RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/166443-18 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 24 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering), in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
[adres 1] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1. Het verloop van de procedure
De vordering dateert van 3 november 2025 en houdt in dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op € 304.911,07 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het openbaar ministerie heeft de vordering aangebracht op de zitting van 12 februari 2026. De rechtbank heeft op die zitting het aanhoudingsverzoek van de veroordeelde toegewezen en het onderzoek op de zitting voor onbepaalde tijd aangehouden. Daarbij heeft de rechtbank termijnen bepaald in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak. De officier van justitie heeft vervolgens een schriftelijk standpunt ingediend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het met de vordering samenhangende strafdossier en de inhoud van het schriftelijk standpunt van de officier van justitie.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. T. Nieuwburg (advocaat te Amsterdam) en de officier van justitie gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 24 september 2026.
2. De onderliggende veroordeling
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 24 september 2026 is de veroordeelde veroordeeld voor:
1) witwassen, op 22 augustus 2018;
2) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift (als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr), als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, in de periode van 29 juni 2017 tot en met 21 januari 2018.
3. De vordering van het openbaar ministerie
Op de zitting van 10 september 2026 heeft de officier van justitie geëist het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 312.120,00 en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit de toelichting op de zitting blijkt dat de vordering is gebaseerd op het ontnemingsrapport van 12 maart 2020 (hierna: het rapport). Daaruit blijkt volgens de officier van justitie dat de veroordeelde contante uitgaven heeft gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. In aanvulling op de berekening in het rapport is de officier van justitie uitgegaan van een beginsaldo van € 15.134,-, het saldo op de bankrekening van de veroordeelde in 2014 (het begin van de onderzoeksperiode). Dit bedrag is uiteindelijk afgetrokken van het totaal te ontnemen bedrag, omdat de herkomst daarvan onbekend is. Anders dan in het rapport heeft de officier van justitie ook rekening gehouden met de waardevermeerdering van de woning aan [adres 2] . Dit vervolgprofijt is berekend door de WOZ-waarde van de woning op de peildatum 1 januari 2025 (€ 608.000) te verminderen met de koopsom (€ 340.000) en dat bedrag vervolgens te halveren, omdat de veroordeelde voor 50% eigenaar is van de woning (totaal vervolgprofijt: € 134.000,-).
Tot slot heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn reeds voldoende is gecompenseerd in de strafeis en matiging van de betalingsverplichting daarom niet op zijn plaats is. Subsidiair is aangevoerd dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een vermindering van de betalingsverplichting wegens de overschrijding van de redelijke termijn niet meer dan € 5.000,- zal bedragen.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite integrale vrijspraak in de onderliggende strafzaak.
Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de posten uit zaakdossiers 1 en 2 en het Hublot horloge uit zaakdossier 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de posten contante stortingen, contant geld in de woning, aankopen designer merkartikelen, sieraden en overige contante aankopen is aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Deze aankopen zijn gedaan met geld uit pokerwinsten. Hoogstens kan de veroordeelde voor de helft van de bedragen worden aangeslagen (pondspondsgewijze verdeling).Ten aanzien van de Volkswagen Polo is aangevoerd dat door het openbaar ministerie niet aannemelijk is gemaakt dat deze auto voor (minimaal) € 10.000,- contant is aangekocht.
Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting wegens de overschrijding van de redelijke termijn moet worden gematigd met 20%.
5. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De ontnemingsrapportage
Op 12 maart 2020 is door de Belastingdienst/FIOD een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde als volgt berekend.
Zaakdossier 1: “Aangetroffen geld Schiphol” € 78.208,61
Zaakdossier 2: “ [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ” € 17.600,00
Zaakdossier 3: “Onverklaarbaar vermogen [veroordeelde] en [naam] ” € 97.444,96 +
€ 193.253,57
De post zaakdossier 3 is als volgt berekend:
Hublot horloge € 7.000,00
Contante stortingen € 35.670,76
Contant geld aangetroffen in de woning € 2.575,78
Contante aankopen designer merkartikelen € 13.169,50
Inbeslaggenomen sieraden € 4.967,36
Overige contante aankopen € 3.979,06
Inbeslaggenomen Volkswagen Polo € 10.000,00
Huur van woning [adres 3] € 12.962,50
Uitgaven dagelijks levensonderhoud (voeding) € 7.120,00
€ 97.444,96.
De beoordeling van de rechtbank
De rechtbank stelt bij beoordeling van de vordering het volgende voorop.
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Dat voordeel kan bestaan uit voordeel dat door middel van – en dus rechtstreeks uit – het strafbare feit of de strafbare feiten is verkregen (het zogenoemde primaire voordeel), alsook uit vervolgprofijt, dat wil zeggen voordeel dat uit de baten van het strafbare feit of de strafbare feiten is verkregen.
In ontnemingszaken rust op het openbaar ministerie de plicht om aan de hand van voldoende aanwijzingen aannemelijk te maken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het is dan vervolgens aan de veroordeelde om gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk te maken dat de berekening van het openbaar ministerie niet juist is.
De grondslag van de vordering
De rechtbank overweegt dat de berekening in het rapport kennelijk is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Dit blijkt zowel uit de titel van het rapport als de gebruikte berekeningsmethode. In de berekening wordt namelijk telkens een relatie gelegd tussen het geschatte voordeel en de onderliggende zaakdossiers waarin de verdenking van concrete strafbare feiten is beschreven, te weten (gewoonte)witwassen en het gebruik maken van valse geschriften. Ook de in het rapport gehanteerde onderzoeksperiode sluit aan bij de pleegperiode voortkomend uit de zaakdossiers, te weten 1 januari 2014 tot en met 22 augustus 2018.
In het rapport is geen (eenvoudige) kasopstelling opgesteld, waarbij uit de vergelijking van de (contante) uitgaven met de legale (contante) ontvangsten wordt afgeleid tot welk bedrag de veroordeelde onverklaarde inkomsten heeft gekregen.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport onvoldoende gegevens bevat over de contante ontvangsten en uitgaven van de veroordeelde om voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te kunnen gaan van de door de officier van justitie ter zitting geconstrueerde kasopstelling. De rechtbank volgt de berekening van de officier van justitie daarom niet. Daarbij merkt de rechtbank op dat een banksaldo in beginsel geen plaats heeft in een overzicht van verder uitsluitend contante geldstromen en dat het dus niet zonder meer begrijpelijk is waarom de officier van justitie dit bedrag als beginsaldo heeft gebruikt.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan een ontnemingsmaatregel betrekking hebben op het voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld, of uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Deze ‘voldoende aanwijzingen’ mogen niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
De salarisbetalingen en de waardevermeerdering woning [adres 2] De veroordeelde is onder feit 2 veroordeeld voor het gebruik maken van valse geschriften bij het verkrijgen van een hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning aan de [adres 2] , kortgezegd: hypotheekfraude. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat dit strafbare feit ertoe heeft geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen en overweegt daartoe als volgt.
In de eerste plaats bestaat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de geldbedragen die op basis van de valse geschriften onder de noemer salaris op de bankrekening van de veroordeelde zijn overgemaakt. Het is algemeen bekend dat een hypotheekaanvrager bankafschriften moet overleggen om aan te tonen dat hij over (voldoende) inkomsten beschikt alvorens de hypotheekgever de geldlening zal verstrekken. Dat ook de veroordeelde dit heeft moeten doen, blijkt uit de bankafschriften in het hypotheekdossier van de bank. De valse salarisbetalingen waren dus een onmisbaar onderdeel van de hypotheekfraude en vormen daarom rechtstreeks wederrechtelijk voordeel uit het strafbare feit. In totaal heeft de veroordeelde € 17.600,- aan valse salarisbetalingen verkregen.
In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat de woning aan de [adres 2] middellijk mede afkomstig is uit de hypotheekfraude. De waardevermeerdering van die woning kan om die reden als vervolgprofijt bij de voordeelberekening worden betrokken. De rechtbank berekent het vervolgprofijt op gelijke wijze als de officier van justitie: de WOZ-waarde van de woning op de peildatum 1 januari 2025 (€ 608.000) wordt verminderd met de koopsom (€ 340.000) en dat bedrag wordt vervolgens gehalveerd, omdat de veroordeelde voor 50% eigenaar is van de woning. Dit resulteert in een bedrag van € 134.000,-.
De overige posten
De rechtbank is van oordeel dat het rapport en het onderliggende strafdossier onvoldoende handvatten biedt voor de conclusie dat de overige posten in de berekening zijn verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten, dan wel uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Met betrekking tot het geldbedrag ter waarde van € 78.208,61 en het Hublot horloge overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat een goed voorwerp is van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet ertoe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Gesteld noch gebleken is dat door het verrichten van de witwashandelingen door de veroordeelde een vermogensvermeerdering heeft opgetreden.
Conclusie
Concluderend berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde op € 151.600,-.
6. De verplichting tot betaling
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Die termijn is gestart op 20 december 2018, de datum waarop de positie van de veroordeelde in belangrijke mate werd beïnvloed door specifiek op voordeelsontneming gerichte beslagleggingen ex art. 94a van het Wetboek van Strafvordering. Tot aan dit vonnis is een periode van zeven jaar en negen maanden verstreken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de veroordeelde valt toe te rekenen. Wel is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat het onderzoek van de FIOD in de onderliggende strafzaak vrij omvangrijk was en daarin rechtshulpverzoeken zijn gedaan aan Albanië. Gelet op de tijd die daarmee gemoeid was, stelt de rechtbank de redelijke termijn in deze zaak vast op drie jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn in de ontnemingszaak met vier jaar en negen maanden is overschreden.
Bij de vaststelling van de betalingsverplichting zal de rechtbank rekening houden met deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat de veroordeelde niet zal worden verplicht de gehele waardevermeerdering van de woning te betalen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou in 2021 eindvonnis zijn gewezen en de waardevermeerdering zijn berekend aan de hand van de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2020. Die waarde was aanzienlijk lager dan in 2025. Nu het tijdsverloop niet aan de veroordeelde is te wijten en hij de woning tussentijds ook niet zomaar heeft kunnen verkopen wegens het conservatoir beslag dat daarop rust, acht de rechtbank het niet redelijk als de waardevermeerdering geheel voor zijn rekening komt. Gelet daarop zal de veroordeelde worden verplicht het vervolgprofijt te betalen tot het bedrag dat in 2021 zou zijn vastgesteld, te weten € 47.500. Dit leidt tot een matiging van de betalingsverplichting met € 86.500,-.
Conclusie
Concluderend stelt de rechtbank het door de veroordeelde te betalen bedrag vast op € 65.100,-.
7. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 151.600,- (zegge: honderdeenenvijftigduizend zeshonderd euro).
Legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 65.100,- (zegge: vijfenzestigduizend honderd euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 270 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Neervoort, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. J.T.P. Pot, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.