ECLI:NL:RBNHO:2026:13194

ECLI:NL:RBNHO:2026:13194

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/304738-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en diefstal met geweld gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte heeft een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek voorarrest. Vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/304738-23 (P)

Uitspraakdatum: 29 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.R. Koenders en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2023 tot en met 12 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) en/of in Delft, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- met die [benadeelde 1] af te spreken in de woning aan de [adres 2] en/of

- ( vervolgens) die [benadeelde 1] op de grond te duwen en/of een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde 1] te richten en/of

- de armen en benen van die [benadeelde 1] aan elkaar vast te binden en/of een zak over zijn hoofd te trekken en/of

- meerdere malen een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [benadeelde 1] te richten en/of

- die [benadeelde 1] (onder dwang) in zijn eigen auto te plaatsen en/of deze te vervoeren en/of

- die [benadeelde 1] (na enige tijd) te dwingen uit de auto te stappen.

Feit 2

hij op of omstreeks 11 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge (van het merk Salvatora Ferragamo) en/of 2, althans een of meerdere telefoons (van het merk Apple) en/of een geldbedrag (circa € 500 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 1] op de grond te duwen en/of een machinegeweer, althans een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde 1] te richten.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten niet als medepleger kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsvrouw zich daarnaast op het standpunt dat de verdachte geen opzet op de diefstal met geweld heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging feiten 1 en 2

Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

In aanloop naar de ten laste gelegde gedragingen heeft de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) een plan bedacht om [benadeelde 1] (hierna: de aangever) naar een locatie te lokken. Op die locatie zou de aangever door een voor de rechtbank onbekend gebleven persoon, door de verdachte ‘X’ genoemd, geconfronteerd worden met vermeende oplichtingspraktijken. De aangever heeft een partycentrum in Beverwijk waar zalen kunnen worden gehuurd. De verdachte heeft de naam van de aangever aan [medeverdachte] gegeven en zij heeft via Facebook contact met de aangever gezocht. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij interesse had in de huur van een zaal voor een bruiloft, wat in werkelijkheid niet zo was. [medeverdachte] heeft met de aangever een afspraak gemaakt om op 28 oktober 2023 een rondleiding te krijgen in het partycentrum in Beverwijk. Op 28 oktober 2023 is de verdachte samen met [medeverdachte] naar het partycentrum van de aangever in Beverwijk gereden. Gedurende de rondleiding heeft de verdachte in zijn auto op [medeverdachte] gewacht. Het doel van deze afspraak was dat [medeverdachte] het vertrouwen van de aangever zou winnen, en dat zij zijn telefoonnummer zou krijgen. De verdachte heeft hierna een telefoon aangeschaft en deze aan [medeverdachte] gegeven, zodat zij met deze telefoon verdere afspraken met de aangever kon maken. [medeverdachte] hield de verdachte op de hoogte van haar berichtenwisseling met de aangever door screenshots van de tussen haar en de aangever gevoerde chatberichten naar de verdachte door te sturen. Hierbij gaf de verdachte ook door aan [medeverdachte] wat zij naar de aangever moest sturen. [medeverdachte] heeft een vervolgafspraak met de aangever gemaakt om op 11 november 2023 een contract te ondertekenen voor de huur van een zaal voor de zogenaamde bruiloft. Deze afspraak moest plaatsvinden in een door de verdachte geboekte Airbnb woning in Egmond aan Zee. De verdachte heeft ‘(mister) X’, of iemand die met ‘mister X’ in contact stond, op de hoogte gebracht van de afspraak met de aangever en de locatie. Op 11 november 2023 heeft de verdachte [medeverdachte] in België opgehaald en is hij samen met haar naar de Airbnb woning in Egmond aan Zee gereden. Voordat de aangever bij die woning arriveerde is de verdachte een aantal uren samen met [medeverdachte] in die woning geweest. De verdachte was er voorafgaand aan de komst van de aangever van op de hoogte dat er iemand naar de woning zou komen. Omstreeks 18:00 uur kwam er inderdaad een persoon met gezichtsbedekking aan de deur, waarna de verdachte of [medeverdachte] de deur voor deze persoon heeft geopend. Daarna heeft de verdachte de woning verlaten. Hij heeft in zijn auto op [medeverdachte] gewacht. [medeverdachte] heeft de aangever voor de woning ontmoet. De aangever, die vóór [medeverdachte] liep en de woning in wilde gaan, kreeg vervolgens een duw. [medeverdachte] is toen terug naar de auto van de verdachte gelopen. De verdachte is vervolgens samen met [medeverdachte] naar België gereden, om haar daar thuis af te zetten. Daarna is de verdachte terug naar zijn woning in Nederland gereden. In de woning in Egmond aan Zee is de aangever onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp beroofd van zijn bezittingen en is hij uren, met vastgebonden armen en benen, in de woning vastgehouden. Na een aantal uren in die woning te zijn vastgehouden is de aangever onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn eigen auto gezet en meegenomen naar Delft. Eenmaal in Delft moest de aangever uitstappen en naar een flatgebouw lopen. Daar is het hem gelukt om te ontsnappen en aan voorbijgangers hulp te vragen. De verdachte is in de nacht door een voor hem onbekend persoon gebeld, met het verzoek of hij naar Delft kon rijden om hem op te halen. De verdachte is naar Delft gereden, waar er vervolgens drie personen in zijn auto stapten, die hij niet veel later weer elders heeft afgezet.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld

Op grond van de verklaringen van de aangever stelt de rechtbank vast dat de personen die het geld, de telefoons en het horloge van de aangever hebben afgenomen, geweld hebben gebruikt en ook hebben gedreigd met geweld. Er werd immers een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de aangever gericht, zijn armen en benen werden vastgebonden en er werd een zak over zijn hoofd getrokken. Hij is uren tegen zijn wil in de woning in Egmond aan Zee vastgehouden en werd daarna vervolgens onder dreiging van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn eigen auto naar Delft gereden. De personen waarmee de aangever in de woning en vervolgens in de auto was, droegen gezichtsbedekkende kleding.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van zowel diefstal met (bedreiging van) geweld als wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangever.

Verklaring medeverdachte [medeverdachte]

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte in de periode tussen 28 oktober 2023 en 11 november 2023 tegen haar heeft gezegd dat de verdachte een deal met zijn neef had en dat een groep personen de aangever wilden gijzelen ‘om geld uit hem te trekken’.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [medeverdachte] een onbetrouwbare getuige is waardoor er aan haar verklaring dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de ten laste gelegde feiten, geen bewijswaarde kan worden toegekend. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat, anders dan [medeverdachte] heeft verklaard, uit het dossier niet volgt dat de verdachte [medeverdachte] onder druk heeft gezet aan het plan mee werken, maar dat uit het dossier juist volgt dat [medeverdachte] en de verdachte langere tijd ná de ten laste gelegde feiten nog liefdevol met elkaar om zijn gegaan. Ook zou uit het dossier juist blijken dat [medeverdachte] zich tegenover vriendinnen denigrerend over de verdachte uitlaat. Voorts blijkt volgens de raadsvrouw uit het dossier dat de verklaring van [medeverdachte] dat zij maar tien minuten in de woning in Egmond aan Zee is geweest niet klopt. Gelet op deze onjuistheden in de verklaring van [medeverdachte], kan geen bewijswaarde worden toegekend aan haar verklaring dat de verdachte wetenschap van de diefstal met geweld en de vrijheidsberoving heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de verklaring van [medeverdachte] op bepaalde onderdelen – zoals de duur van haar verblijf in de woning in Egmond aan Zee – niet juist is gebleken, dit niet zonder meer meebrengt dat haar verklaring in zijn geheel als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven. Haar verklaring vindt immers op meerdere punten steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. Haar verklaring is ook in sterke mate belastend voor haarzelf. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] daarom wel betrouwbaar en zal die verklaring gebruiken voor het bewijs.

Opzet ten aanzien van feit 2; diefstal met (bedreiging van) geweld

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de diefstal met geweld.

De rechtbank is van oordeel dat bij de verdachte wel sprake was van opzet op de diefstal. Zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte] dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat een groep van elf personen de aangever wilden gijzelen om ‘geld uit hem te trekken’. De feitelijke gedragingen van de verdachte wijzen er ook op dat de verdachte wist dat de aangever zou worden bestolen. Zo heeft de verdachte veel moeite gedaan om de aangever onder valse voorwendselen naar de woning in Egmond aan Zee te lokken. Ook heeft hij geprobeerd zelf zo veel mogelijk buiten beeld te blijven, bijvoorbeeld door [medeverdachte] contact te laten leggen en onderhouden met de aangever en de Airbnb woning te huren met gebruikmaking van de bankrekening van zijn zus.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het gebruik van geweld. Dit blijkt allereerst uit diezelfde verklaring van [medeverdachte] waarin de verdachte spreekt over een grote groep personen die de aangever wilde gijzelen. Het volgt ook uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting dat hij dacht dat er tijdens de confrontatie met de aangever mogelijk een klap zou vallen. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich er terdege van bewust was dat de confrontatie met de aangever er niet lichtzinnig aan toe zou gaan. Het risico dat geweld zou worden gebruikt heeft de verdachte bewust aanvaard. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op het geweld. Het verweer dat geen sprake is van opzet wordt verworpen.

Medeplegen

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.

Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het strafbare feit, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) gericht op de uitvoering van de ten laste gelegde feiten.

Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte in aanloop naar, tijdens en na de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de diefstal met (bedreiging van) geweld een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De verdachte heeft immers samen met [medeverdachte] een plan bedacht om de aangever naar een locatie te lokken en hij heeft [medeverdachte] contact laten opnemen met de aangever. De verdachte heeft [medeverdachte] instructies gegeven ten aanzien van het contact tussen haar en de aangever. Daarnaast heeft de verdachte een telefoon gekocht zodat [medeverdachte] met de aangever contact kon onderhouden en heeft hij [medeverdachte] zowel naar de afspraak in Beverwijk als naar Egmond aan Zee gebracht om de aangever te ontmoeten. Ook heeft de verdachte de woning in Egmond aan Zee gehuurd en betaald. De verdachte heeft voorts in ieder geval één andere voor de rechtbank onbekend gebleven medeverdachte op de hoogte gebracht van de afspraak met de aangever in Egmond aan Zee. De verdachte was kort voordat de aangever arriveerde in de woning in Egmond aan Zee en zag dat een persoon met gezichtsbedekking naar binnen ging. De verdachte heeft de woning toen verlaten. Nadat de aangever in de woning is beroofd van zijn vrijheid en spullen en hij vervolgens in zijn eigen auto naar Delft is vervoerd, heeft de verdachte drie onbekend gebleven medeverdachten opgehaald en hen vervolgens op verschillende locaties afgezet.

Met bovenstaande gedragingen heeft de verdachte niet slechts een ondersteunende rol vervuld, maar een wezenlijke bijdrage geleverd aan het gezamenlijk uitgevoerde plan. Dat de verdachte niet in de woning in Egmond aan Zee of in de auto van de aangever aanwezig was ten tijde van de feitelijke uitvoering van de feiten, staat aan medeplegen niet in de weg.

Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van de verdachte aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde van zodanig gewicht dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zowel het onder 1 tenlastegelegde als het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij in de periode van 11 november 2023 tot en met 12 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door- met die [benadeelde 1] af te spreken in de woning aan de [adres 2] en- vervolgens die [benadeelde 1] te duwen en een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde 1] te richten en- de armen en benen van die [benadeelde 1] aan elkaar vast te binden en een zak over zijn hoofd te trekken en- meerdere malen een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op het hoofd van die [benadeelde 1] te richten en- die [benadeelde 1] onder dwang in zijn eigen auto te plaatsen en te vervoeren en- die [benadeelde 1] te dwingen uit de auto te stappen.

Feit 2

hij op 11 november 2023 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH) tezamen en in vereniging met anderen, een horloge (van het merk Salvatora Ferragamo) en 2 telefoons (van het merk Apple) en een geldbedrag (circa € 500 euro), die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [benadeelde 1] te duwen en een op een machinegeweer gelijkend voorwerp op die [benadeelde 1] te richten.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Feit 2:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad van de verdachte, de ondergeschikte rol van de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo is de verdachte met een progressieve vorm van Multiple sclerose (MS) gediagnosticeerd. De raadsvrouw heeft daarom, met verwijzing naar het over de verdachte opgestelde reclasseringsrapport van 24 augustus 2026, verzocht de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De verdachte heeft in aanloop naar deze feiten een cruciale rol gehad. Hij heeft medeverdachte [medeverdachte] gevraagd om contact met het slachtoffer op te nemen, zogenaamd om een evenementenzaal voor een bruiloft te boeken. De bedoeling hiervan was dat het slachtoffer naar een locatie zou worden gelokt. De verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] naar een door hem geboekte Airbnb woning in Egmond aan Zee gebracht, waar [medeverdachte] het slachtoffer zou ontmoeten. Eenmaal in de woning in Egmond aan Zee hebben de verdachte en [medeverdachte] een persoon met gezichtsbedekking binnengelaten, waarna de verdachte in de auto heeft gewacht op [medeverdachte]. Toen het slachtoffer bij de woning in Egmond aan Zee aankwam, ontmoette hij [medeverdachte] voor de woning. Op het moment dat het slachtoffer de woning instapte, kreeg hij een duw. Eenmaal binnen moest het slachtoffer onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de grond liggen en werden telefoons, een horloge en een geldbedrag van hem afgenomen. De benen en de armen van het slachtoffer werden vervolgens vastgebonden en er werd een zak over het hoofd van het slachtoffer getrokken. Het slachtoffer is ook op zijn hoofd geslagen. Nadat het slachtoffer uren in de woning in Egmond aan Zee werd vastgehouden, is hij onder bedreiging van geweld en met een zak over zijn hoofd in zijn eigen auto naar Delft vervoerd. Daar moest het slachtoffer uitstappen en naar een flatgebouw lopen. Het slachtoffer heeft weten te ontsnappen en heeft om hulp gevraagd aan voorbijgangers, die vervolgens de politie hebben ingeschakeld. De verdachte heeft die nacht eerst [medeverdachte] naar België gebracht en vervolgens is hij naar Delft gereden en heeft de drie vermoedelijke daders die in de auto van het slachtoffer met het slachtoffer naar Delft zijn gereden, opgehaald en elders weer afgezet.

De rechtbank stelt voorop dat sprake is geweest van een ernstig en voor het slachtoffer zeer beangstigende gebeurtenis. Uit de namens het slachtoffer ter terechtzitting naar voren gebrachte slachtofferverklaring blijkt dat de gebeurtenissen een grote impact op hem hebben gehad. Hij leeft nog altijd in angst.

Dat de verdachte niet zelf aanwezig is geweest bij de daadwerkelijke vrijheidsberoving en de diefstal met (bedreiging van) geweld doet aan de ernst van zijn handelen niet af. Zijn aandeel was van wezenlijk belang. Door op zijn initiatief samen met medeverdachte [medeverdachte] het vertrouwen van het slachtoffer te winnen en vervolgens een afspraak tot stand te brengen zodat het slachtoffer naar de woning is gelokt (waar het slachtoffer vervolgens door de medeverdachten is overmeesterd en van zijn vrijheid en eigendommen is beroofd), vervulde hij een cruciale rol in de totstandkoming van de beroving en gijzeling.

Het gaat om strafbare feiten die niet alleen een ernstige inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht en de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook op zijn gevoel van persoonlijke veiligheid en vrijheid. De aard en duur van de vrijheidsberoving en de wijze waarop het slachtoffer naar een andere locatie is vervoerd, versterken de ernst van het geheel.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 3 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een vermogens- en geweldsdelict is veroordeeld. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 augustus 2026. Uit dit advies volgt dat de verdachte in zeer beperkte mate belastbaar is en zijn leven in het teken staat van het (leren) omgaan met zijn ziekte MS. Omdat zowel lichamelijke als cognitieve inspanningen veel van de verdachte vergen en nieuwe MS-aanvallen uitlokken, acht de reclassering uitvoering van bijzondere voorwaarden moeilijk. Uit het advies blijkt voorts dat als beschermende factor wordt gezien dat de verdachte afstand heeft genomen van zijn eerdere sociale netwerk en sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Nu de verdachte vanwege MS op nagenoeg ieder leefgebied is ingebed in de hulpverlening en wordt ondersteund bij de hulpvragen die hij heeft bij het weer opbouwen van zijn leven na zijn ziektediagnose, ziet de reclassering geen noodzaak dan wel mogelijkheden om bijzondere voorwaarden te adviseren.

De op te leggen straf

Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en de oriëntatiepunten van de rechtspraak (LOVS-oriëntatiepunten), die voor een woningoverval met relatief licht geweld of bedreiging als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie jaar noemen. In deze zaak is weliswaar geen sprake geweest van een overval in de eigen woning van het slachtoffer, maar van een overval in een woning waar het slachtoffer naartoe is gelokt.

De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat de strafbare feiten in vereniging met anderen zijn gepleegd.

Verder houdt de rechtbank rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat hij zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geruime tijd aan voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank komt daarom tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank houdt tot slot rekening met de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 5 maart 2024, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Nu de rechtbank op 29 september 2026 uitspraak doet en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna zeven maanden. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om deze overschrijding te compenseren in de straftoemeting. De rechtbank zal als gevolg hiervan een lagere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest, passend.

De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk tien maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. R.H. Bouwman een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.025.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële (€ 1.000.000,00) en immateriële schade (€ 25.000,00) die hij als gevolg van de laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit (toekomstige)schade in verband met de gedwongen verkoop van het eigen bedrijf van de benadeelde partij en de daardoor gederfde inkomsten voor de komende twintig jaren. De gestelde immateriële schade bestaat uit psychisch letsel.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost onvoldoende onderbouwd is waardoor de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient volgens de officier van justitie volledig worden toegewezen. De toegewezen schadevergoeding moet hoofdelijk worden opgelegd en worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de gestelde materiële en immateriële schade onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij daarom ten aanzien van beide schadeposten niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Door de raadsvrouw van de verdachte is de materiële schade gemotiveerd betwist. In het licht van deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. Namens de benadeelde partij is onvoldoende gesteld waaruit de (toekomstige) schade bestaat als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt.

Namens de benadeelde partij wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd wegens psychische schade, onder meer omdat hij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten nog dagelijks in angst leeft. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

De aard en de ernst van de beroving en urenlange gijzeling brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat deze zonder nadere onderbouwing kunnen worden verondersteld.

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd voor bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (categorie 19.1), categorie ‘meest ernstig’, nu de benadeelde partij naar een woning is gelokt, daar door meerdere personen uren is vastgehouden, hij is vastgebonden, zijn hoofd is bedekt, hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is bedreigd en jegens hem geweld is gebruikt. In de Rotterdamse schaal wordt bij deze categorie een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00 genoemd.

De rechtbank acht het, alles afwegend, billijk om een vergoeding toe te kennen van € 7.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de stafbare feiten zijn gepleegd, te weten 11 november 2023. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding deels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2023 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Hoofdelijk aansprakelijk

Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover één van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 282 en 312 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 7.000, - (zevenduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade en voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat indien voor zover reeds het bedrag van € 7.000,00 door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.M. Nieuwenhuijs, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. S. Mac Donald, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.N. de Bruijn,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.M. Nieuwenhuijs
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. S. Mac Donald

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand