RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/075001-26 (P)
Uitspraakdatum: 23 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J. Prins en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.J.W.F. Segeren, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting, opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of een of meerdere aansteker(s), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, door een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, over de vloer van de woning waarin die [benadeelde 1] zich bevond te gooien en/of te gieten en/of te verspreiden;
2hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk en wederrechtelijk een woning (gelegen aan de [adres 2] en/of de inboedel van die woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, met uitzondering van het opzettelijk voorhanden hebben van aanstekers bestemd tot het begaan van brandstichting. Ook het onder 2 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
De verdachte en zijn toenmalige vriendin hebben verschillende en wisselende verklaringen afgelegd over wat er in de nacht van 11 maart 2026 is voorgevallen. De ex-vriendin, getuige [benadeelde 1], heeft op de dag van het incident aan de politie en aan aangever [benadeelde 2], de woningeigenaar, verklaard dat de verdachte en zij die nacht ruzie hadden. Zij is op een gegeven moment naar bed gegaan. De verdachte was boos en is beneden gebleven, waar hij jerrycans met benzine heeft gepakt. Vervolgens heeft hij uit woede de benzine in de woning uitgegoten en de deuren op slot gedaan. [benadeelde 1] is uiteindelijk uit bed gekomen en met de verdachte mee naar beneden gelopen. Op het moment dat zij naar beneden liep voelde ze dat de vloer nat was, zag ze overal natte plekken en rook zij een sterke benzinelucht. Door de woning lagen meerdere jerrycans. Ze was bang dat de verdachte de woning in brand zou steken en smeekte hem dat niet te doen. Zij verklaarde uit angst voor de verdachte geen aangifte te willen doen. Op 14 juni 2026 heeft [benadeelde 1] een aanvullende verklaring afgelegd bij de politie, waarin zij haar eerdere verklaring heeft ingetrokken en zij heeft aangegeven dat de benzine is gemorst doordat zij niet wilde dat de verdachte beschonken ging varen.
De verdachte heeft verklaard dat hij – midden in de nacht – wilde gaan varen en dat het daarvoor nodig was om benzine uit jerrycans over te gieten in kleinere jerrycans. Hij heeft dit beneden in huis gedaan en doordat hij daarbij heeft geknoeid, is er benzine op de grond terecht gekomen.
Alleen de verklaringen die getuige [benadeelde 1] direct na het incident heeft afgelegd passen bij de overige (forensische) bevindingen in het dossier. Daaruit volgt onder meer dat in het huis benzinedampen hingen, op een groot aantal plekken en overal in de woning, zowel op de beneden- als bovenverdieping, benzine op de grond lag en dat de waardes van de aanwezige benzinedampen zo hoog waren, dat het aanzetten van een lamp al een explosie zou kunnen veroorzaken.
In het licht van deze bevindingen acht de rechtbank de verklaringen dat er enkel benzine gemorst zou zijn ongeloofwaardig. De rechtbank schuift die verklaringen dan ook terzijde en gaat uit van de juistheid van de verklaringen die getuige [benadeelde 1] direct na het incident heeft afgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank was de benzine die de verdachte op 11 maart 2026 voorhanden had bestemd tot het begaan van brandstichting. Door de woning met benzine te overgieten heeft de verdachte die benzine naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo gebruikt dat het zijn doel was om hiermee de woning in brand te steken. Wanneer het daadwerkelijk tot een brandstichting was gekomen, was daarbij gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen ontstaan. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van een strafbare voorbereiding van brandstichting.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
1hij op 11 maart 2026 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting, opzettelijk benzine bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;
2hij op 11 maart 2026 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk en wederrechtelijk een woning (gelegen aan de [adres 2] die aan een ander, te weten aan [benadeelde 2], toebehoorde heeft beschadigd.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
1
voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is
en
2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van brandstichting en het beschadigen van een woning door in die woning benzine uit te gieten. Hiermee heeft de verdachte gezorgd voor een zeer gevaarlijke situatie. De concentratie ontvlambare stoffen was zo hoog, dat een enkele vonk voldoende zou zijn geweest om brand te veroorzaken. Door zijn handelen heeft de verdachte zijn toenmalige vriendin (en zichzelf) in (levens)gevaar gebracht. Ook is gevaar ontstaan voor de woning van aangever en een aangrenzende woning en is de woning van aangever beschadigd geraakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 18 mei 2026, waaruit blijkt dat hij op 26 augustus 2022 is veroordeeld voor huiselijk geweld en vernieling. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee.
De rechtbank heeft ook gekeken naar wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, naar het rapport van de reclassering van 20 augustus 2026 en het rapport van de psycholoog van 12 juni 2026. De psycholoog komt tot de conclusie dat de verdachte kampt met een licht verstandelijke beperking. De reclassering ziet risico’s in het psychosociaal functioneren en het middelengebruik van de verdachte. Zij schat het recidiverisico en het risico op letsel in op gemiddeld-hoog. De verdachte heeft eerder onder toezicht van de reclassering gestaan en dat traject is in 2024 negatief retour gezonden. Daarom denkt de reclassering dat een reclasseringstraject moeilijk uitvoerbaar zal zijn. Maar, gezien de ernst van het feit, vindt de reclassering dit wel geïndiceerd en de verdachte heeft gezegd dat hij zal meewerken. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht aan de verdachte op te leggen.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en dan met name de voorbereiding van de brandstichting zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.498,20 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het beschadigen van de woning zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat voor € 689,70 uit het verwijderen van trap- en vloerbedekking, € 3.008,50 uit het vervangen van trap- en vloerbedekking en € 1.800,- uit misgelopen huurinkomsten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden
verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat sprake is van toekomstige
schade. Meer subsidiair verzoekt zij de schade uit misgelopen huurinkomsten te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Trap- en vloerbedekking
Door het onder 2 bewezen verklaarde feit is rechtstreeks (materiële) schade toegebracht aan de trap- en vloerbedekking in de woning van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft een offerte overgelegd voor het verwijderen van de trap- en vloerbedekking en een offerte met de nieuwprijs van trap- en vloerbedekking. Nu de benadeelde partij bij de politie heeft verklaard al voornemens te zijn geweest de woning te renoveren, kan de rechtbank zonder nadere toelichting over onder meer de staat waarin de trap- en vloerbedekking zich bevond voorafgaand aan de toegebrachte beschadiging, niet nauwkeurig vaststellen wat de omvang is van de veroorzaakte schade. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt de schade vast op € 1.500,-.
Gemiste huurinkomsten
De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gemiste huurinkomsten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft twee maanden à € 900,- gemiste huurinkomsten gerekend, maar het is voor de rechtbank zonder nadere toelichting niet vast te stellen op welk bedrag deze schade moet worden begroot. Daarvoor acht de rechtbank mede van belang dat het huurcontract gesloten tussen de verdachte met de benadeelde partij inhoudt dat de verdachte een borg van € 1.800 heeft moeten betalen.
Conclusie
De rechtbank concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering aan materiële schade, namelijk tot een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen onder 2 (kort gezegd: beschadiging) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 46, 55, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij reclassering
- de verdachte zich zal melden op afspraken met de Reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
Ambulante behandeling
- de verdachte zich laat behandelen door FAZ (forensisch ambulante zorg) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek;
Aflossing schulden
- de verdachte zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Beheersing middelengebruik
- de verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. van Doesburg, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge Van Ellemeet en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(..)