ECLI:NL:RBNHO:2026:13205

ECLI:NL:RBNHO:2026:13205

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/113343-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Procesafspraken. Veroordeling voor medeplegen van oplichting van (klanten van) een vliegtuigmaatschappij en voorhanden hebben van vuurwapen en munitie. Afdoening conform gemaakte procesafspraken. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen BP. Geen hoofdelijkheid, maar naar aandeel zoals afgesproken. Naar het oordeel van de RB doen de procesafspraken ten aanzien van de afspraken over de vordering van de vliegtuigmaatschappij recht aan deze zaak en worden de belangen van de benadeelde partij (net) voldoende geëerbiedigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/113343-23 (P)

Uitspraakdatum: 1 september 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis ex. artikel 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Sobering en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. de Haan, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij in de periode van 14 april 2023 tot en met 18 april 2023 samen met anderen [benadeelde 9] en klanten van [benadeelde 9] heeft opgelicht (feit 1) en op 25 juli 2023 een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (feiten 2 en 3). De volledige tekst van de tenlastelegging is vermeld in de bijlage bij dit vonnis.

2. Procesafspraken

Verloop van de zaak en inhoud van de procesafspraken

In deze zaak is op 9 januari 2026 een overeenkomst tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie gesloten betreffende procesafspraken (hierna: de overeenkomst). In deze overeenkomst staan de afspraken over het verloop en de afdoening van de strafzaak tegen de verdachte. Deze procesafspraken komen er op neer dat de verdediging geen onderzoekswensen zal indienen en geen bewijsverweren zal voeren en dat de partijen geen hoger beroep zullen instellen als de rechtbank tot een bewezenverklaring en straf- en maatregeloplegging conform de overeenkomst komt.

Overeengekomen is dat de officier van justitie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3 zoals vermeld in de overeenkomst. Ook zal de officier van justitie rekwireren tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar, en oplegging van een taakstraf van 180 uur. Daarnaast zijn er procesafspraken gemaakt over de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen. Blijkens de overeenkomst zijn de benadeelde partijen door de officier van justitie geïnformeerd over het voornemen om tot een afdoeningsvoorstel te komen met de verdachte en hebben deze partijen te kennen gegeven daarmee akkoord te gaan.

Op de zitting van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank de procesafspraken met het Openbaar Ministerie en de verdediging besproken. Op enkele punten, waaronder ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd en gekregen. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van de verdachte aan de orde gesteld. De verdachte heeft verklaard goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Ook heeft hij verklaard volledig achter die afspraken te staan, de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en heeft hij te kennen gegeven dat hij deze overeenkomst wil nakomen. De rechtbank heeft begrepen dat de verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om deze procesafspraken met het Openbaar Ministerie te maken. De verdachte heeft bij het hele proces om tot deze procesafspraken te komen rechtsbijstand van zijn raadsvrouw gehad.

Beoordeling van de procesafspraken

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

De rechtbank oordeelt dat de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte afspraken over de bewezenverklaring passen bij de verdenking van de verdachte. Ook is de voorgestelde strafeis voldoende in lijn met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank concludeert dan ook dat het afdoeningsvoorstel een toereikende basis biedt voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Hierbij is voor de rechtbank ook van belang dat de gemaakte procesafspraken zullen leiden tot een snellere afdoening (geen vertraging door onderzoekswensen, een kortere behandelduur op zitting en het afzien van hoger beroep) van de zaak, waarmee ook de belangen van de benadeelde partijen zijn gediend.

3. Beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze strafzaak voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), dat de rechtbank geen partij is bij de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet is gebonden. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling en de eisen van een eerlijk proces. Dat betekent ook dat de rechtbank in dit vonnis de vragen zoals beschreven in de artikelen 348 en 350 Sv zelfstandig zal beantwoorden.

4. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de gemaakte procesafspraken gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd en verzocht de zaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3 op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven. Deze bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet een aanvulling van dit verkort vonnis vereist. De bewijsmiddelen zullen dan in een bij dit vonnis te voegen aanvulling worden opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft begaan, in die zin dat:

feit 1

hij op meer tijdstippen in de periode van 14 april 2023 tot en met 18 april 2023, te Diemen en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 9] en verschillende klanten van [benadeelde 9], te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van (een) geldbedrag(en), door:- uit naam van [benadeelde 9] e-mails en betaalverzoeken en berichten te versturen aan voornoemde klanten waarin werd gevraagd geld over te maken voor een bij [benadeelde 9] geboekte reis op bankrekeningen die niet toebehoorden aan [benadeelde 9];

feit 2 hij op 25 juli 2023, te Diemen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: GLOCK, type: 17 Gen 5, kaliber: 9mm P.A. Knall) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op 25 juli 2023 te Diemen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 getransformeerde kogelpatronen van het kaliber 7,65 Br. voorhanden heeft gehad.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

7. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

8. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de gemaakte procesafspraken, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Om tot de procesafspraken te komen, heeft het Openbaar Ministerie de verdachte een matiging van de op te leggen taakstraf aangeboden. In plaats van een taakstraf van 240 uur die de officier van justitie zou vorderen als geen procesafspraken waren overeengekomen, heeft de officier van justitie nu gevorderd aan de verdachte een taakstraf op te leggen van 180 uur.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven de gemaakte procesafspraken te willen handhaven en heeft verzocht de zaak af te doen zoals in deze procesafspraken is overeengekomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten, waaronder het medeplegen van oplichting. De verdachte heeft samen met anderen via e-mail en Whatsapp klanten van vliegtuigmaatschappij [benadeelde 9] benaderd, die kort daarvoor een vlucht hadden geboekt en waarbij de betaling aan [benadeelde 9] nog niet was gelukt. De verdachte en zijn mededaders stuurden deze klanten vervolgens een nieuwe online betaallink. Omdat deze klanten in de veronderstelling waren dat zij contact hadden met een medewerker van [benadeelde 9] hebben diverse klanten ook via die betaallink bedragen overgemaakt. Deze bedragen werden via die link echter niet bijgeschreven op een bankrekening van [benadeelde 9], maar op bankrekeningen van derden. Door zijn handelen heeft de verdachte op gewiekste wijze het vertrouwen van klanten van [benadeelde 9] geschaad en financiële schade bij [benadeelde 9] veroorzaakt, nu de vliegtuigmaatschappij deze klanten schadeloos heeft gesteld. De verdachte heeft geen inzicht willen verschaffen in zijn motieven, maar kennelijk heeft hij zich slechts laten leiden door financieel gewin.

Daarnaast zijn in de slaapkamer van de verdachte een vuurwapen en munitie aangetroffen. Dergelijk ongecontroleerd wapenbezit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid met zich mee. Gelet op de gevaarzettende aspecten moet hiertegen streng worden opgetreden. De rechtbank rekent de gepleegde feiten de verdachte dan ook zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte gedateerd 6 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke delicten. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom niet in zijn nadeel laten meewegen.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte nog relatief jong is en inmiddels zijn leven op de rit lijkt te hebben. Hij heeft zijn opleiding tot sociaal werker bijna voltooid en loopt stage. Sinds zijn voorlopige hechtenis op 6 september 2023 is geschorst, heeft de verdachte onder toezicht van de reclassering gestaan.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft kennis genomen van het afdoeningsvoorstel zoals verwoord in de overeenkomst. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan bekeken in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraudezaken en vuurwapen- en munitiebezit betrokken. Hoewel uit de oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van een vuurwapen een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf volgt dan dat partijen zijn overeengekomen, ziet de rechtbank toch voldoende aanleiding om aansluiting te zoeken bij de procesafspraken. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat sprake is van feiten die ruim drie jaar geleden zijn gepleegd. Ten tweede geldt dat de verdachte sinds 6 september 2023 onder toezicht van de reclassering heeft gestaan en in die tijd geen bijzonderheden zijn voorgevallen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een strafoplegging zoals tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging is overeengekomen, passend.

De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarmee is de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis al heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 180 uur opleggen.

9. Vorderingen benadeelde partijen

De vordering van [benadeelde 9]

De benadeelde partij [benadeelde 9] (hierna: [benadeelde 9]) heeft ten aanzien van feit 1 een verzoek tot schadevergoeding ingediend van totaal € 8.407,00, bestaande uit materiële schade. Deze schade is opgebouwd uit acht verschillende posten, zijnde de verschillende bedragen die [benadeelde 9] als schadeloosstelling heeft betaald aan individuele slachtoffers van de oplichting.

Uit de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging blijkt dat het Openbaar Ministerie zich met betrekking tot deze vordering op het standpunt heeft gesteld dat één van de posten, ter hoogte van € 668,00, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit, omdat deze post ziet op schadeloosstelling van een slachtoffer dat geen aangifte heeft gedaan en wiens naam ook niet in de tenlastelegging is genoemd. De vordering wordt door het Openbaar Ministerie in beginsel toewijsbaar geacht tot een bedrag van € 7.739,00.

Volgens het Openbaar Ministerie dient dit schadebedrag door de drie verdachten die bij de oplichting betrokken zijn geweest te worden vergoed, waarbij zij het redelijk acht om aan alle verdachten een betalingsverplichting van een derde op te leggen. Dit is het Openbaar Ministerie ook zo overeengekomen met de verdachte. Het voorgaande betekent blijkens de overeenkomst dat de verdediging zich niet zal verzetten tegen toewijzing van de vordering van [benadeelde 9] tot een bedrag van € 2.579,67, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 9] rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde oplichting door de verdachte. Net als het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een gedeelte van de vordering, ter hoogte van € 668,00, niet toewijsbaar is. Daarbij is van belang dat de rechtbank dit bedrag onvoldoende kan koppelen aan een van de aangiftes van de klanten van [benadeelde 9]. Ook de aangifte van [benadeelde 9] zelf biedt onvoldoende informatie om dit deel van de vordering toe te wijzen, nu het aantal klanten dat volgens de aangifte betalingen aan derden heeft gedaan niet correspondeert met het aantal dat genoemd wordt in de bijlage bij de aangifte.

Voor het overige deel van de vordering (ad € 7.739,00) staat de schade in voldoende rechtstreeks verband met de oplichting. De rechtbank heeft de officier van justitie en de verdediging op de zitting bevraagd waarom zij, in het belang van [benadeelde 9], geen hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag zijn overeenkomen. Hieruit volgde dat het beperken van de vordering tot een derde deel voor de verdachte een belangrijke reden is geweest om in te stemmen met de procesafspraken. Voorts heeft de officier van justitie op vragen van de rechtbank medegedeeld dat de behandeling van de strafzaken van de twee medeverdachten op (relatief) korte termijn op een politierechterzitting staan gepland. Daarbij is het Openbaar Ministerie, zo begrijpt de rechtbank, voornemens om eenzelfde standpunt in te nemen ten aanzien van een (in te dienen) vordering van [benadeelde 9].

Het voorgaande in acht nemend, en ook indachtig het proceseconomische belang dat is gediend bij het afdoen van deze zaak door middel van procesafspraken, is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst ook ten aanzien van de afspraken over de vordering van de benadeelde partij recht doet aan deze zaak en de belangen van de benadeelde partij (net) voldoende geëerbiedigd worden.

De rechtbank zal dan ook overeenkomstig de in de overeenkomst gemaakte afspraak op de vordering van [benadeelde 9] beslissen. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot betaling van € 2.579,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dit bedrag op.

De vordering van [benadeelde 5]

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.478,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade (smartengeld) die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De materiële schade bestaat uit (i) een [benadeelde 9] ticket (€ 978,00) (ii) een tikkie naar ‘geldezel’ (€ 750,00), en (iii) een uren- en reiskostenvergoeding (€ 1.000,00). Aan smartengeld is een bedrag van € 3.750,00 gevorderd. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de schade mede zou bestaan uit aanschafkosten voor een nieuwe laptop omdat de benadeelde partij in de veronderstelling was dat hij gehackt was.

Ter zitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat deze ten aanzien van de rechtstreekse schade inmiddels schadeloos is gesteld door [benadeelde 9], en er voor het overige geen recht op schadevergoeding op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het materiële deel van de vordering. De benadeelde partij heeft aan het Openbaar Ministerie bevestigd dat hij het bedrag van € 750,00 dat hij aan een derde via een tikkie heeft voldaan (ad € 750,00) vergoed heeft gekregen van [benadeelde 9]. Dit betekent dat de benadeelde partij geen aanspraak meer kan maken op vergoeding van dit deel van de schade. Ook de overige gevorderde materiële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze posten niet zien op schade die rechtstreeks is geleden door het bewezenverklaarde feit. Deze schadeposten staan in een te ver verwijderd verband met de oplichting.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De benadeelde partij heeft echter geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat door het strafbare feit geestelijk letsel is opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De vordering van [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 648,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat deze ten aanzien van de gevorderde schade inmiddels schadeloos is gesteld door [benadeelde 9].

Oordeel van de rechtbank

Ook in dit geval acht de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de schade van de benadeelde partij is vergoed door [benadeelde 9], waardoor de benadeelde partij geen aanspraak meer kan maken op vergoeding van deze schade. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 75 (vijfenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde 9]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 9] geleden schade tot een bedrag van € 2.579,67 (tweeduizend vijfhonderdnegenenzeventig euro en zevenenzestig eurocent), als vergoeding voor materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 9], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 9] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.579,67 (tweeduizend vijfhonderdnegenenzeventig euro en zevenenzestig eurocent), en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

[benadeelde 5]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

[benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. I.M. Hendriks en mr. M. Goedhart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Bijlage: de tenlastelegging

feit 1 hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 april 2023 tot en met 18 april 2023, te Diemen en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 9] en/of verschillende klanten van [benadeelde 9], te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van (een) geldbedrag(en), door:- uit naam van [benadeelde 9] e-mails en/of betaalverzoeken en/of berichten te versturen aan voornoemde klanten waarin werd gevraagd geld over te maken voor een bij [benadeelde 9] geboekte reis op bankrekeningen die niet toebehoorden aan [benadeelde 9];

feit 2 hij, op of omstreeks 25 juli 2023, te Diemen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: GLOCK, type: 17 Gen 5, kaliber: 9mm P.A. Knall) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

feit 3 hij op of omstreeks 25 juli 2023 te Diemen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 getransformeerde kogelpatronen van het kaliber 7,65 Br. voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand