ECLI:NL:RBNHO:2026:13186

ECLI:NL:RBNHO:2026:13186

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/301075-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 24 kilo hasjiesj en van het witwassen van ruim 160.000,00 euro. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/301075-21

Uitspraakdatum: 29 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 april 2025 en 15 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Visser en van wat de verdachte en haar raadslieden, mr. J.C. Dekkers en mr. S. Jongen, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 zij op of omstreeks 7 juli 2020 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeertezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenopzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid van ongeveer 24,31 kilo hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid vanmeer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars enplantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen anderesubstanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesjeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2 zij op of omstreeks 7 juli 2020, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamenen in vereniging met een of meer anderen, althans alleen(van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal ongeveer)€ 166.160, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven, voorhanden heeftgehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of daarvan gebruik heeft gemaakten/of- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of deverplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /diegeldbedrag was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag voorhandenhad(den),terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijsmoest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk is in de vervolging van het tweede ten laste gelegde feit. Daartoe heeft zij kort gezegd aangevoerd dat het in de woning aangetroffen contante geld omzet was van coffeeshops en inmiddels sprake is van een zodanig structureel (gedoog)beleid bij het OM, dat het vertrouwen is opgewekt dat het verwerven en voorhanden hebben van gebleken coffeeshop omzet niet zal worden vervolgd. De verdachte had op dit consistente beleid mogen vertrouwen en het OM moet daarom niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard. In deze specifieke zaak kan de niet-ontvankelijkheid van het OM ook gestoeld worden op de omstandigheden dat alle informatie ten tijde van de vervolgingsbeslissing bij het OM bekend was, het OM daar geen bewijs tegenover zet en dat in het licht van het gedoogbeleid en/of de beslissing de in de woning aangetroffen enveloppen achter te laten, geen redelijk handelend officier van justitie tot vervolging over zou gaan.

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van de goede procesorde. Naast het geval waarin bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, doet zo’n geval zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek zich niet richtte op de exploitant(en) van een coffeeshop(s) en dat er geen sprake is geweest van het actief opsporen van handelsvoorraden of (contante) omzet van coffeeshop(s). De bevindingen van de doorzoeking in de woning waar de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: medeverdachte) verbleven zijn op de eigen merites beoordeeld. Daarbij is betrokken dat de verdachte werkzaam was voor een coffeeshop. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte en de omstandigheden waaronder de contante gelden zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte ten tijde van de doorzoeking verbleef, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De officier van justitie kon en mocht daarom tot vervolging overgaan. De door de verdediging bepleitte niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie is gegrond op de vaststelling dat de aangetroffen gelden omzet van coffeeshops betreft. Dit staat nu juist ter discussie en vraagt om een inhoudelijk oordeel van de rechtbank, zodat het verweer reeds daarom wordt verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier ook overigens ontvankelijk is, dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Standpunten van partijen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 2 hebben de raadslieden subsidiair aangevoerd dat omzet van een gedoogde coffeeshop niet als ‘uit misdrijf afkomstig’ kunnen worden gekwalificeerd. Op de verweren van de raadslieden zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 en feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 7 juli 2020 heeft een doorzoeking van de woning [adres] in Hoofddorp (hierna; de woning) plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is op meerdere plaatsen in de woning contant geld aangetroffen, in totaal een geldbedrag van € 166.160,-. In de garage zijn 29 pakketten, volgens de politie bevattende hasjiesj, aangetroffen. In de woning waren tijdens de doorzoeking de verdachte, haar man en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook medeverdachte) en hun minderjarige zoon aanwezig. In de slaapkamer in gebruik bij de verdachte en de medeverdachte is in een kledingkast een Albert Heijn plastic tas met gebundelde eurobiljetten tot een totaalbedrag van € 160.000,- aangetroffen.

Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt dat de medeverdachte, na een verblijf van ongeveer vier maanden in Suriname, op 5 juli 2020 is teruggekeerd in Nederland. De medeverdachte heeft verklaard dat hij na terugkomst in Nederland vanwege de corona situatie in quarantaine moest verblijven. Hij is toen naar de woning gegaan, omdat in zijn eigen woning aan het [adres] Hoofddorp (waar hij staat ingeschreven en voor zijn vertrek naar Suriname ook verbleef) meerdere zieke familieleden verbleven. In de woning aan [adres] verbleef ook hun meerderjarige zoon [naam 1] . De verdachte verbleef vanaf het begin van de corona periode met hun minderjarige zoon in de woning.

Feit 1: aanwezig hebben hasjiesj

De verdachte ontkent dat de aangetroffen 29 pakketten in de garage van de woning van haar zijn. Zij wist niet van de aanwezigheid van deze pakketten af.

De verdediging heeft subsidiair betwist dat de aangetroffen pakketten hasjiesj bevatten. De rechtbank komt aan bespreking van dit verweer niet toe, nu de rechtbank het primair gevoerde verweer honoreert. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet worden bewezen dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

Op grond van het dossier is niet vast te stellen wie de eigenaar was van de pakketten. Verder is uit het dossier niet gebleken hoe lang de pakketten er al lagen. Wel kan worden vastgesteld dat op de tenlastegelegde datum naast de verdachte meerdere personen in de woning verbleven. Uit het dossier volgt verder dat de verdachte tijdens de doorzoeking in de woning aanwezig was. De pakketten zijn aangetroffen in de garage van de woning, welke garage via een tussendeur rechtstreeks verbonden is met de woning. De deur naar de garage was niet afgesloten en niet is gebleken dat de verdachte tijdens haar verblijf in de woning geen toegang had tot de garage. In zoverre bevonden de pakketten zich (ook) in de machtssfeer van de verdachte.

De pakketten zijn aangetroffen in de garage in twee opgestapelde kartonnen dozen waarvan de bovenste doos dicht was. De inhoud van de dozen was hierdoor niet zichtbaar en daarmee niet zonder meer kenbaar voor de verdachte. Gelet op de plaats waar de pakketten zijn aangetroffen en de omstandigheden waaronder – uit het zicht in een garage van een woning waar meer bewoners verbleven – kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de verdachte heeft geweten van de aanwezigheid van de pakketten in de garage. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat de verdachte hiertoe bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Dit betekent dat de verdachte van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Feit 2: Witwassen

Aangetroffen contante gelden tijdens de doorzoeking Tijdens de doorzoeking is op verschillende plekken in de woning contant geld aangetroffen en in beslag genomen, te weten: - een totaalbedrag van € 2.860,- in het dressoir (ruimte 3); - een totaalbedrag van € 600,- in een doos in de kledingkast (ruimte 5);- een totaalbedrag van € 225,- in een portemonnee in de kledingkast (ruimte 5);- een totaalbedrag van € 1.550,- in een witte envelop uit een handtas; - een totaalbedrag van € 925,- in een keukenkast;- een totaalbedrag van € 160.000,- in een Albert Heijn-tas in de kledingkast (de rechtbank begrijpt eveneens: ruimte 5).

De verdachte heeft tijdens de doorzoeking verklaard dat zij werkzaam is voor een coffeeshop en dat de contante gelden omzet van de coffeeshop betrof. In de keuken zijn nog meer enveloppen met diverse geldbedragen aangetroffen. In overleg met de rechter-commissaris is besloten hier geen onderzoek naar te doen.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de verdachte en de medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van de hiervoor genoemde geldbedragen van in totaal € 166.160,-.

Juridisch kader witwassen In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald, aan te duiden, misdrijf en het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen in de rechtspraak is ontwikkeld en uitgekristalliseerd. Ter beoordeling staat of het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op grond van vast te stellen feiten en omstandigheden, waardoor het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen.

Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van de verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door de verdachte gestelde alternatieve herkomst van de gelden. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

Aangetroffen geldbedrag en witwasvermoeden

Op 7 juli 2020 zijn tijdens de doorzoeking op verschillende plekken in de woning geldbedragen in contanten van in totaal € 166.160,- gevonden. Het grootste deel van het contante geld, ongeveer € 160.000,- is in gebundelde eurobiljetten in een plastic Albert Heijn-tas in een kledingkast aangetroffen. Het op deze manier voorhanden hebben een dergelijk groot bedrag in contanten in een woning is hoogst ongebruikelijk vanwege het risico op diefstal daarvan. Dat risico wordt in het algemeen uitsluitend geaccepteerd als sprake is van het verbergen van crimineel geld. Op deze manier aantreffen van zulke grote bedragen contant geld rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dan ook het vermoeden dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is.

Verklaring herkomst van de gelden Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte een verklaring over de herkomst van de gelden worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachten hebben verklaard dat het contante geld grotendeels afkomstig is van coffeeshops van hun zwager dan wel broer [medeverdachte 1] en hun zoon [naam 2] . De verdachte is werkzaam voor de coffeeshop van haar broer, genaamd “ [naam 3] ”. Hun zoon is de eigenaar van een andere coffeeshop “ [naam 4] ”. De verdachte nam de dagomzet van de coffeeshop “ [naam 3] ” in enveloppen mee naar de woning en deed daar de administratie. Zij haalde uit deze enveloppen het kasgeld. Vervolgens bundelde zij het geld samen. In het keukenkastje lagen nog gesloten enveloppen met kasgeld van de coffeeshop met kassabonnen. In de schoenendoos, waar ook geld in is aangetroffen, zaten ook notities over de administratie van de coffeeshop en kassabonnen. Hoewel benoemd is in het proces-verbaal doorzoeking van 10 augustus 2020 van de rechter-commissaris dat een foto van de notities in de schoenendoos is gemaakt, is deze foto niet in procesdossier aanwezig. Dat bundelen en klaar leggen van contanten voor de nieuwe inkoop deed de verdachte ook voor de coffeeshop van hun zoon. Het in de plastic tas aangetroffen gebundelde geld is afkomstig van beide coffeeshops.

Ter onderbouwing van de herkomst van de contante gelden heeft de verdediging bij twee klaagschriften van 22 juli 2020 onder meer schriftelijke verklaringen overgelegd van de eigenaren van [naam 5] ( [naam 3] ) (hierna: [naam 3] ) en [naam 6] (Coffeeshop “ [naam 4] ”) (hierna: [naam 4] ). Voornoemde bedrijven zijn verkooppunten van cannabis. De eigenaren van deze coffeeshops hebben verklaard de eigenaren van het inbeslaggenomen geld te zijn. [naam 3] behoort toe aan [medeverdachte 1] , de broer van de verdachte. Van het inbeslaggenomen geld zou een bedrag van € 70.074,54 van [naam 3] zijn. Dit geld betreft de inkoop over de maand juni 2020. De verdachte werkt sinds 1 november 2014 voor [naam 3] , waarbij zij de administratie doet en deels het kasgeld in bewaring heeft. Er wordt een salarisstrook van september 2020 en een jaaropgaaf van 2019 van de verdachte ter onderbouwing overgelegd. [naam 4] behoort toe aan de zoon van de verdachten. Van het inbeslaggenomen geld zou ongeveer € 90.000,- van [naam 4] zijn, bestaande uit kasgeld en contante opnamen (respectievelijk ongeveer € 85.000,- en € 5.000,). Het geld voor de inkoop is geboekt in het kasboek. Ter onderbouwing zijn de kasboeken van [naam 3] en [naam 4] over de maanden april 2020 tot en met juli 2020 aangeleverd. Beide eigenaren hebben verklaard dat door corona de leverancier van de coffeeshops niet in staat was om eerder te komen voor de betalingen en daardoor het contante geld zich bij de verdachte in de woning heeft opgehoopt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte hiermee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van de aangetroffen gelden hebben gegeven. De rechtbank kan de officier van justitie niet volgen in zijn stelling dat deze verklaring op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en niet voldoende concreet en verifieerbaar is, omdat de leverancier en tussenpersoon niet kunnen worden gehoord omdat hun identiteit niet kenbaar is gemaakt. Het gaat om de herkomst (en niet om de bestemming) van de gelden en daarover hebben de verdachten concrete verifieerbare verklaringen afgelegd en deze verklaringen onderbouwd met stukken die aansluiten bij de hoogte van het contante geldbedrag dat in de woning is aangetroffen. Het lag vervolgens op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar deze door de verdachten gestelde herkomst van de gelden.

Onderzoek door het Openbaar Ministerie Naar aanleiding van de overgelegde stukken door de verdediging heeft de politie een onderzoek gedaan naar de bankrekeningen en belastinggegevens van de coffeeshops en heeft de politie inkomensgegevens opgevraagd van de verdachten. Hieruit blijkt dat de verdachte in loondienst werkzaam is bij [naam 3] . De bankmutaties van de coffeeshops komen overeen met de bedragen in de kasboeken ten aanzien van de omzet over de bank en de contante opnames. De politie heeft naar aanleiding van dit onderzoek verder - kort gezegd - geconstateerd dat de contant betaalde omzet van de coffeeshops niet is te verifiëren, de coffeeshops vennootschappelijk niets met elkaar te maken hebben, de verdachte alleen in dienst was bij [naam 3] en niet bij [naam 4] en niet is verduidelijkt om wat voor inkoop en welke leverancier het gaat.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie niet is gebleken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft, zodat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verklaringen van de verdachten, blijkend uit het politiedossier en zoals afgelegd op de zitting, komen er in de kern op neer dat het leeuwendeel van het contante geld gevonden bij de doorzoeking afkomstig zou zijn van zowel de kasgelden als contante opnamen van twee coffeeshops. Het overige betreft spaargeld van zowel de verdachte als de minderjarige zoon van beide verdachten. De contante gelden van de coffeeshops zouden zich hebben opgehoopt en waren daardoor aanzienlijk hoger dan verwacht, door onverwachte corona-problematiek bij de leverancier. De verdachte heeft de contante gelden verzameld om zodoende via dezelfde tussenpersonen voor beide coffeeshops de (aanvoer van) softdrugs te betalen. Zoals aangevoerd door de verdediging is het niet ondenkbaar dat wanneer een bestendige aanvoerlijn van softdrugs is gerealiseerd beide coffeeshops hiervan gebruik maken. De eigenaren van de coffeeshops werkten met elkaar samen, vertrouwen elkaar juist vanwege voornoemde familiaire verbanden en de verdachte voorziet in een veilige plek om het geld te bewaren. De verdachte is naar eigen zeggen de beheerder van deze contanten geweest, juist om haar kinderen en familieleden te ontzien van de risico’s die het oppotten van dergelijke contanten met zich mee brengen.

De rechtbank is zich bewust van de spagaat waarin coffeeshops zich bevinden ten aanzien van het voor- en achterdeurbeleid. In het geldende gedoogbeleid is het immers toegestaan dat cannabis in de openheid wordt verkocht, waar de aanvoer van de softdrugs niet op gereguleerde, legale wijze kan plaatsvinden. Dit betekent in de praktijk dat er creatief wordt omgegaan met de problemen die de achterdeur met zich meebrengt en dat heniet ongebruikelijk is dat er grote contante geldbedragen in de omloop zijn in dergelijke ondernemingen. De hoogte van het aangetroffen contante geldbedrag is met administratie en verklaringen van de eigenaren van de coffeeshops onderbouwd. Naar deze administratie en verklaringen van de eigenaren van de coffeeshops is geen nader onderzoek verricht. Dat de bestemming van deze contante gelden gelegen is in de aankoop van softdrugs maakt niet dat de herkomst van deze contante gelden zonder meer van enig misdrijf afkomstig zijn. Op grond van de resultaten van het zeer beperkte onderzoek van het Openbaar Ministerie kan dan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en derhalve middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de verdachte en de medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van witwassen. De verdachte dient van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. R.V. Loeve, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2026

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.H.E. Boomgaart
  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. R.V. Loeve

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand