel omgang heeft met [de minderjarige] ;

kosten rechtens.

De moeder overweegt hiertoe als volgt. De vader is de afgelopen jaren beperkt betrokken geweest bij het leven van [de minderjarige] . De moeder is dan ook degene die de dagelijkse zorg en opvoeding van [de minderjarige] op zich neemt. In de praktijk ondervindt de moeder hierdoor veel hinder van het gezamenlijk gezag. De vader is moeilijk bereikbaar, waardoor het regelmatig lastig is om tijdig met hem te overleggen over beslissingen rondom [de minderjarige] . De moeder neemt deze beslissingen feitelijk dan ook al geruime tijd zelfstandig. Daarnaast vraagt de moeder zich af of de vader überhaupt weet waarvoor hij tekent. Gelet op zijn beperkte betrokkenheid, twijfelt de moeder ook of de vader voldoende zicht heeft op wat speelt in het leven van [de minderjarige] en of hij daarmee in staat is om beslissingen te nemen die in haar belang zijn. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij voortaan alleen met het gezag over [de minderjarige] wordt belast.

Ten aanzien van de omgang merkt de moeder op dat zij het belangrijk vindt dat een vaste en structurele zorg-/omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader komt. Op dit moment is daarvan geen sprake. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader vindt onregelmatig plaats en het lukt de ouders onvoldoende om hierover duidelijke en vaste afspraken te maken. Bovendien is het voor de moeder onzeker of de vader de gemaakte afspraken zal nakomen. De moeder acht deze onduidelijkheid voor [de minderjarige] niet wenselijk en vindt het daarom belangrijk dat een duidelijke en voorspelbare regeling wordt vastgelegd. Daarnaast heeft de moeder het vermoeden dat bij de vader nog steeds sprake is van een alcoholprobleem. Gelet hierop en in het belang van [de minderjarige] verzoekt de moeder om een zorg- /omgangsregeling vast te stellen waarbij begeleiding aanwezig is.

4. Verweer

De vader heeft geen verweerschrift ingediend en is niet ter zitting verschenen.

5. Visie van de Raad

De Raad heeft ter zitting het volgende geadviseerd. De Raad heeft vastgesteld dat geen concrete voorbeelden zijn waarin als gevolg van een weigerachtige houding van de vader geen gezagsbeslissingen konden worden genomen. De Raad constateert echter wel dat de vader in de praktijk geen inhoudelijke betrokkenheid heeft bij het proces dat aan een gezagsbeslissing voorafgaat. Zijn betrokkenheid beperkt zich in feite tot het ondertekenen van beslissingen, waarbij bovendien is gebleken dat hij hierin regelmatig traag is. Nu ten aanzien van [de minderjarige] , mede gelet op haar medische situatie, met enige regelmaat met spoed beslissingen moeten worden genomen, acht de Raad deze vertraging niet in het belang van [de minderjarige] .

Daarnaast weegt de Raad bij een beslissing over het eventueel toekennen van het eenhoofdig gezag mee in hoeverre de ouder die met het eenhoofdig gezag wil worden belast, in staat is om de andere ouder bij het leven van het kind betrokken te houden. De Raad ziet dat de moeder het belang van contact tussen de vader en [de minderjarige] onderschrijft en heeft er vertrouwen in dat zij zich ervoor zal blijven inzetten om dit contact te faciliteren. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad het verzoek van de moeder tot het eenhoofdig gezag en de vaststelling van een zorg-/omgangsregeling toe te wijzen.

6. De beoordeling

eenhoofdig gezag

Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Niet in geschil is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW.

Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

De rechtbank concludeert uit de stukken en wat de moeder ter zitting naar voren heeft gebracht dat de vader moeilijk bereikbaar is en geruime tijd nodig heeft om zijn handtekening te zetten wanneer voor een beslissing rondom [de minderjarige] zijn toestemming is vereist. Dit is met name bij medische beslissingen problematisch, omdat dergelijke beslissingen soms op korte termijn moeten worden genomen. Daarnaast is gebleken dat de vader onvoldoende op de hoogte is van de inhoud en achtergrond van de beslissingen waarvoor hij zijn handtekening zet. Van daadwerkelijke afstemming en overleg tussen de ouders is dan ook nauwelijks sprake. De betrokkenheid van de vader bij gezagsbeslissingen lijkt zich in de praktijk voornamelijk te beperken tot het zetten van zijn handtekening, zonder dat hij zich voldoende verdiept in de beslissing waarvoor zijn toestemming wordt gevraagd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag dan ook ontbreekt. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag wordt belast.

Nu de moeder voortaan belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , zal de rechtbank hierna spreken over een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.

omgangsregeling

Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

De moeder heeft verzocht om een begeleide omgangsregeling, omdat zij het belangrijk vindt dat [de minderjarige] en de vader regelmatig en op een veilige manier contact met elkaar hebben. De rechtbank heeft [de minderjarige] tijdens een kindgesprek gesproken en ook [de minderjarige] heeft aangegeven dat zij graag regelmatig contact met de vader wil. Zij zou het liefst iedere week onbegeleide omgang met de vader willen hebben.

De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat een vaste omgangsregeling met de vader wordt vastgelegd. De rechtbank zal bepalen dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken gedurende één dag of dagdeel omgang heeft met de vader. De omgang zal onbegeleid plaatsvinden. Uit het verleden is niet gebleken dat begeleiding bij de omgang nodig is. Ook anderszins komt dit uit het dossier en wat ter zitting is besproken, niet naar voren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de omgang begeleid te laten plaatsvinden.

proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige] toekomt;

stelt de omgangsregeling als volgt vast: [de minderjarige] heeft eenmaal per twee weken gedurende één dag of dagdeel omgang met de vader;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Visser als griffier en in het openbaar uitgesproken op

17 september 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand