ECLI:NL:RBNHO:2026:13327

ECLI:NL:RBNHO:2026:13327

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 15/203799-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor artt. 6 en 8 WVW. Roekeloosheid. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door roekeloos rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. De verdachte heeft veel te hard en door rood licht gereden, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Als gevolg hiervan is hij op een kruising in botsing gekomen met een andere auto en heeft de bestuurder van de andere auto zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Schadevergoeding toegekend voor materiële en immateriële schade

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/203799-25 (P)

Uitspraakdatum: 3 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

feitelijk verblijvende op het adres [verblijfsadres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.K. van Ravenzwaaij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. van der Vlies, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Oostzaan, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Cupra), daarmede rijdende over de weg, de Kolkweg N516, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met een niet toegestane hoge snelheid de met verkeerslichten geregelde kruising

op die Kolkweg N516 met de op- en/of afrit van de A8 te naderen en/of

- een voor hem bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren en/of

- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- geen voorrang te verlenen aan en met hoge snelheid aan te rijden tegen een voor hem van links komende personenauto (merk Tesla),

waardoor een of meer anderen (te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten [benadeelde 1] een gebroken linkerbeen en/of gekneusde ribben en [benadeelde 2] een breuk in haar rug en/of hand, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

Feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Cupra), daarmee rijdende op de weg, de Kolkweg N516, met in zijn voertuig [benadeelde 2] en haar kind als passagiers,

- met een niet toegestane hoge snelheid heeft gereden en/of

- een voor hem bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of

- geen voorrang heeft verleend aan en in botsing te komen met een voor hem van links

komende personenauto (merk Tesla, met bestuurder [benadeelde 1]), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Feit 2:

hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Cupra), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,71 miligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 primair is volgens de officier van justitie gebleken dat de verdachte met teveel alcohol op en met een te hoge snelheid (van ongeveer 128 kilometer per uur) heeft gereden en een rood stoplicht heeft genegeerd. Op grond van de gedragingen van de verdachte moet worden geconcludeerd dat hij zich roekeloos heeft gedragen in het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde roekeloosheid. Daarvan heeft zij verzocht de verdachte vrij te spreken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet gericht waren op het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank zal hieronder ingaan op het verweer van de raadsvrouw.

Bewijsmotivering feit 1 primair

Feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 28 juni 2025 heeft er op de Kolkweg in Oostzaan een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte reed in een Seat Cupra, met als passagiers zijn partner [benadeelde 2] en zijn stiefdochter. Hij is in botsing gekomen met de Tesla van [benadeelde 1]. Daarbij zijn de verdachte, zijn partner en [benadeelde 1] (ernstig) gewond geraakt. Uit het onderzoek naar het verkeersongeval is gebleken dat de verdachte door rood licht is gereden. Het verkeerslicht stond al minimaal 8,9 seconden op rood toen hij de stopstreep passeerde. [benadeelde 1] reed door groen licht. De verdachte reed met een gemiddelde (indicatieve) snelheid tussen de 128 en 138 kilometer per uur. Op de betreffende weg gold op het moment van het ongeval een maximale snelheid van 50 kilometer per uur in verband met wegwerkzaamheden. Uit bloedonderzoek bleek dat de verdachte 0,71 milligram alcohol per milliliter in zijn bloed had, terwijl 0,5 milligram de grens is. De verdachte heeft op de zitting erkend dat hij alcohol gedronken had, door rood licht is gereden en te hard heeft gereden.

De mate van schuld

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te kunnen komen moet worden bewezen dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip ‘schuld’ houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag. Daarbij komt het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In geval van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

De wetgever heeft met de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, de toepasselijke strafbepaling bij overtreding van artikel 6 WVW, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag ook als overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. De rechtbank moet dus beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.

In het kader van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met het verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) een of meer van de verkeersregels genoemd in artikel 5a WVW in ernstige mate heeft geschonden, (b) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (c) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar van anderen.

a. Ernstige schending van belangrijke verkeersregels

Vastgesteld is dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval, bij het naderen van de kruising van de Kolkweg N516 met de op-/afritten van de A8, veel te hard heeft gereden. Nog geen 100 meter voor de kruising waar de verdachte in botsing kwam met de andere personenauto lag zijn gemiddelde (indicatieve) snelheid tussen de 113 kilometer en 142 kilometer per uur, waar op dat moment 50 kilometer per uur was toegestaan. Het overschrijden van de maximumsnelheid kan ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. De verdachte overschreed de vastgestelde maximumsnelheid ruim tweemaal en heeft deze verkeersregel naar het oordeel van de rechtbank dus in ernstige mate geschonden.

De verdachte is daarnaast de kruising van het ongeval opgereden, terwijl het verkeerslicht voor hem op rood stond. Ook door rood rijden kan op grond van artikel 5a, eerste lid, onder i WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Gebleken is dat het voor hem geldende stoplicht bij het passeren van de stopstreep al minimaal 8,9 seconden rood licht uitstraalde.

Tot slot had de verdachte ten tijde van het ongeval te veel gedronken. In zijn bloed is namelijk een alcoholgehalte vastgesteld van 0,71 milligram per milliliter bloed, terwijl de in artikel 8, tweede lid WVW vermelde grenswaarde 0,5 milligram per milliliter bloed is.

Dit wordt op grond van artikel 5a, tweede lid, WVW mede in aanmerking genomen bij de toepassing van artikel 5a, eerste lid, WVW.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte belangrijke verkeersregels die bij uitstek bedoeld zijn ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van de verkeersveiligheid heeft geschonden en dit in ernstige mate heeft gedaan.

b. Opzettelijk

Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Bij het beantwoorden van de vraag of hiervan sprake was, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet de rechtbank kunnen afleiden dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm een opzettelijke schending van de verkeersregels zijn geweest.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de zoon van de verdachte ziek was en dat die omstandigheid maakte dat de verdachte met alcohol op toch de auto is ingestapt. Daarnaast verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat hij niet te hard reed en het voor hem geldende verkeerslicht groen licht uitstraalde. Volgens de raadsvrouw maken deze omstandigheden dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De verdachte heeft onder invloed van alcohol met een snelheid van ver boven de toegestane 50 kilometer per uur gereden en heeft daarbij een rood verkeerslicht genegeerd. Deze gedragingen van de verdachte kunnen niet anders dan opzettelijk zijn verricht. Te meer nu de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij die avond een aantal glazen alcohol had gedronken en dat hij toch in de auto is gestapt omdat hij heel snel bij zijn zoontje wilde zijn. Gelet op het voorgaande waren de gedragingen van de verdachte dus, ook naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, gericht op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels.

c. Gevaar te duchten

Door de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat als een bestuurder onder invloed van alcohol veel te hard en door rood rijdt, zoals de verdachte heeft gedaan. Het door de verdachte gecreëerde gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich ook verwezenlijkt. De verdachte heeft immers een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Conclusie

De rechtbank merkt de gedragingen van de verdachte die tot het verkeersongeval hebben geleid aan als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan het ongeval, te weten roekeloosheid.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair:

hij op 28 juni 2025 te Oostzaan, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de Kolkweg N516, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos - met een niet toegestane hoge snelheid de met verkeerslichten geregelde kruising op die Kolkweg N516 met de op- en afrit van de A8 te naderen en

- een voor hem bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren en

- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

- geen voorrang te verlenen aan en met hoge snelheid aan te rijden tegen een voor

hem van links komende personenauto,

waardoor anderen (te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2]) zwaar

lichamelijk letsel, te weten [benadeelde 1] een gebroken linkerbeen

en [benadeelde 2] een breuk in haar rug en hand, terwijl hij, verdachte, verkeerde

in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2

hij op 28 juni 2025 te Oostzaan, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,71 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

Feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet

en

Feit 2:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,71 milligram).

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaar op te leggen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, waarvan één jaar voorwaardelijk.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht in het kader van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw verzoekt te volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te beperken tot de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest en verder te volstaan met een voorwaardelijke rijontzegging.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door roekeloos rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. De verdachte heeft veel te hard en door rood licht gereden, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Als gevolg hiervan is hij op een kruising in botsing gekomen met een andere auto en heeft de bestuurder van de andere auto zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het ongeluk zowel fysiek, als psychisch een grote impact op hem heeft (gehad). In de auto van de verdachte zaten ook zijn vriendin en haar 2-jarige dochter. Als gevolg van het ongeval heeft zijn vriendin ook zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het is een wonder te noemen dat de dochter van zijn vriendin slechts enkele blauwe plekken aan het ongeluk heeft overgehouden.. De verdachte heeft met zijn handelen het op alle fronten laten afweten als verantwoordelijk verkeersdeelnemer waarin men zowel de eigen veiligheid als die van anderen te allen tijde serieus dient te nemen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 17 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte al eerder is veroordeeld wegens te hard rijden, waarbij zijn rijbewijs voor 56 dagen werd ingevorderd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsadvies van 13 augustus 2026. De reclassering acht interventies of toezicht door de reclassering niet nodig en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Gelet op die oriëntatiepunten is het vertrekpunt in geval van overtreding van artikel 6 WVW bij de hoogste mate van verwijtbaarheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met daarbij een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd en daarbij aansluiting gezocht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ten gevolge van het ongeluk zelf ook lichamelijk letsel opgelopen en heeft, mede door het rijbewijs dat zes maanden ingevorderd is geweest, lange tijd niet kunnen werken. Hierdoor kan de verdachte de huur van zijn woning niet meer betalen en is hij met zijn vriendin en haar dochter ingetrokken bij zijn moeder en stiefvader. Verder heeft hij spijt betuigt en geeft hij er blijk van doordrongen te zijn van de ernst van het ongeval en de gevolgen voor het slachtoffer.

Ter zitting heeft de verdachte nog naar voren gebracht dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Zoals hiervoor is vermeld heeft de verdachte eerder te hard gereden, waardoor zijn rijbewijs al eerder voor 56 dagen ingevorderd is geweest. Daar komt bij dat de verdachte op zitting heeft verklaard dat hij na het ongeluk in de tijd dat zijn rijbewijs was ingevorderd toch is gaan rijden, omdat hij naar zijn werk moest. Gelet daarop heeft de rechtbank er niet zonder meer vertrouwen in dat de verdachte niet opnieuw de fout in zal gaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk vier maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Ook is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor de duur van drie jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van deze straf, te weten één jaar, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat de verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zijn advocaat mr. Peerik een vordering tot schadevergoeding van € 20.600,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 600,00 bestaat voor € 400,00 uit kosten voor fysiotherapie en € 200,00 uit kosten voor een nieuwe broek. De verzochte immateriële schade betreft € 20.000,00.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verzochte materiële schadevergoeding voor de fysiotherapiebehandelingen. Verder heeft zij verzocht de vordering aan materiële schade voor zover die ziet op de broek en de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schadevergoeding

De benadeelde partij heeft € 400,00 gevorderd ter vergoeding van fysiotherapiebehandelingen en € 200,00 voor een broek. De hoogte van de gevorderde vergoeding voor fysiotherapiebehandelingen zijn onderbouwd met facturen van acht gevolgde behandelingen in de periode van 25 september 2025 tot en met 24 februari 2026. Daarmee is de vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en het betreft schade die rechtstreeks het gevolg is van het ongeval. Het gevorderde bedrag van € 400,00 voor de fysiotherapie behandelingen zal de rechtbank dan ook volledig toewijzen.

Ook is voldoende gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het ongeval schade had aan zijn broek. Ten aanzien van deze schadepost zal de rechtbank, mede gelet op afschrijvingskosten, gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de gevorderde vergoeding voor de broek schatten op € 100,00. Het meerdere zal worden afgewezen.

Immateriële schadevergoeding

De benadeelde partij heeft daarnaast € 20.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Daarom is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de immateriële schade die naar billijkheid wordt vastgesteld. Daarbij betrekt de rechtbank dat de benadeelde partij als gevolg van het veroorzaakte ongeluk door de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaronder een gebroken scheenbeen, en dat hij psychische gevolgen van het ongeval heeft ondervonden die, zoals volgt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, tot op de dag van vandaag voortduren en waarvoor hij behandelingen volgt bij een psycholoog.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de bedragen die in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend en daarnaast aansluiting gezocht bij de hoofdstukken 5.13 onder f en 14.2 onder d van de “Rotterdamse schaal”. Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij zal voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wettelijke rente

Tevens is verzocht de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal die wettelijke rente toewijzen. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente gaat de rechtbank met betrekking tot de gevorderde schadevoeging van de broek en de immateriële schadevergoeding uit van 28 juni 2025, de dag van het ongeval. Met betrekking tot de fysiotherapiebehandeling overweegt de rechtbank dat deze kosten zijn gemaakt op meerdere momenten gedurende een langere periode. De eerste nota is van 2 oktober 2025 en de laatste nota is van 12 maart 2026. Om praktische redenen zal de rechtbank als ingangsdatum van de wettelijke rente het midden van deze periode kiezen, te weten 22 december 2025.

Proceskostenvergoeding

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 14 a, 14b, 14c, 36f en 55 van het Wetboek van Strafrecht

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 10.500,00, bestaande voor € 500,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf ondergenoemde data, tot aan de dag de algehele voldoening en tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 10.500,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 10.000,00 immateriële schade met ingang van 28 juni 2025;

- over een bedrag van € 100,00 materiële schade met ingang van 28 juni 2025;

- over een bedrag van € 400,00 materiële schade met ingang van 22 december 2025.

Wijst af de overige gevorderde materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.500, vermeerderd met de wettelijke rente: - over een bedrag van € 10.000,00 immateriële schade met ingang van 28 juni 2025;

- over een bedrag van € 100,00 materiële schade met ingang van 28 juni 2025;

- over een bedrag van € 400,00 materiële schade met ingang van 22 december 2025;tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal 77 dagen gijzeling kan worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Doesburg, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. A.M.C. de Haan, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H.A. Sluiter

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. van Doesburg
  • mr. A. Buiskool
  • mr. A.M.C. de Haan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand