RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11716595 \ CV EXPL 25-3247
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]beiden wonende te [plaats]eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Eurowings GmbH
gevestigd te Düsseldorf (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 7 juli 2023 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Stuttgart Airport (Duitsland) naar Rinas Airport (Albanië), met de vluchtcombinatie EW2181 en EW2912.
De vervoerder heeft vlucht EW2912 (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 930,10, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 139,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier.Daarnaast vorderen zij de vervoerder te veroordelen tot betaling van de door hen gemaakte kosten voor een hotelovernachting (€ 130,10).
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder stelt dat de vlucht vanwege een veiligheidsprobleem op Stuttgart Airport dusdanig was vertraagd, dat het niet langer mogelijk was om de terugvlucht uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van de luchthaven Stuttgart te schenden. De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, niet is gebleken dat de vlucht op de eerst geplande vluchtdatum niet alsnog (vertraagd) kon worden uitgevoerd. Slechts de terugvlucht werd onderworpen aan het nachtregime van Stuttgart Airport. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Er is namelijk sprake van een vertraging van in ieder geval drie uur, welke niet het gevolg is van buitengewone omstandigheden. De gevorderde compensatie zal daarom worden toegewezen. De daarover gevorderde rente is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
De vervoerder voert geen verweer tegen de door de passagiers gevorderde hotelkosten, zodat deze eveneens zullen worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente over deze (hotel)kosten is niet toewijsbaar vanaf 7 juli 2023 omdat – wat deze kosten betreft – voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling is vereist. Deze rente zal derhalve worden toegewezen vanaf 22 dagen na 28 juli 2023, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een eerdere datum van het intreden van het verzuim.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft dit (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.069,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 juli 2023, over € 130,10 vanaf 19 augustus 2023 en over € 139,52 vanaf 23 april 2025 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 288,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter