ECLI:NL:RBNHO:2026:13185

ECLI:NL:RBNHO:2026:13185

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/361775-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Bewijsoverweging m.b.t. schuld, de mate van schuld (roekeloosheid) en de kwalificatie van het letsel. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van het ongeval psychisch ontregeld was, komt de rechtbank niet tot de conclusie dat de verdachte in strafrechtelijke zin geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Sprake van culpa in causa. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte buiten zijn eigen schuld psychotisch ontregeld was ten tijde van het ongeval. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot het gelasten van een persoonlijkheidsonderzoek. Verminderde toerekeningsvatbaarheid. Verdachte is veroordeeld tot 200 uren taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/361775-24 (P)

Uitspraakdatum: 17 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Funke Kupper en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M.Ü. Özsüren, advocaat te Harderwijk, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 november 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- met een niet toegestane en/of onverantwoord hoge snelheid te rijden,- een of meerdere voertuigen rechts en/of gevaarlijk in te halen,- via de vluchtstrook te rijden,- de controle over het door hem bestuurde voertuig te verliezen en/of slingerend te rijden en/of- in botsing te komen met een voor hem rijdend voertuig (personenauto, merk Toyota),waardoor een of meer anderen (genaamd [benadeelde 1], [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten [benadeelde 1] een whiplash en/of een trauma van de halswervelkolom, [benadeelde 2] een contusie aan haar nek en rug en/of [benadeelde 3] een hernia en/of whiplash, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 november 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Volkswagen), daarmee rijdende op de weg, de A7,- met een niet toegestane en/of onverantwoord hoge snelheid heeft gereden,- een of meerdere voertuigen rechts en/of gevaarlijk in heeft gehaald,- via de vluchtstrook heeft gereden,- de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft verloren en/of slingerend heeft gereden en/of- in botsing is gekomen met een voor hem rijdend voertuig (personenauto, merk Toyota) met daarin drie inzittenden (genaamd [benadeelde 1], [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]),door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte door roekeloos rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij drie slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De psychische toestand van de verdachte ten tijde van het verkeersongeval staat aan een bewezenverklaring niet in de weg, omdat deze toestand aan hemzelf te wijten is. Van verontschuldigbare onmacht is geen sprake, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte over de vluchtstrook heeft gereden en dat sprake was roekeloos rijgedrag. De verdachte was ten tijde van het ongeval psychotisch ontregeld, zodat niet kan worden gesteld dat hij de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate heeft geschonden. Indien de rechtbank de verdediging niet volgt in dit standpunt, heeft de raadsman verzocht een nader forensisch-psychiatrisch onderzoek te gelasten waarin wordt onderzocht in hoeverre de psychische ontregeling van invloed is geweest op het rijgedrag van de verdachte.

Voor het overige heeft de raadsman zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijs De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage van dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt daarbij als volgt.

Bewijsoverwegingen

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 10 november 2024 vond omstreeks 10:10 een verkeersongeval plaats. De verdachte reed in zijn Volkswagen Passat op de snelweg A7 in de richting van Amsterdam. De snelheidslimiet was daar op dat moment 100 kilometer per uur. De verdachte is met zijn voertuig ter hoogte van hectometerpaal 51.7 in botsing gekomen met een Toyota Corolla met drie inzittenden, het gezin [slachtoffers] (de slachtoffers).

Voorafgaand aan deze botsing haalde de verdachte verschillende voertuigen met hoge snelheid rechts in, waarbij hij ook over de vluchtstrook reed. Door verschillende getuigen werd de snelheid van de verdachte ingeschat tussen de 160 en 180 kilometer per uur. Bij een van de inhaalmanoeuvres raakte het voertuig van de verdachte in een slip en is hij met de linkerzijde van zijn voertuig tegen de achterkant van het voertuig van de slachtoffers in botsing gekomen. Het voertuig van de slachtoffers raakte hierdoor in een slip, raakte met de voorzijde de vangrail en kwam tot stilstand op de vluchtstrook. De slachtoffers hebben als gevolg van het ongeval lichamelijk letsel opgelopen.

Vluchtstrook

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het rijden over de vluchtstrook omdat dit onderdeel slechts steun vindt in de verklaring van één getuige.

De rechtbank overweegt dat de getuige [getuige] gedetailleerd heeft verklaard dat de verdachte haar via de vluchtstrook inhaalde en vervolgens over de vluchtstrook bleef rijden totdat hij naar links uitweek. Omdat niet elk onderdeel van de tenlastelegging gedekt hoeft te worden door meerdere bewijsmiddelen en de rechtbank geen aanleiding heeft om aan de verklaring van de getuige [getuige] te twijfelen, wordt dit verweer verworpen. De rechtbank acht daarom ook het rijden over de vluchtstrook bewezen.

Juridisch kader

Aan de verdachte is primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) ten laste gelegd. Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is onder meer vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zo heeft gedragen in het verkeer, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij deze laatste geldt als de zwaarste vorm van schuld.

In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Schuld De verdachte erkent dat hij de botsing heeft veroorzaakt, maar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij de auto is ingestapt. Ook van de autorit kan hij zich niets herinneren. Hij was die dag erg angstig en voelde zich opgejaagd. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte psychisch ontregeld was. Voor zover de raadsman een beroep heeft gedaan op verontschuldigbare onmacht - en op grond daarvan schuld aan het veroorzaken van het ongeval ontbreekt - overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte wel een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat tot bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW kan worden gekomen.

Hoewel een rapportage van een psychiater of psycholoog waarin een oordeel wordt gegeven over de psychische toestand van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het dossier en de stukken die de raadsman over de psychische toestand van de verdachte heeft overgelegd voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat de verdachte ten tijde van het ongeval psychisch ontregeld was. Uit het dossier volgt dat de verdachte na het ongeval lopend op de weg is aangetroffen. De verbalisanten die de verdachte aantreffen, omschrijven zijn gedrag als verward: hij liep op blote voeten door een droge sloot naast de weg, trok zijn jas en vest uit en weer aan, huppelde en liep midden op de weg. Op vragen van de verbalisanten reageerde de verdachte niet. Nadat de verdachte naar de grond was gebracht, was hij niet aanspreekbaar, ook niet voor het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel. De vader van de verdachte heeft verklaard dat het al enige tijd psychisch niet goed ging met de verdachte. Bovendien is de verdachte korte tijd na het ongeluk opgenomen bij GGZ Friesland en werd de diagnose ´psychotische stoornis door cannabisgebruik´ vastgesteld.

Hoewel de rechtbank gelet op het voorgaande ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van het ongeval psychisch ontregeld was, komt de rechtbank niet tot de conclusie dat de verdachte in strafrechtelijke zin geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Uit de diagnose zoals gesteld vlak na het ongeval volgt dat de verdachte leed aan een psychische stoornis door cannabisgebruik. Uit het dossier volgt dat de verdachte al sinds 2020 bekend was met psychische klachten waarvoor hij destijds in een kliniek is opgenomen geweest. Niet staat vast dat deze klachten (ook) verband hielden met cannabisgebruik. De verdachte heeft ter terechtzitting echter verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan het ongeval probeerde te stoppen met het gebruiken van cannabis omdat dit gebruik hem geen goed deed. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij een aantal dagen voorafgaand aan het ongeval weer was begonnen met het roken van cannabis. In het bloed van de verdachte is THC aangetroffen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in de periode voor het ongeval gestrest, overwerkt en angstig was.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat in geval van volledig vrijwillige zelfintoxicatie ontoerekeningsvatbaarheid niet leidt tot vrijspraak of strafuitsluiting (“culpa in causa”). De omstandigheid dat verdachte de concrete gevolgen van zijn handelen - in dit geval het veroorzaken van een zeer ernstig verkeersongeval - redelijkerwijs niet had kunnen voorzien, maakt dit niet anders.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van cannabis van invloed kan zijn op het psychisch functioneren. Vanwege het feit dat de verdachte bekend was met psychische klachten en zijn gesteldheid in de periode voor het ongeval, diende de verdachte zichzelf te vergewissen van de mogelijke psychische effecten van zijn cannabisgebruik. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij voor zijn diagnose niet wist dat het gebruik van cannabis kon leiden tot psychische ontregeling, is de rechtbank van oordeel dat hij dit eenvoudig had kunnen weten, door deze informatie (bijvoorbeeld) op het internet op te zoeken. Dit heeft de verdachte niet gedaan en hoewel hij zelf heeft verklaard dat het gebruik van cannabis hem geen goed deed, heeft hij dit toch gebruikt in de periode voorafgaand aan het ongeval.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte buiten zijn eigen schuld psychotisch ontregeld was ten tijde van het ongeval. De psychische toestand van de verdachte leidt er dan ook niet toe dat de verdachte geen schuld heeft aan het verkeersongeval.

Ook indien gedragsdeskundigen zouden hebben gerapporteerd over de verdachte en hadden geadviseerd hem geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren, leidt dit gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet tot de conclusie dat de verdachte geen schuld heeft aan het verkeersongeval. Het voorwaardelijk gedane verzoek tot het gelasten van een persoonlijkheidsonderzoek (psychologisch/psychiatrisch), wordt daarom afgewezen. De rechtbank ziet daartoe op grond van het voorgaande geen noodzaak.

Mate van schuld

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen welke mate van schuld bewezen kan worden verklaard.

De wetgever heeft met de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, de toepasselijke strafbepaling bij overtreding van artikel 6 WVW, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Daarnaast is vereist dat de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) dit in ernstige mate heeft gedaan, (c) dit opzettelijk heeft gedaan, en (d) daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. a) de verkeersregels

Hoewel de exacte snelheid die de verdachte heeft gereden niet kan worden vastgesteld omdat technisch onderzoek naar de snelheid van het voertuig geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier, stelt de rechtbank aan de hand van de getuigenverklaringen vast dat de verdachte met een onverantwoord hoge snelheid heeft gereden. De getuigen verklaren immers dat zij de snelheid van de verdachte inschatten tussen 160 en 200 kilometer per uur waar 100 kilometer per uur is toegestaan. Ook heeft de verdachte meerdere malen op gevaarlijke wijze andere verkeersdeelnemers rechts ingehaald, waaronder via de vluchtstrook. Dit betreft telkens gedragingen die uitdrukkelijk zijn benoemd in artikel 5a als voorbeelden van schendingen van de verkeersregels. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden.

b) in ernstige mate Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. In deze zaak gaat het om het meermaals en over een langere afstand schenden van (drie) voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.c) opzettelijk

Voor een overtreding van artikel 5a WVW moet het opzet van de verdachte zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels door de verdachte moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verschillende gedragingen van de verdachte - het met een veel te hoge snelheid rijden, het meermaals van rechts inhalen en het rijden over de vluchtstrook in samenhang bezien - naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op een opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels. Dat de verdachte stelt zich hiervan achteraf niets te kunnen herinneren, doet aan dit oordeel niet af.

De rechtbank overweegt verder, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder het kopje ‘schuld’, dat de psychische toestand van verdachte niet zodanig was dat dit aan opzettelijk handelen in de weg staat. Er was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen.

d) gevaar

Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat door dit rijgedrag gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en het leven van andere weggebruikers is te duchten geweest. Dat dit gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, blijkt al uit het ontstane ongeval.

De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van de verdachte van oordeel dat het rijgedrag van verdachte kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is de schuldgradatie van roekeloosheid, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 175, tweede lid, WVW, gegeven.

Kwalificatie letsel

De rechtbank beoordeelt tot slot voor elk van de drie slachtoffers of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen, en het uitzicht op (volledig) herstel van belang. Voor de beoordeling of sprake is van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, wordt in de rechtspraak uitgegaan van een criterium van vier weken. Verhindering is daarbij een subjectief in te vullen begrip. Of van verhindering sprake is, hangt af van de normale bezigheden van het slachtoffer.

[benadeelde 3] had al voor het ongeval een verschoven wervel in haar onderrug, maar deze veroorzaakte destijds geen problemen. Het ongeval heeft ervoor gezorgd dat deze situatie instabiel werd, zij een hernia kreeg en te maken kreeg met pijnklachten. Zij is hieraan geopereerd. Volgens het medisch advies is het aannemelijk dat zij blijvend beperkt zal zijn in wat haar onderrug (lumbale wervelkolom) aan belasting kan verdragen. Gelet op de ernst van dit letsel, de noodzaak van een operatie en het gebrek aan uitzicht op volledig herstel, merkt de rechtbank dit aan als zwaar lichamelijk letsel.

Bij [benadeelde 2] is sprake van een contusie van nek en rug. Hoewel haar pijnklachten aanhouden, volgt uit het medisch advies dat de aanwezigheid van die pijnklachten onvoldoende medisch is geobjectiveerd om als blijvend te kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bij [benadeelde 2] aanwezige letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, maar wel als lichamelijk letsel waaruit, gelet op de opgelopen studievertraging en de noodzaak zich ziek te melden, tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan.

Bij [benadeelde 1] is sprake van een flexie-extensietrauma van de halswervelkolom (whiplash) met klachten van onder meer duizeligheid en geheugenverlies die circa drie maanden hebben aangehouden als gevolg waarvan [benadeelde 1] niet heeft kunnen werken. [benadeelde 1] heeft ter terechtzitting verklaard geen lichamelijke klachten meer te ondervinden. Gelet hierop kwalificeert de rechtbank ook dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel, maar als lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 november 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos- met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid te rijden,- voertuigen rechts en gevaarlijk in te halen,- via de vluchtstrook te rijden,- slingerend te rijden en- in botsing te komen met een voor hem rijdend voertuig (personenauto, merk Toyota),waardoor anderen, genaamd [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten [benadeelde 1] een whiplash, [benadeelde 2] een contusie aan haar nek en rug en [benadeelde 3] een hernia en whiplash.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank uitgaat van volledige toerekeningsvatbaarheid, verzocht de zaak aan te houden voor het laten opmaken van een rapportage door een gedragsdeskundige naar de psychische gesteldheid van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Dit met het oog op een mogelijke strafuitsluiting vanwege ontoerekeningsvatbaarheid.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel een psychiater en psycholoog niet over de verdachte hebben gerapporteerd en daardoor een oordeel van een deskundige over de psychische toestand van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het dossier en de stukken die de raadsman over de psychische toestand van de verdachte heeft overgelegd voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde psychisch ontregeld was. Zoals hiervoor onder 3.3.2 onder het kopje “Schuld” is overwogen, heeft de verdachte de bij hem vastgestelde psychotische ontregeling aan zichzelf te wijten (“culpa in causa”). Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan. Wel ziet de rechtbank evenals de officier van justitie in de stukken die de raadsman heeft overgelegd aanleiding de feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen en zal daarmee rekening houden bij de op te leggen straf.

Zoals reeds is overwogen wijst de rechtbank het voorwaardelijk gedane verzoek tot het gelasten van een persoonlijkheidsonderzoek (psychologisch/psychiatrisch) af. De rechtbank acht zich op grond van het dossier voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak tot het gelasten van een dergelijk onderzoek. Zij verwijst daartoe naar hetgeen eerder onder 3.3.2 onder het kopje “Schuld” is overwogen.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is nog altijd (psychisch) kwetsbaar. Hij is in behandeling bij de GGZ en gebruikt antipsychotica. Vanwege zijn klachten kan hij niet bij zijn vrouw en kinderen in huis wonen. Hij is langdurig arbeidsongeschikt verklaard en dient op korte termijn een WIA uitkering aan te vragen. Hij is gestopt met het gebruiken van cannabis. Het rijbewijs van de verdachte is na het ongeval strafrechtelijk ingevorderd en vervolgens door het CBR ongeldig verklaard. De verdachte heeft een blanco strafblad. Gelet op deze omstandigheden is toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht op zijn plaats.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op 10 november 2024 op de A7 roekeloos gedragen in het verkeer door met een onverantwoord hoge snelheid meermalen andere voertuigen rechts en gevaarlijk in te halen, over de vluchtstrook te rijden waardoor hij de macht over het heeft verloren en in botsing is gekomen met het voertuig van de familie [slachtoffers]. Dit rijgedrag heeft een zeer ernstig gevaar in het leven geroepen.

Als gevolg van dit rijgedrag hebben drie slachtoffers ernstig en langdurig lichamelijk en psychisch letsel opgelopen. De gevolgen voor de familie [slachtoffers] zijn ingrijpend. Ter terechtzitting hebben zij verklaard over het verlies van arbeidsvermogen, studievertraging, pijnklachten en posttraumatische stressklachten. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie (strafblad) van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.

Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport van 18 maart 2026. Daaruit blijkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat, dat de verdachte sinds het ongeval abstinent is van cannabis en dat de psychische situatie van de verdachte inmiddels stabiel is. De verdachte staat onder behandeling van GGZ Friesland, gebruikt antipsychotica en heeft uit eigen beweging hulp gezocht. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat interventies of toezicht niet nodig worden geacht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een psychotische toestand die zijn rijgedrag beïnvloedde. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat deze toestand aan hem toe te rekenen valt, ziet de rechtbank hierin wel aanleiding om deze omstandigheid in straf verminderende zin mee te nemen.

De op te leggen straf De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Die hanteren voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van zeer hoge mate van schuld - een lagere categorie dan roekeloosheid - en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren.

De rechtbank ziet echter in de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de psychische toestand waarin de verdachte verkeerde en de hulp die hij hiervoor in een vrijwillig kader heeft gezocht, aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen ter voorkomen van recidive.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van tweehonderd uur moet worden opgelegd.

Bijkomende straf

Daarnaast zal aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen worden opgelegd voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen6, 175, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

De rechtbank:

- Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

- Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

- Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

- Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

- Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

- Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

- Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Ćulafić, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. M. Rigter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Mac Donald
  • mr. M. Rigter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand