ECLI:NL:RBNHO:2026:13187

ECLI:NL:RBNHO:2026:13187

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/178042-20 en 15/215137-21 (ttz.gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 24 kilo hasjiesj, van het witwassen van ruim 160.000,00 euro en van wederspannigheid. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen. Het in beslag genomen geld dient te worden teruggegeven aan de rechthebbenden. De in beslag genomen hasjiesj worden onttrokken aan het verkeer. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/178042-20 en 15/215137-21 (ttz.gev.)

Uitspraakdatum: 29 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 april 2025 en 15 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de zitting van 24 april 2025 gevoegd. De zaak met parketnummer 15/178042-20 wordt hierna aangeduid als zaak A. De zaak met parketnummer 15/215137-21 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. J.C. Dekkers en mr. S. Jongen, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlasteleggingen

Zaak A

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 7 juli 2020 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 24,31 kilo hasjiesj,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2

hij op of omstreeks 7 juli 2020, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

(van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal ongeveer)

€ 166.160, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven, voorhanden heeft

gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of daarvan gebruik heeft gemaakt

en/of

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die

geldbedrag was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag voorhanden

had(den),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze

moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Zaak B

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 23 juli 2021 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, in

elk geval in Nederland,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever] (hoofdagent bij de Eenheid

Noord-Holland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te

weten ter aanhouding van verdachte, door:

- één of meerdere keren (met gebalde vuist) tegen het lichaam van die [aangever]

te slaan en/of;

- een bijtende beweging te maken in de richting van die [aangever] en/of

- te bewegen in tegengestelde richting dan waar [aangever] verdachte trachtte te

bewegen

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel, te weten een blauwe plek op de arm en een zwelling op de

middelvinger bij die [aangever] ten gevolge heeft gehad.

2. Voorvragen

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk is in de vervolging van het in zaak A tweede ten laste gelegde feit. Daartoe heeft zij kort gezegd aangevoerd dat het in de woning aangetroffen contante geld omzet was van coffeeshops en inmiddels sprake is van een zodanig structureel (gedoog) beleid bij het OM, dat het vertrouwen is opgewekt dat het verwerven en voorhanden hebben van gebleken coffeeshop omzet niet zal worden vervolgd. De verdachte had op dit consistente beleid mogen vertrouwen en het OM moet daarom niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard. In deze specifieke zaak kan de niet-ontvankelijkheid van het OM ook gestoeld worden op de omstandigheden dat alle informatie ten tijde van de vervolgingsbeslissing bij het OM bekend was, het OM daar geen bewijs tegenover zet en dat in het licht van het gedoogbeleid en/of de beslissing de in de woning aangetroffen enveloppen achter te laten, geen redelijk handelend officier van justitie tot vervolging over zou gaan.

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van de goede procesorde. Naast het geval waarin bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, doet zo’n geval zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek zich niet richtte op de exploitant(en) van een coffeeshop(s) en dat er geen sprake is geweest van het actief opsporen van handelsvoorraden of (contante) omzet van coffeeshop(s). De bevindingen van de doorzoeking in de woning waar de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook medeverdachte) verbleven zijn op de eigen merites beoordeeld. Daarbij is betrokken dat de medeverdachte werkzaam was voor een coffeeshop. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte en de omstandigheden waaronder de contante gelden zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte ten tijde van de doorzoeking verbleef, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De officier van justitie kon en mocht daarom tot vervolging overgaan. De door de verdediging bepleitte niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie is gegrond op de vaststelling dat de aangetroffen gelden omzet van coffeeshops betreft. Dit staat nu juist ter discussie en vraagt om een inhoudelijk oordeel van de rechtbank, zodat het verweer reeds daarom wordt verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier ook overigens ontvankelijk is, dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Standpunten van partijen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben in zowel zaak A als in zaak B integraal vrijspraak bepleit. Op de verweren van de raadslieden zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 en feit 2 in zaak A

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 en feit 2 in zaak A ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 7 juli 2020 heeft een doorzoeking van de woning aan [adres 2] in Hoofddorp (hierna; de woning) plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is op meerdere plaatsen in de woning contant geld aangetroffen, in totaal een geldbedrag van € 166.160,-. In de garage zijn 29 pakketten, volgens de politie bevattende hasjiesj, aangetroffen. In de woning waren tijdens de doorzoeking de verdachte, de medeverdachte en hun minderjarige zoon aanwezig. De verdachte is aangetroffen in de slaapkamer waar in een kledingkast ook een Albert Heijn plastic tas met gebundelde eurobiljetten tot een totaalbedrag van € 160.000,- is aangetroffen.

Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte, na een verblijf van ongeveer vier maanden in Suriname, op 5 juli 2020 is teruggekeerd in Nederland. De verdachte heeft verklaard dat hij na terugkomst in Nederland vanwege de corona situatie in quarantaine moest verblijven. Hij is toen naar de woning gegaan, omdat in zijn eigen woning aan [adres 1] (waar hij staat ingeschreven en voor zijn vertrek naar Suriname ook verbleef) meerdere zieke familieleden verbleven. In de woning aan [adres 2] verbleef ook hun meerderjarige zoon [naam 1] en vanaf het begin van de corona periode ook zijn vrouw (medeverdachte [medeverdachte] ) met hun minderjarige zoon.

Feit 1: aanwezig hebben hasjiesj

De verdachte ontkent dat de aangetroffen 29 pakketten in de garage van de woning van hem zijn. Hij wist niet van de aanwezigheid van deze pakketten af.

De verdediging heeft subsidiair betwist dat de aangetroffen pakketten hasjiesj bevatten. De rechtbank komt aan bespreking van dit verweer niet toe, nu de rechtbank het primair gevoerde verweer honoreert. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet worden bewezen dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

Op grond van het dossier is niet vast te stellen wie de eigenaar was van de pakketten. Verder is uit het dossier niet gebleken hoe lang de pakketten er al lagen. Wel kan worden vastgesteld dat op de tenlastegelegde datum naast de verdachte meerdere personen in de woning verbleven. Uit het dossier volgt verder dat de verdachte tijdens de doorzoeking in de woning aanwezig was. De pakketten zijn aangetroffen in de garage van de woning, welke garage via een tussendeur rechtstreeks verbonden is met de woning. De deur naar de garage was niet afgesloten en niet is gebleken dat de verdachte tijdens zijn verblijf in de woning geen toegang had tot de garage. In zoverre bevonden de pakketten zich (ook) in de machtssfeer van de verdachte.

De pakketten zijn aangetroffen in de garage in twee opgestapelde kartonnen dozen waarvan de bovenste doos dicht was. De inhoud van de dozen was hierdoor niet zichtbaar en daarmee niet zonder meer kenbaar voor de verdachte. Gelet op de plaats waar de pakketten zijn aangetroffen en de omstandigheden waaronder – uit het zicht in een garage van een woning waar de verdachte pas sinds twee dagen verbleef en meer bewoners verbleven – kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de verdachte heeft geweten van de aanwezigheid van de pakketten in de garage. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat de verdachte hiertoe bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Dit betekent dat de verdachte van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Feit 2: Witwassen

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van het aangetroffen contante geldbedrag, omdat hij hiervan geen wetenschap had. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens de doorzoeking is op verschillende plekken in de woning contant geld aangetroffen en in beslag genomen, te weten: - een totaalbedrag van € 2.860,- in het dressoir (ruimte 3); - een totaalbedrag van € 600,- in een doos in de kledingkast (ruimte 5);- een totaalbedrag van € 225,- in een portemonnee in de kledingkast (ruimte 5);- een totaalbedrag van € 1.550,- in een witte envelop uit een handtas; - een totaalbedrag van € 925,- in een keukenkast;- een totaalbedrag van € 160.000,- in een Albert Heijn-tas in de kledingkast (de rechtbank begrijpt eveneens: ruimte 5).

De geldbedragen zijn op plekken in de woning aangetroffen, waaronder de slaapkamer, woonkamer en keuken, waarvan verdachte ten tijde van de tenlastegelegde datum ook gebruik maakte. De kledingkast (ruimte 5) stond in de slaapkamer welke ten tijde van de tenlastegelegde datum door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in gebruik was. In zoverre bevonden de geldbedragen zich (ook) in de beschikkingsmacht van de verdachte. De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat zijn vrouw de medeverdachte [medeverdachte] contante gelden van de coffeeshop(s) waarvoor zij werkzaam was in de woning telde, deze bundelde en in de administratie verwerkte. Daarmee heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid en daarmee het voorhanden hebben van de in woning de aangetroffen contante geldbedragen aanvaard.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de verdachte en de medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van deze contante geldbedragen, van in totaal een bedrag van € 166.160,-.

Juridisch kader witwassen In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald, aan te duiden, misdrijf en het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen in de rechtspraak is ontwikkeld en uitgekristalliseerd. Ter beoordeling staat of het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op grond van vast te stellen feiten en omstandigheden, waardoor het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen.

Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van de verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door de verdachte gestelde alternatieve herkomst van de gelden. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

Aangetroffen geldbedrag en witwasvermoeden

Op 7 juli 2020 zijn tijdens de doorzoeking op verschillende plekken in de woning geldbedragen in contanten van in totaal € 166.160,- gevonden. Het grootste deel van het contante geld, ongeveer € 160.000,- is in gebundelde eurobiljetten in een plastic Albert Heijn-tas in een kledingkast aangetroffen. Het op deze manier voorhanden hebben een dergelijk groot bedrag in contanten in een woning is hoogst ongebruikelijk vanwege het risico op diefstal daarvan. Dat risico wordt in het algemeen uitsluitend geaccepteerd als sprake is van het verbergen van crimineel geld. Op deze manier aantreffen van zulke grote bedragen contant geld rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dan ook het vermoeden dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is.

Verklaring herkomst van de gelden Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte een verklaring over de herkomst van de gelden worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachten hebben verklaard dat het contante geld grotendeels afkomstig is van coffeeshops van hun zwager dan wel broer [naam 2] en hun zoon [naam 3] . De medeverdachte is werkzaam voor de coffeeshop van haar broer, genaamd “ [naam 4] ”. Hun zoon is eigenaar van een andere coffeeshop “ [naam 5] ”. De medeverdachte nam de dagomzet van de coffeeshop “ [naam 4] ” in enveloppen mee naar de woning en deed daar de administratie. Zij haalde uit deze enveloppen het kasgeld. Vervolgens bundelde zij het geld samen. In het keukenkastje lagen nog gesloten enveloppen met kasgeld van de coffeeshop met kassabonnen. In de schoenendoos, waar ook geld in is aangetroffen, zaten ook notities over de administratie van de coffeeshop en kassabonnen. Hoewel benoemd is in het proces-verbaal doorzoeking van 10 augustus 2020 van de rechter-commissaris dat een foto van de notities in de schoenendoos is gemaakt, is deze foto niet in procesdossier aanwezig. Dat bundelen en klaar leggen van contanten voor de nieuwe inkoop deed de medeverdachte ook voor de coffeeshop van hun zoon. Het in de plastic tas aangetroffen gebundelde geld is afkomstig van beide coffeeshops.

Ter onderbouwing van de herkomst van de contante gelden heeft de verdediging bij twee klaagschriften van 22 juli 2020 onder meer schriftelijke verklaringen overgelegd van de eigenaren van [naam 6] ( [naam 4] ”) (hierna: [naam 4] ) en [naam 7] (Coffeeshop “ [naam 5] ”) (hierna: [naam 5] ). Voornoemde bedrijven zijn verkooppunten van cannabis. De eigenaren van deze coffeeshops hebben verklaard de eigenaren van het onder de verdachte inbeslaggenomen geld te zijn. [naam 4] behoort toe aan [naam 2] , de broer van de medeverdachte [medeverdachte] . Van het inbeslaggenomen geld zou een bedrag van € 70.074,54 van [naam 4] zijn. Dit geld betreft de inkoop over de maand juni 2020. De medeverdachte werkt sinds 1 november 2014 voor [naam 4] , waarbij zij de administratie doet en deels het kasgeld in bewaring heeft. Er wordt een salarisstrook van september 2020 en een jaaropgaaf van 2019 van de medeverdachte ter onderbouwing overgelegd. [naam 5] behoort toe aan de zoon van de verdachten. Van het inbeslaggenomen geld zou ongeveer € 90.000,- van [naam 5] zijn, bestaande uit kasgeld en contante opnamen (respectievelijk ongeveer € 85.000,- en € 5.000,-). Het geld voor de inkoop is geboekt in het kasboek. Ter onderbouwing zijn kasboeken van [naam 4] en [naam 5] over de maanden april 2020 tot en met juli 2020 aangeleverd. Beide eigenaren hebben verklaard dat door corona de leverancier van de coffeeshops niet in staat was om eerder te komen voor de betalingen en daardoor heeft het contante geld zich bij de medeverdachte in de woning opgehoopt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte hiermee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van de aangetroffen gelden hebben gegeven. De rechtbank kan de officier van justitie niet volgen in zijn stelling dat deze verklaring op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en niet voldoende concreet en verifieerbaar is, omdat de leverancier en tussenpersoon niet kunnen worden gehoord omdat hun identiteit niet kenbaar is gemaakt. Het gaat om de herkomst (en niet om de bestemming) van de gelden en daarover hebben de verdachten concrete verifieerbare verklaringen afgelegd en deze verklaringen onderbouwd met stukken die aansluiten bij de hoogte van het contante geldbedrag dat in de woning is aangetroffen. Het lag vervolgens op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar deze door de verdachten gestelde herkomst van de gelden.

Onderzoek door het Openbaar Ministerie Naar aanleiding van de overgelegde stukken door de verdediging heeft de politie een onderzoek gedaan naar de bankrekeningen en belastinggegevens van de coffeeshops en heeft de politie inkomensgegevens opgevraagd van de verdachten. Hieruit blijkt dat de medeverdachte in loondienst werkzaam is bij [naam 4] . De bankmutaties van de coffeeshops komen overeen met de bedragen in de kasboeken ten aanzien van de omzet over de bank en de contante opnames. De politie heeft naar aanleiding van dit onderzoek verder - kort gezegd - geconstateerd dat de contant betaalde omzet van de coffeeshops niet is te verifiëren, de coffeeshops vennootschappelijk niets met elkaar te maken hebben, de medeverdachte alleen in dienst was bij [naam 4] en niet bij [naam 5] en niet is verduidelijkt om wat voor inkoop en welke leverancier het gaat.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie niet is gebleken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft, zodat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verklaringen van de verdachten, blijkend uit het politiedossier en zoals afgelegd op de zitting, komen er in de kern op neer dat het leeuwendeel van het contante geld gevonden bij de doorzoeking afkomstig zou zijn van zowel de kasgelden als contante opnamen van twee coffeeshops. Het overige betreft spaargeld van zowel de medeverdachte als de minderjarige zoon van beide verdachten. De contante gelden van de coffeeshops zouden zich hebben opgehoopt en waren daardoor aanzienlijk hoger dan verwacht, door onverwachte corona-problematiek bij de leverancier. De medeverdachte heeft de contante gelden verzameld om zodoende via dezelfde tussenpersoon voor beide coffeeshops de (aanvoer van) softdrugs te betalen. Zoals aangevoerd door de verdediging is het niet ondenkbaar dat wanneer een bestendige aanvoerlijn van softdrugs is gerealiseerd beide coffeeshops hiervan gebruik maken. De eigenaren van de coffeeshops werkten met elkaar samen, vertrouwen elkaar juist vanwege voornoemde familiaire verbanden en de medeverdachte voorziet in een veilige plek om het geld te bewaren. De medeverdachte is naar eigen zeggen de beheerder van deze contanten geweest, juist om haar kinderen en familieleden te ontzien van de risico’s die het oppotten van dergelijke contanten met zich mee brengen.

De rechtbank is zich bewust van de spagaat waarin coffeeshops zich bevinden ten aanzien van het voor- en achterdeurbeleid. In het geldende gedoogbeleid is het immers toegestaan dat cannabis in de openheid wordt verkocht, waar de aanvoer van de softdrugs niet op gereguleerde, legale wijze kan plaatsvinden. Dit betekent in de praktijk dat er creatief wordt omgegaan met de problemen die de achterdeur met zich meebrengt en dat het niet ongebruikelijk is dat er grote contante geldbedragen in de omloop zijn in dergelijke ondernemingen. De hoogte van het aangetroffen contante geldbedrag is met administratie en verklaringen van de eigenaren van desbetreffende coffeeshops onderbouwd. Naar deze administratie en verklaringen van de eigenaren van de coffeeshops is geen nader onderzoek verricht. Dat de bestemming van deze contante gelden gelegen is in de aankoop van softdrugs maakt niet dat de herkomst van deze contante gelden zonder meer van enig misdrijf afkomstig zijn. Op grond van de resultaten van het zeer beperkte onderzoek van het Openbaar Ministerie kan dan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en derhalve middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de verdachte en de medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van witwassen. De verdachte dient van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Vrijspraak in zaak B

Op 23 juli 2021 heeft hoofdagent [aangever] aangifte gedaan tegen de verdachte wegens mishandeling. Op dezelfde dag hebben [aangever] en hoofdagent [verbalisant 1] , die ook aanwezig was tijdens het incident, een gezamenlijk proces-verbaal opgemaakt waarin zij de aanleiding tot en de aanhouding van de verdachte, alsmede zijn verzet tegen deze aanhouding beschrijven. In dit proces-verbaal ziet de rechtbank, net als de verdediging, verschillen tussen de bevindingen van [aangever] en [verbalisant 1] , maar ook binnen het eigen relaas van [aangever] zitten verschillen.

Verder bevinden zich in het dossier beelden die gemaakt zijn door omstanders, door de verdachte zelf en door een bewakingscamera op het terrein. Deze beelden geven fragmenten van het incident op 23 juli 2021 weer. Op 25 juli 2021 is [aangever] naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie door hoofdagent [verbalisant 2] geconfronteerd met verschillen tussen zijn proces-verbaal van bevindingen en de beelden van de verdachte, alsmede de omstandigheid dat [aangever] de verdachte vraagt om een legitimatiebewijs terwijl hij op basis van de beelden de identiteit van de verdachte al lijkt te weten (de aanleiding van de aanhouding). [aangever] is door [verbalisant 2] ook gevraagd wat er is gebeurd nadat de verdachte is gestopt met filmen. De hier opvolgende verklaring van [aangever] is door [verbalisant 2] opgenomen in een proces-verbaal van 28 juli 2021. [aangever] heeft vervolgens aanleiding gezien om op 29 juli 2021 nog een proces-verbaal van bevindingen op te maken met daarin een nadere toelichting omtrent de ontstane onduidelijkheden rondom de aanhouding.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de inhoud van het dossier hiermee onvoldoende duidelijkheid over de gang van zaken met betrekking tot het vermeende door de verdachte gepleegde verzet bij zijn aanhouding. Er zijn in de loop van de tijd meerdere processen-verbaal van bevindingen door [aangever] opgemaakt, waarin onderlinge verschillen zijn geconstateerd, alsmede verschillen ten opzichte van de bevindingen van zijn collega [verbalisant 1] . Daar komt bij dat [aangever] zijn bevindingen in aanvullende processen-verbaal, al dan niet naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie, heeft aangevuld.

Onder deze omstandigheden is niet met een voor een bewezenverklaring voldoende vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde wederspannigheid, zodat de rechtbank de verdachte wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreekt van dit feit.

5. Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 225,00 EUR Geld euro

- 1.550,00 EUR Geld euro- 1.660,00 EUR Geld euro- 160.000,00 EUR Geld euro

- 600,00 EUR Geld euro- 1.200,00 EUR Geld euro

- 925,00 EUR Geld euro

dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

De op de beslaglijst vermelde 24 KG Hashish wordt onttrokken aan het verkeer. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van 24 kilo hashish in strijd met de wet zodat deze goederen worden onttrokken aan het verkeer.

6. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 325,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak B is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel: 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en 2 onder parketnummer 15/178042-20 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/301075-21 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen:

- 225,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163189)

- 1.550,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163190)- 1.660,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163188)- 160.000,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163183)

- 600,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163181)- 1.200,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163185)

- 925,00 EUR Geld euro (voorwerpnummer: G1163182).

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

- 24 KG Hashish (voorwerpnummer G1163168).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. R.V. Loeve, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2026

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.H.E. Boomgaart
  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. R.V. Loeve

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand