ECLI:NL:RBNHO:2026:13217

ECLI:NL:RBNHO:2026:13217

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 15/230606-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting. Verklaring van aangeefster kan als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling; wel behoedzaam gebruik en steunbewijs zal nodige gewicht moeten hebben. De verklaring van de aangeefster vindt op essentiële onderdelen steun in diverse andere bewijsmiddelen, afkomstig uit verschillende bronnen. Straf: GEV 18 mnd. Schadevergoeding immaterieel € 2.500,00.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/230606-25 (P)

Uitspraakdatum: 1 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.H.I. van Dongen en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 november 2024 te Westzaan, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [benadeelde] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,

- die [benadeelde] aan haar haren naar de slaapkamer heeft getrokken en/of- die [benadeelde] op het bed heeft geduwd en/of- tegen die [benadeelde] heeft gezegd ‘I want to fuck you’ of woorden van gelijke strekking en/of- die [benadeelde] heeft geslagen en/of- de (onder)kleding van die [benadeelde] heeft uitgetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent het ten laste gelegde. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om als uitgangspunt te nemen en dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarnaast is het aanwezige steunbewijs volgens de raadsman onvoldoende onderscheidend om tot een bewezenverklaring te komen, omdat dit steunbewijs ook in het door de verdachte geschetste scenario past.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vermeld.

Bewijsmotivering

Inleiding

De verdachte en de aangeefster kenden elkaar ten tijde van het ten laste gelegde feit nog niet goed. Zij waren elkaar slechts een paar keer eerder op straat tegengekomen. Op de bewuste avond waren zij samen in de woning die de aangeefster op dat moment tijdelijk huurde (via Airbnb). De verdachte had, zoals zij eerder die dag hadden afgesproken, eten voor de aangeefster meegebracht en zij zaten in de woonkamer waar zij een drankje dronken en met elkaar kletsten. Over wat er zich vervolgens heeft afgespeeld lopen de verklaringen van de aangeefster en de verdachte uiteen. Kort gezegd heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte agressief werd en heeft geprobeerd haar te verkrachten, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de aangeefster seks wilde, dat zij kort daarna een paniekaanval kreeg en hevig begon te gillen.

Bewijs in zedenzaken

Voorop staat dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn immers meestal slechts twee personen aanwezig, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, zoals in deze zaak het geval is, is doorgaans de verklaring van het vermeende slachtoffer over de seksuele handelingen het belangrijkste bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van het vermeende slachtoffer. Vaste rechtspraak is dat de rechter alleen tot een bewezenverklaring kan komen als de (betrouwbaar geachte) verklaring van het vermeende slachtoffer voldoende wordt ondersteund door ander bewijs.

Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is dat de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten wordt bekrachtigd door ander bewijs. Dit bewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan de belastende verklaring en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van het vermeende slachtoffer. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het vermeende slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.

De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van het vermeende slachtoffer moet worden onderscheiden van de vraag of de verklaring van het vermeende slachtoffer betrouwbaar is. Dit neemt niet weg dat het steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer.

De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden of de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is, en zo ja, of deze voldoende ondersteund wordt door ander bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster

De aangeefster heeft tegenover de ter plaatse gekomen politieagenten en tijdens het informatieve gesprek verklaard dat de verdachte tijdens zijn bezoek agressief werd, haar bij haar haren heeft vastgepakt, haar naar de slaapkamer heeft getrokken en haar broek heeft uitgetrokken waarbij ook haar onderbroek mee naar beneden kwam. Ook is zij door hem geslagen. Toen de verdachte aanstalten maakte zich uit te kleden en zijn broekriem losmaakte, is zij zich gaan verzetten. Ze is gaan schreeuwen en sloeg en trapte om zich heen om hem tegen te houden. Daarbij heeft zij ook zijn kleding kapotgemaakt. De aangeefster heeft in haar aangifte van 19 november 2024 grotendeels gelijkluidend verklaard. Ook op dit moment heeft de aangeefster verteld dat de verdachte vanuit het niets agressief werd, hij haar naar een kamer heeft getrokken, haar heeft geslagen, haar broek heeft uitgetrokken en zij aan het tegenstribbelen was en is terug gaan vechten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen op relevante en belangrijke punten gedetailleerd, concreet en authentiek.

De rechtbank stelt evenwel ook vast dat deze verklaringen niet geheel overeenkomen met wat de aangeefster tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 3 februari 2026 heeft verklaard. Tijdens dat verhoor heeft zij (voor het eerst) verklaard dat de verdachte drugs in haar eten zou hebben gedaan en dat haar volgende herinnering is dat zij zich opeens naakt op het bed bevindt, wordt geslagen en zich verzet. Deze inconsistentie leidt echter niet direct tot de conclusie dat de eerdere verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en moeten worden uitgesloten van het bewijs. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het verhoor bij de rechter-commissaris pas anderhalf jaar na het tenlastegelegde feit plaatsvond en er bovendien bij de verhoren gebruik is gemaakt van tolken in verschillende talen (Frans en Engels), wat ook kan hebben geleid tot communicatiestoornissen. Wel leidt dit er toe dat de rechtbank behoedzaam omgaat met de verklaring van de aangeefster.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster heeft de rechtbank acht geslagen op de politiemutaties die zich over de aangeefster in het dossier bevinden. Uit deze mutaties blijkt dat de aangeefster in de periode van april 2024 tot en met juli 2025 diverse malen in beeld komt bij de politie, onder meer vanwege overmatig alcoholgebruik, suïcide uitingen en eigen meldingen over mensen die haar lastig zouden vallen. Een enkele keer blijkt uit de mutaties dat een beschuldiging die de aangeefster heeft geuit niet correspondeert met camerabeelden. De verdediging heeft aangevoerd dat (ook) deze politiemutaties ertoe moeten leiden dat de aangifte niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Slechts twee mutaties zien op de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde en de aard daarvan tast naar het oordeel van de rechtbank de betrouwbaarheid van haar verklaring niet aan. Voor de mutaties die na het tenlastegelegde zijn gevolgd, geldt dat niet valt uit te sluiten dat eventuele psychische of verslavingsproblematiek van de aangeefster juist na het tenlastegelegde (fors) is verergerd. Bovendien kenmerken de mutaties zich daarin dat de aangeefster bij (een groot deel van) de incidenten onder invloed was. De aangeefster en de verdachte hebben evenwel beiden verklaard dat de aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde feit niet aangeschoten of dronken was.

De rechtbank concludeert dat de verklaring van de aangeefster als uitgangspunt kan worden genomen voor de beoordeling van hetgeen tussen de aangeefster en de verdachte heeft plaatsgevonden. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient de verklaring van de aangeefster te worden aangevuld met voldoende steunbewijs. Hierbij zal dit steunbewijs – gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen – wel het nodige gewicht moeten hebben.

Het steunbewijs

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van de aangeefster op essentiële onderdelen steun in andere bewijsmiddelen.

Ten eerste vindt de verklaring van de aangeefster in belangrijke mate steun in de verklaring van getuige [getuige], de eigenaar van de Airbnb, die zich die avond in de naastgelegen woning bevond. Hij heeft verklaard dat hij een vrouwenstem hoorde gillen, komend vanuit de Airbnb, dat hij op het raam heeft gebonkt en dat zijn huurster na het openen van de deur direct met paniek in haar stem zei: “he tried to rape me”. [getuige] zag dat zij deels ontkleed was. Ook zag hij vanuit de slaapkamer een man aan komen lopen en dat deze man een gescheurd t-shirt had.

De verklaring van de aangeefster wordt ook bevestigd door de beschrijving van de camerabeelden ter plaatse. Daarin is beschreven dat de gehele tijd hard gegil te horen is, terwijl intussen (i) een man en een vrouw uit een kantoor kwamen, (ii) de vrouw naar de voordeur van de Airbnb liep en op de deur klopte, (iii) zij daarna een stukje verder liep en op het raam klopte, (iv) zij daarna weer terugliep naar de voordeur en daar blijft staan, terwijl intussen (iv) de man het kantoor weer binnen ging, (v) even later de deur probeerde te openen met een sleutel en (vi) toen dit niet lukte, hij verder liep naar het raam, ook hij daarop klopte en riep: “Doe eens open. Open de deur”, (vii) de man en de vrouw naar de voordeur liepen, (viii) de voordeur werd geopend en de (ix) de vrouw vanuit de Airbnb meerdere keren zei: “He tried to rope me”.

Hiernaast hanteert de rechtbank als steunbewijs het proces-verbaal dat is opgemaakt door de ter plaatse gekomen politieagenten, waarin zij beschrijven dat de aangeefster zeer emotioneel was. Bovendien zagen zij haren van de aangeefster op de grond liggen (in het dossier ook omschreven als “een pluk haar”). Dit biedt steun aan de verklaring van de aangeefster dat zij door de verdachte bij haar haren is vastgepakt en met geweld naar de slaapkamer is getrokken.

De rechtbank acht het door de verdachte geschetste scenario – te weten dat de aangeefster zelf haar onderkleding zou hebben uitgetrokken en daarna zou hebben gegild omdat zij kennelijk een paniekaanval kreeg – niet aannemelijk. Met dat scenario valt immers moeilijk te rijmen dat de verdachte ervoor heeft gekozen (met de gillende aangeefster) in de slaapkamer te blijven en de deur niet open te doen, terwijl er op dat moment al meermalen is aangeklopt en is gebonsd op het raam van de woning. Ook heeft de verdachte verklaard dat zijn kleding niet gescheurd was, terwijl dit zowel door de aangeefster als door getuige [getuige] is verklaard.

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, vindt de verklaring van de aangeefster op essentiële onderdelen steun in diverse andere bewijsmiddelen, afkomstig uit verschillende bronnen. De rechtbank vindt dit steunbewijs van voldoende zwaarwegend gewicht, om daarmee tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting

De verdachte wordt verweten dat hij de aangeefster heeft proberen te verkrachten. Om daarvan te kunnen spreken, moeten de handelingen van de verdachte gericht zijn geweest op het seksueel binnendringen bij de aangeefster. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte de onderkleding van de aangeefster naar beneden had getrokken en haar naar de slaapkamer had getrokken. Ook was de verdachte bezig zijn eigen kleding uit te doen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster. Dat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en de verdachte is enkel wegens het aanhoudende verzet en gegil van de aangeefster en de daardoor gealarmeerde Airbnb eigenaren gestopt. Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van geweld, nu de verdachte de aangeefster aan de haren heeft getrokken en haar heeft geslagen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat

hij op 7 november 2024 te Westzaan, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [benadeelde], seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van geweld,

- die [benadeelde] aan haar haren naar de slaapkamer heeft getrokken en- die [benadeelde] op het bed heeft geduwd en- die [benadeelde] heeft geslagen en- de (onder)kleding van die [benadeelde] heeft uitgetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij bewezenverklaring rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft erop gewezen dat de kennelijke kwetsbaarheid van de aangeefster niet kenbaar was voor de verdachte. Ook is de poging, kijkende naar de mogelijke stadia van uitvoering van het delict, in een vroegtijdig stadium geëindigd. De verdachte is bovendien first offender, en hij heeft een groot belang bij het behouden van zijn woning. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal onvermijdelijk leiden tot het verlies daarvan. De raadsman heeft dan ook verzocht om oplegging van een vrijheidsbenemende straf in voorwaardelijke vorm, aangevuld met een maximale taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot opzetverkrachting van het slachtoffer. De verdachte en het slachtoffer waren kennissen en het slachtoffer had die betreffende avond behoefte aan vriendschappelijk gezelschap. Zij heeft de verdachte in goed vertrouwen in de door haar gehuurde Airbnb ontvangen, waar de verdachte vervolgens heeft geprobeerd haar te verkrachten en haar daarbij heeft geslagen en aan haar haren getrokken. Aan de situatie is een einde gekomen omdat het slachtoffer zich heeft verzet en hard en aanhoudend heeft gegild, waarna de gealarmeerde eigenaren van de Airbnb te hulp zijn geschoten. De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op haar gevoel van veiligheid. Uit de door het slachtoffer op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook dat dit een zeer ingrijpende gebeurtenis voor haar is geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op wat daartoe op de zitting naar voren is gebracht, en gekeken naar het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie) van 6 juli 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke misdrijven en dit weegt daarom niet mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.

De op te leggen straf

Er is geen oriëntatiepunt van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) voor het sinds 1 juli 2024 in werking getreden artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat de rechtbank aansluiting zal zoeken bij de oriëntatiepunten voor artikel 242 (oud) Sr. Deze gaan bij een voltooide verkrachting met geweld uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. In dit geval is sprake van een poging. Hiervoor geldt in beginsel dat het vertrekpunt ligt op twee derde deel van het oriëntatiepunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict. Gelet op de omstandigheid dat het gepleegde geweld relatief beperkt is gebleven waarbij dit ook niet heeft geleid tot ernstig letsel bij de aangeefster, en er bovendien nog geen seksuele handelingen hadden plaatsgevonden, acht de rechtbank het rechtvaardig om een lagere straf op te leggen.

In het licht van het voorgaande acht de rechtbank een straf die gelijk is aan de eis van de officier van justitie passend, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade (smartengeld) die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Daarnaast is een bedrag aan eventuele toekomstige schade van € 2.500,00 gevorderd waarbij is verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunten

De officier van justitie acht de immateriële vordering voldoende onderbouwd en gegrond zodat deze geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige (de eventuele toekomstige schade) niet-ontvankelijk te verklaren.

Namens de verdachte is, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding onvoldoende aansluit bij de (relatief mindere) ernst en de feitelijke context in deze zaak, nu geen sprake is geweest van seksueel contact. Verzocht is om aansluiting te zoeken bij de categorie ‘aanranding’ en de vordering toe te wijzen voor een bedrag van maximaal € 1.000,00. Ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze niet ter beslissing aan de rechtbank voorligt.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering is op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.

Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Gelet op de aard en ernst van de normschending in deze zaak, namelijk een poging tot verkrachting met geweld, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Voor het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal. Gelet op het feit dat sprake was van een poging en er nog geen seksuele handelingen hadden plaatsgevonden is gekeken naar zowel de categorie ‘verkrachting’ als de categorie ‘aanranding’. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om uit te gaan van een latere ingangsdatum, zoals verzocht door de verdediging.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De betalingen die de verdachte aan de Staat verricht, komen in mindering op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 25 dagen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 243 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Goedhart, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. I.M. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen (…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Goedhart
  • mr. L. Boonstra
  • mr. I.M. Hendriks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand