ECLI:NL:RBNHO:2026:13193

ECLI:NL:RBNHO:2026:13193

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/098568-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en diefstal met geweld gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte heeft een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek voorarrest. Vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/098568-24 (P)

Uitspraakdatum: 29 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfsplaats in Nederland,

ter terechtzitting opgegeven adres: [adres 1].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.R. Koenders en van wat de verdachte en haar raadsman mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te 's-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2023 tot en met 12 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) en/of in Delft, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- met die [benadeelde] af te spreken in de woning aan de [adres 2] en/of

- ( vervolgens) die [benadeelde] op de grond te duwen en/of een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde] te richten en/of

- de armen en benen van die [benadeelde] aan elkaar vast te binden en/of een zak over zijn hoofd te trekken en/of

- meerdere malen een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [benadeelde] te richten en/of

- die [benadeelde] (onder dwang) in zijn eigen auto te plaatsen en/of deze te vervoeren en/of

- die [benadeelde] (na enige tijd) te dwingen uit de auto te stappen.

Feit 2

zij op of omstreeks 11 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge (van het merk Salvatora Ferragamo) en/of 2, althans een of meerdere telefoons (van het merk Apple) en/of een geldbedrag (circa € 500 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde] op de grond te duwen en/of een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde] te richten.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet als medepleger van de ten laste gelegde feiten kan worden aangemerkt, omdat zij daaraan geen wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging feiten 1 en 2

Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

In aanloop naar de ten laste gelegde gedragingen heeft de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) samen met de verdachte een plan bedacht om [benadeelde] (hierna: de aangever) naar een locatie te lokken. Op die locatie zou de aangever door een voor de rechtbank onbekend gebleven persoon, door [medeverdachte] ‘X’ genoemd, geconfronteerd worden met vermeende oplichtingspraktijken. De aangever heeft een partycentrum in Beverwijk waar zalen kunnen worden gehuurd. Nadat de verdachte van [medeverdachte] de naam van de aangever had gekregen, heeft zij, op verzoek van [medeverdachte], via Facebook contact met hem gezocht. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij interesse had in de huur van een zaal voor een bruiloft, wat in werkelijkheid niet zo was. De verdachte heeft met de aangever een afspraak gemaakt om op 28 oktober 2023 een rondleiding van de aangever te krijgen in het partycentrum in Beverwijk. [medeverdachte] heeft hierna een aparte telefoon voor de verdachte aangeschaft en haar deze gegeven, zodat zij met deze telefoon verdere afspraken met de aangever kon maken. Het telefoonnummer van de aangever stond in die telefoon opgeslagen. Na de afspraak in Beverwijk realiseerde de verdachte zich dat het de bedoeling was de aangever te gijzelen. [medeverdachte] vertelde haar dat hij een deal had met zijn neef en dat ze de aangever met een groep van elf man wilden gijzelen om geld uit hem te trekken.

De verdachte heeft een vervolgafspraak met de aangever gemaakt om op 11 november 2023 een contract te ondertekenen voor de huur van een zaal voor de zogenaamde bruiloft. Deze afspraak moest plaatsvinden in een door [medeverdachte] geboekte Airbnb woning in Egmond aan Zee. Op 11 november 2023 heeft [medeverdachte] de verdachte in België opgehaald en is hij samen met haar naar de Airbnb woning in Egmond aan Zee gereden. De verdachte heeft de aangever voor de woning ontmoet. De aangever, die vóór de verdachte liep en de woning in wilde gaan, kreeg vervolgens een duw en bleef in de woning achter. De verdachte is toen naar de auto van [medeverdachte] gelopen. Zij is vervolgens door [medeverdachte] naar haar woning in België gebracht. In de woning in Egmond aan Zee is de aangever door onbekend gebleven personen onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp beroofd van zijn bezittingen en is hij uren, met vastgebonden armen en benen, in de woning vastgehouden. Na een aantal uren in die woning te zijn vastgehouden is de aangever onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn eigen auto gezet en meegenomen naar Delft. Eenmaal in Delft moest de aangever onder dwang uitstappen en naar een flatgebouw lopen. Daar is het hem gelukt om te ontsnappen en aan voorbijgangers hulp te vragen.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld

Op grond van de verklaringen van de aangever stelt de rechtbank vast dat de personen die het geld, de telefoons en het horloge van de aangever hebben afgenomen, geweld hebben gebruikt en ook hebben gedreigd met geweld. Er werd immers een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de aangever gericht, zijn armen en benen werden vastgebonden en er werd een zak over zijn hoofd getrokken. Hij is uren tegen zijn wil in de woning in Egmond aan Zee vastgehouden en werd daarna vervolgens onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn eigen auto naar Delft gereden. De personen waarmee de aangever in de woning en vervolgens in de auto was, droegen gezichtsbedekkende kleding.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van zowel diefstal met (bedreiging van) geweld als wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangever.

Medeplegen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.

Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het strafbare feit, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar mededader(s) gericht op de uitvoering van de ten laste gelegde feiten.

Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte aan de totstandkoming van de strafbare feiten een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De verdachte heeft zowel in de aanloop naar als op de dag van de uitvoering een cruciale en actieve rol vervuld. De verdachte maakte immers op instructie van [medeverdachte] meerdere afspraken met de aangever, gebruikte voor het maken van de afspraak op 11 november 2023 een door [medeverdachte] speciaal daarvoor aangeschafte telefoon, heeft de aangever bij de woning in Egmond aan Zee ontmoet en hem uitgenodigd de woning in te gaan. Zonder de handelingen van de verdachte was het slachtoffer niet in de woning beland waar hij met geweld van zijn eigendommen is beroofd en tegen zijn wil in is vastgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van de verdachte aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan ook van zodanig gewicht dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zowel het onder 1 tenlastegelegde als het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

zij in de periode van 11 november 2023 tot en met 12 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door- met die [benadeelde] af te spreken in de woning aan de [adres 2] en- vervolgens die [benadeelde] te duwen en een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde] te richten en- de armen en benen van die [benadeelde] aan elkaar vast te binden en een zak over zijn hoofd te trekken en- meerdere malen een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op het hoofd van die [benadeelde] te richten en- die [benadeelde] onder dwang in zijn eigen auto te plaatsen en te vervoeren en- die [benadeelde] te dwingen uit de auto te stappen.

Feit 2

zij op 11 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) tezamen en in vereniging met anderen, een horloge (van het merk Salvatora Ferragamo) en 2 telefoons (van het merk Apple) en een geldbedrag (circa € 500 euro), die aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [benadeelde] te duwen en een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde] te richten.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Feit 2:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht en heeft verzocht om de verdachte daarom te ontslaan van alle rechtsvervolging. Volgens de raadsman wilde de verdachte zich kort vóór de diefstal en de wederrechtelijke vrijheidsberoving terugtrekken, maar werd zij zowel in persoon als via chatberichten door [medeverdachte] onder druk gezet om door te gaan. In de tapgesprekken, opgenomen ná de ten laste gelegde gedragingen, wordt de dreigende houding van [medeverdachte] jegens de verdachte bevestigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de chatberichten tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geen blijk geven van een voor psychische overmacht vereiste van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon en hoefde te bieden.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht zeer hoge eisen worden gesteld. Het kan slechts slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het moet daarbij gaan om een zodanige druk die op de verdachte is uitgeoefend, dat haar wilsvrijheid is aangetast en onder die omstandigheden niet van haar kon worden gevergd dat zij daar weerstand aan kon bieden.

De verdachte heeft verklaard dat zij zich wilde terugtrekken maar dat [medeverdachte] haar toen onder meer in chatberichten onder druk heeft gezet en haar heeft bedreigd. Deze bedreiging hield in dat hij heeft gezegd dat hij alles van haar wist en dat zij een boete zou moeten betalen van € 30.000, als zij zich zou terugtrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door en namens de verdachte aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk geworden. De rechtbank kan nergens uit afleiden dat [medeverdachte] daadwerkelijk druk op de verdachte heeft uitgeoefend of haar heeft bedreigd. Dit volgt niet uit chatberichten in het dossier, ook niet uit het chatgesprek van 30 oktober 2023 waar de verdediging naar heeft verwezen. [medeverdachte] vertelt in dat gesprek wat terugtrekken voor hem zal betekenen, maar daarin valt niet zonder meer een bedreiging naar of druk op de verdachte af te leiden. Ook uit tapgesprekken die zijn opgenomen na 11 november 2023 blijkt niet dat er door [medeverdachte] dreigende bewoordingen in de richting van de verdachte zijn geuit.

Nu uit het dossier niet is gebleken van een zodanige druk die op de verdachte werd uitgeoefend, waaraan zij bovendien geen weerstand kon of behoefte te bieden, wordt het beroep op psychische overmacht verworpen.

Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de ondergeschikte rol van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden. Zo is de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis, meer dan twee jaar geleden, niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen en heeft zij haar leven op de rit. Als de verdachte terug naar de gevangenis moet, zal zij alles wat zij heeft opgebouwd weer verliezen. De raadsman heeft daarom verzocht de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die zij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman heeft gewezen op de mogelijkheid van een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een werkstraf of een geldboete.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De verdachte heeft in aanloop naar deze feiten een cruciale rol gehad. Zij heeft via Facebook en telefonisch contact met het slachtoffer gezocht en zich tegenover hem voorgedaan als iemand die gebruik wilde maken van een door het slachtoffer aangeboden evenementenzaal voor een bruiloft. In werkelijkheid had zij niet de intentie om een zaal te huren maar was dit contact erop gericht het slachtoffer naar een bepaalde locatie te lokken. Vervolgens heeft zij het slachtoffer naar een door de medeverdachte geboekte Airbnb woning in Egmond aan Zee gelokt. Toen het slachtoffer bij de woning in Egmond aan Zee aankwam, ontmoette hij daar de verdachte en is hij de woning binnen gegaan waarbij hij is geduwd. Eenmaal binnen moest het slachtoffer onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de grond liggen en werden telefoons, een horloge en een geldbedrag van hem afgenomen. De benen en de armen van het slachtoffer werden vastgebonden en er werd een zak over het hoofd van het slachtoffer getrokken. Nadat het slachtoffer uren in de woning in Egmond aan Zee werd vastgehouden, is hij onder bedreiging van geweld en met een zak over zijn hoofd in zijn eigen auto naar Delft vervoerd. Daar moest het slachtoffer uitstappen en naar een flatgebouw lopen. Het slachtoffer heeft weten te ontsnappen en heeft om hulp gevraagd aan voorbijgangers, die vervolgens de politie hebben ingeschakeld.

De rechtbank stelt voorop dat sprake is geweest van een ernstig en voor het slachtoffer zeer beangstigende gebeurtenis. Uit de namens het slachtoffer ter terechtzitting naar voren gebrachte slachtofferverklaring blijkt dat de gebeurtenissen een grote impact op hem hebben gehad. Hij leeft nog altijd in angst.

Dat de verdachte niet zelf aanwezig is geweest bij de daadwerkelijke vrijheidsberoving en de diefstal met (bedreiging van) geweld doet aan de ernst van haar handelen niet af. Haar aandeel was van wezenlijk belang. Door het vertrouwen van het slachtoffer te winnen, en vervolgens een afspraak tot stand te brengen en het slachtoffer uit te nodigen de woning binnen te gaan waar hij door een of meer medeverdachte(n) is overmeesterd, vervulde zij een cruciale rol in de totstandkoming van de beroving en gijzeling.

De rechtbank rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat zij het vertrouwen van het slachtoffer heeft misbruikt en hem doelbewust in een situatie heeft gebracht waarin hij volledig werd overgeleverd aan de medeverdachten. Het gaat om strafbare feiten die niet alleen een ernstige inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht en de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook op zijn gevoel van persoonlijke veiligheid en vrijheid. De aard en duur van de vrijheidsberoving en de wijze waarop het slachtoffer naar een andere locatie is vervoerd, versterken de ernst van het geheel.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 3 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Dit weegt dus niet in haar nadeel mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 september 2026. Uit dit advies volgt dat de verdachte haar leven redelijk goed op orde lijkt te hebben. Zij woont bij haar ouders, volgt een opleiding en heeft een stabiele relatie. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat. In het lopende schorsingstoezicht houdt de verdachte zich aan voorwaarden en afspraken, waarbij door de reclassering een persoonlijke groei is waargenomen. Uit het rapport volgt dat er bij de verdachte sprake is van een gegroeid zelfinzicht, waardoor reclasseringstoezicht op bijzondere voorwaarden niet langer geïndiceerd is.

De op te leggen straf

Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en de oriëntatiepunten van de rechtspraak (LOVS-oriëntatiepunten), die voor een woningoverval met relatief licht geweld of bedreiging als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie jaar noemen. In deze zaak is weliswaar geen sprake geweest van een overval in de eigen woning van het slachtoffer, maar van een overval in een woning waar het slachtoffer naartoe is gelokt.

De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat de strafbare feiten in vereniging met anderen zijn gepleegd.

Verder houdt de rechtbank rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat zij zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geruime tijd aan voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank komt daarom tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank houdt tot slot rekening met de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 21 maart 2024, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld en zij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld. Nu de rechtbank op 29 september 2026 uitspraak doet en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om deze overschrijding te compenseren in de straftoemeting. De rechtbank zal als gevolg hiervan een lagere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest, passend. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk tien maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft mr. R.H. Bouwman een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.025.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële (€ 1.000.000,00) en immateriële schade (€ 25.000,00) die hij als gevolg van de laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit (toekomstige) schade in verband met de gedwongen verkoop van het eigen bedrijf van de benadeelde partij en de daardoor gederfde inkomsten voor de komende twintig jaren. De gestelde immateriële schade bestaat uit psychisch letsel.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost onvoldoende onderbouwd is waardoor de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient volgens de officier van justitie volledig worden toegewezen. De toegewezen schadevergoeding moet hoofdelijk worden opgelegd en worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de gestelde materiële en immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd en de benadeelde partij ten aanzien van beide schadeposten niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Door de raadsman van de verdachte is de materiële schade gemotiveerd betwist. In het licht van deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. Namens de benadeelde partij is onvoldoende gesteld waaruit de (toekomstige) schade bestaat als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt.

Namens de benadeelde partij wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd wegens psychische schade, onder meer omdat hij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten nog dagelijks in angst leeft. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

De aard en de ernst van de beroving en urenlange gijzeling brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat deze zonder nadere onderbouwing kunnen worden verondersteld.

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd voor bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (categorie 19.1), categorie ‘meest ernstig’, nu de benadeelde partij naar een woning is gelokt, daar door meerdere personen uren is vastgehouden, hij is vastgebonden, zijn hoofd is bedekt en hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is bedreigd en jegens hem geweld is gebruikt. In de Rotterdamse schaal wordt bij deze categorie een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00 genoemd.

De rechtbank acht het, alles afwegend, billijk om een vergoeding toe te kennen van € 7.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de stafbare feiten zijn gepleegd, te weten 11 november 2023. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding deels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2023 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Hoofdelijk aansprakelijk

Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover één van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 282 en 312 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 7.000, - (zevenduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade en voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat indien voor zover reeds het bedrag van € 7.000,00 door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.M. Nieuwenhuijs, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. S. Mac Donald, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.N. de Bruijn,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2026

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.M. Nieuwenhuijs
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. S. Mac Donald

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand